Matteus 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Weer nam Jesus het woord, en sprak tot hen in gelijkenissen:
1Once again, Jesus spoke to them in parables:
2Het rijk der hemelen is gelijk aan een koning, die een bruiloftsmaal gaf voor zijn zoon.
2“The kingdom of heaven is like a king who prepared a wedding banquet for his son.
3En hij zond zijn dienaars uit, om de genodigden tot de bruiloft te roepen; maar ze wilden niet komen.
3He sent his servants to call those he had invited to the banquet, but they refused to come.
4Opnieuw zond hij andere dienaars, en sprak: Zegt aan de genodigden: Ziet, ik heb mijn maaltijd gereed, mijn ossen en mestvee zijn geslacht, en alles is klaar; komt toch ter bruiloft.
4Again, he sent other servants and said, ‘Tell those who have been invited that I have prepared my dinner. My oxen and fattened cattle have been killed, and everything is ready. Come to the wedding banquet.’
5Maar ze sloegen er geen acht op, en gingen huns weegs; de een naar zijn hoeve, de ander naar zijn zaken.
5But they paid no attention and went away, one to his field, another to his business.
6De overigen grepen zijn dienaars vast, mishandelden en doodden ze.
6The rest seized his servants, mistreated them, and killed them.
7Toen werd de koning vergramd; hij zond zijn leger uit, doodde die moordenaars en stak hun stad in brand.
7The king was enraged, and he sent his troops to destroy those murderers and burn their city.
8En hij sprak tot zijn dienaars: Het bruiloftsmaal is wel gereed, maar de genodigden verdienden het niet.
8Then he said to his servants, ‘The wedding banquet is ready, but those I invited were not worthy.
9Gaat dus naar de kruispunten der straten, en nodigt allen ter bruiloft, die gij er vinden zult.
9Go therefore to the crossroads and invite to the banquet as many as you can find.’
10Zijn dienaars gingen de straten op, en verzamelden allen, die zij er aantroffen, slechten en goeden; en de bruiloftszaal werd met gasten gevuld.
10So the servants went out into the streets and gathered everyone they could find, both evil and good, and the wedding hall was filled with guests.
11Toen nu de koning binnentrad, om de aanliggende gasten te zien, zag hij een man, die geen bruiloftskleed aan had.
11But when the king came in to see the guests, he spotted a man who was not dressed in wedding clothes.
12En hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt ge hier zonder bruiloftskleed binnengekomen? Hij wist er geen antwoord op te geven.
12‘Friend,’ he asked, ‘how did you get in here without wedding clothes?’ But the man was speechless.
13Nu zei de koning tot zijn bedienden: Bindt hem handen en voeten, en werpt hem naar buiten de duisternis in; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
13Then the king told the servants, ‘Tie him hand and foot, and throw him into the outer darkness, where there will be weeping and gnashing of teeth.’
14Want velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren.
14For many are called, but few are chosen.”
15Daarop gingen de farizeën heen, en beraadslaagden, hoe ze Hem in zijn eigen woorden zouden verstrikken.
15Then the Pharisees went out and conspired to trap Jesus in His words.
16Ze zonden hun leerlingen met de aanhangers van Herodes op Hem af met de vraag: Meester, we weten, dat Gij oprecht zijt, de weg van God naar waarheid leert, en niemand naar de ogen ziet; want Gij kent geen aanzien des persoons.
16They sent their disciples to Him along with the Herodians. “Teacher,” they said, “we know that You are honest and that You teach the way of God in accordance with the truth. You seek favor from no one, because You pay no attention to external appearance.
17Zeg ons dus: wat dunkt U; is het geoorloofd den keizer belasting te betalen, of niet?
17So tell us what You think: Is it lawful to pay taxes to Caesar or not?”
18Jesus kende hun boosheid, en sprak: Huichelaars, wat stelt gij Mij op de proef?
18But Jesus knew their evil intent and said, “You hypocrites, why are you testing Me?
19Laat Mij de cijnspenning zien. Ze hielden Hem een tienling voor.
19Show Me the coin used for the tax.” And they brought Him a denarius.
20Jesus zeide hun: Wiens beeld en randschrift is dit?
20“Whose image is this,” He asked, “and whose inscription?”
21Ze zeiden: Van den keizer. Hij sprak tot hen: Geeft dan den keizer, wat den keizer toekomt; en geeft aan God, wat God toekomt.
