Matteus 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
1Не судїть, щоб вас не суджено.
2Want met het oordeel, dat gij velt, zult gij geoordeeld worden; en met de maat, waarmee gij meet, zal men ook meten voor u.
2Бо яким судом судите, вас судити муть; і якою мірою міряєте, вам одміряєть ся.
3Waarom ziet ge de splinter in het oog van uw broeder, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet?
3Чого ж дивиш ся на порошину в оцї брата твого, у своєму ж оцї полїна не чуєш?
4Of waarom zegt ge tot uw broeder: laat mij de splinter uit uw oog trekken; en zie, de balk zit in uw eigen oog?
4Або, як скажеш ти братові твоєму: Дай я вийму порошину тобі з ока, а он у тебе самого полїно в оцї?
5Huichelaar, trek eerst de balk uit uw eigen oog; dan zult ge zien, hoe ge de splinter uit het oog van uw broeder moet trekken.
5Лицеміре, перш вийми в себе самого з ока ломаку; тодї добре бачити меш, як вийняти братові твоєму з ока порошину.
6Geeft het heilige niet aan de honden, en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze niet met de poten vertrappen, zich omkeren, en u gaan verscheuren.
6Не давайте сьвятого собакам, і не кидайте ваших перел перед свинями, щоб не потоптали їх ногами своїми й, обернувшись, не порвали вас.
7Vraagt en men zal u geven; zoekt en ge zult vinden; klopt en men zal u opendoen.
7Просїть, то й дасть ся вам; шукайте, то й знайдете; стукайте, то й відчинить ся вам:
8Want wie vraagt, ontvangt; wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem doet men open.
8кожен бо, хто просить, одержує; і хто шукає, знаходить; і хто стукає, тому відчиняють.
9Of wie is er onder u, die aan zijn zoon een steen zal geven, als hij om brood vraagt,
9Або, чи є між вами така людина, що в неї син попросить хлїба, а вона подала б йому каменя?
10of een slang, als hij om vis vraagt?
10або коли попросить риби, а вона подала б йому гадюку?
11Als gij dus, zondige mensen, aan uw kinderen goede gaven weet te schenken, hoeveel te meer zal dan uw Vader, die in de hemelen is, het goede geven aan wie het Hem vragen.
11Коли ж ви, бувши лихими, умієте давати добрі дари дїтям вашим, то чи не більше ж давати ме все добре Отець ваш, що на небі, тим, хто просить у Него?
12Al wat gij dus wilt, dat de mensen u doen, doet het ook hun; want dat is de Wet en de Profeten.
12Оце ж, усе, що бажаєте, щоб робили вам люде, так і ви робіть їм; се бо єсть закон і пророки.
13Gaat binnen door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg, die ten verderve leidt; en velen zijn er, die daardoor naar binnen gaan.
13Увіходьте вузкими дверима, бо широкі ті двері й розлога та дорога, що веде до погибелї, й багацько таких, що ними входять:
14Hoe eng is de poort en hoe smal is de weg, die ten leven voert; en weinigen zijn er, die hem vinden.
14вузкі бо ті двері, й тїсна та дорога, що веде до життя, і мало таких, що їх знаходять.
15Wacht u voor de valse profeten, die tot u komen in schaapskleren, maar inwendig roofgierige wolven zijn.
15Остерегайтесь лжепророків, що приходять до вас ув одежі овечій, а в серединї вони вовки хижі.
16Aan hun vruchten zult gij ze kennen. Plukt men wel druiven van doornen, of vijgen van distels?
16Познаєте їх по овощам їх. Чи збирають виноград із тернини, або фиґи з бодяків?
17Zo draagt iedere goede boom ook goede vruchten; maar een slechte boom draagt slechte vruchten.
17Так усяке добре дерево родить овощ добрий, а пусте дерево родить овощ лихий.
18Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, en een slechte boom geen goede vruchten.
18Не може добре дерево родити лихого овощу, анї пусте дерево родити овощу доброго.
19Iedere boom, die geen goede vruchten draagt, zal omgehouwen worden en in het vuur geworpen.
19Усяке дерево, що не родить доброго овощу, рубають і кидають ув огонь.
20Aan hun vruchten dus zult gij ze kennen.
20Оце ж по овощам їх познаєте їх.
21Niet iedereen, die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het rijk der hemelen; maar wel wie de wil van mijn Vader volbrengt, die in de hemelen is.
21Не кожен, хто говорить до мене: Господи, Господи! увійде в царство небесне, а той, хто чинить волю Отця мого, що на небі.
22Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben we niet in uw Naam voorzeggingen gedaan, in uw Naam duivels uitgedreven, in uw Naam veel wonderen verricht?
22Многі казати муть до мене того дня: Господи, Господи, чи не в твоє ж імя ми пророкували? й не твоїм імям біси виганяли? й не твоїм імям великі чудеса робили?
23En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet.
23І промовлю тодї до них: Нїколи я вас не знав; ійдїть од мене, ви, що чините беззаконнє.
24Een ieder dus, die deze woorden van Mij hoort, en ze in beoefening brengt, zal gelijk zijn aan een wijzen man, die zijn huis bouwde op een rots.
24Оттим же, всякий, хто слухає сї слова мої й чинить їх, того уподоблю я чоловікові мудрому, що збудував свій будинок на каменї;
25En de regen viel neer, en de waterstromen kwamen af, en de winden gierden en stortten zich op dat huis; doch het zakte niet in, want het was gegrond op de rots.
25і полили дощі, й надійшла повідь і забуяли вітри, й наперли на той будинок; та й не впав він; бо основано його на каменї.
26Maar wie deze woorden van Mij hoort, doch ze niet in beoefening brengt, zal gelijk zijn aan een dwazen man, die zijn huis bouwde op het zand.
26А всякий, хто слухає сї слова мої, та й не чинить їх, уподобить ся чоловікові необачному, що збудував свій будинок на піску;
27En de regen viel neer, en de waterstromen kwamen af, en de winden gierden en stortten zich op dat huis; het zakte in, en zijn val was geweldig.
27і полили дощі, й надійшла повідь, і забуяли вітри, й наперли на той будинок; і впав він, і велика була руїна його.
28Toen Jesus deze toespraak geëindigd had, stonden de scharen verbaasd over zijn leer.
28І сталось, як скінчив Ісус оцї слова, дивувавсь народ наукою Його:
29Want Hij leerde hen als een die gezag heeft, en niet zoals hun schriftgeleerden.
29бо Він їх навчав, яко маючий власть, а не як письменники.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.