21“Caesar’s,” they answered. So Jesus told them, “Give to Caesar what is Caesar’s, and to God what is God’s.”
22Toen ze dit hoorden, waren ze verwonderd; ze lieten Hem met rust, en gingen heen.
22And when they heard this, they were amazed. So they left Him and went away.
23Op diezelfde dag kwamen de sadduceën naar Hem toe, die de verrijzenis loochenen. Ze ondervroegen Hem:
23That same day the Sadducees, who say there is no resurrection, came to Jesus and questioned Him.
24Meester, Moses heeft gezegd: Wanneer iemand kinderloos sterft, dan zal zijn broer de vrouw van hem huwen, en nakomelingschap voor zijn broer verwekken.
24“Teacher,” they said, “Moses declared that if a man dies without having children, his brother is to marry the widow and raise up offspring for him.
25Nu waren er bij ons zeven broers; de eerste huwde en stierf; en daar hij geen kinderen had, liet hij zijn vrouw achter aan zijn broer.
25Now there were seven brothers among us. The first one married and died without having children. So he left his wife to his brother.
26Zo ging het ook met den tweeden en den derden, tot den zevenden toe.
26The same thing happened to the second and third brothers, down to the seventh.
27Het laatst van allen stierf ook de vrouw.
27And last of all, the woman died.
28Wien van de zeven zal ze nu bij de verrijzenis als vrouw toebehoren? Ze hebben haar immers allen gehad.
28In the resurrection, then, whose wife will she be of the seven? For all of them were married to her.”
29Jesus antwoordde: Gij dwaalt en kent de Schriften niet, en evenmin de kracht van God.
29Jesus answered, “You are mistaken because you do not know the Scriptures or the power of God.
30Want bij de verrijzenis huwt men niet, noch wordt men gehuwd; maar men zal zijn als engelen Gods in de hemel.
30In the resurrection, people will neither marry nor be given in marriage. Instead, they will be like the angels in heaven.
31En wat de verrijzenis der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat God u gezegd heeft:
31But concerning the resurrection of the dead, have you not read what God said to you:
32“Ik ben de God van Abraham, de God van Isaäk, de God van Jakob?” Hij is toch geen God van doden, maar van levenden.
32‘I am the God of Abraham, the God of Isaac, and the God of Jacob’? He is not the God of the dead, but of the living.”
33Toen het volk dit hoorde, stond het verbaasd over zijn leer.
33When the crowds heard this, they were astonished at His teaching.
34Toen de farizeën vernamen, dat Hij de sadduceën tot zwijgen gebracht had, kwamen ze naar Hem toe;
34And when the Pharisees heard that Jesus had silenced the Sadducees, they themselves gathered together.
35en een hunner, een wetgeleerde, vroeg, om Hem op de proef te stellen:
35One of them, an expert in the law, tested Him with a question:
36Meester, wat is het grootste gebod in de Wet?
36“Teacher, which commandment is the greatest in the Law?”
37Jesus zei hem: “Gij zult den Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en heel uw verstand.”
37Jesus declared, “‘Love the Lord your God with all your heart and with all your soul and with all your mind.’
38Dit is het grootste en eerste gebod.
38This is the first and greatest commandment.
39En het tweede daaraan gelijk: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.”
39And the second is like it: ‘Love your neighbor as yourself.’
40Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.
40All the Law and the Prophets hang on these two commandments.”
41Daar nu de farizeën toch bij elkaar waren, vroeg Jesus hun:
41While the Pharisees were assembled, Jesus questioned them:
42Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is Hij? Ze zeiden: Van David.
42“What do you think about the Christ? Whose son is He?” “David’s,” they answered.
43Hij zeide hun: Hoe noemt David in den Geest Hem dan Heer, wanneer hij zegt:
43Jesus said to them, “How then does David in the Spirit call Him ‘Lord’? For he says:
44“De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand, Totdat Ik uw vijanden leg Als een voetbank voor uw voeten!”
44‘The Lord said to my Lord, “Sit at My right hand until I put Your enemies under Your feet.”’
45Als David Hem Heer noemt, hoe is Hij dan zijn zoon?
45So if David calls Him ‘Lord,’ how can He be David’s son?”
46Niemand kon Hem antwoord geven; en van die dag af durfde niemand Hem meer ondervragen.
46No one was able to answer a word, and from that day on no one dared to question Him any further.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.