Matteus 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1En toen Hij zijn twaalf leerlingen bijeen had geroepen, gaf Hij hun de macht, om de onreine geesten uit te drijven, en alle ziekten en kwalen te genezen.
1І, прикликавши дванайцять учеників своїх, дав їм власть над нечистими духами, щоб виганяли їх, і сцїляли всяку болїсть і всяку неміч.
2De namen der twaalf apostelen zijn: De eerste, Simon, die Petrus wordt genoemd, en Andreas zijn broer;
2На ймя ж дванайцять апостолів були: первий Симон, що прозвано Петром, та Андрій брат його; Яков Заведеїв, та Йоан брат його;
3Jakobus, zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes; Filippus en Bartolomeüs; Tomas en Matteüs de tollenaar; Jakobus, zoon van Alfeüs, en Taddeüs;
3Филип, та Вартоломей; Тома, та Маттей митник: Яков Алфеїв, та Леввій, на прізвище Тадей;
4Simon de ijveraar en Judas Iskáriot, die Hem verraden heeft.
4Симон Хананець, та Юда Іскариотський, що й зрадив Його.
5Deze twaalf zond Jesus uit, en Hij gebood hun: Slaat niet de weg naar de heidenen in, en treedt de steden van de Samaritanen niet binnen;
5Сих дванайцятьох послав Ісус, і наказав їм, глаголючи: Не йдїть шляхом поган, і не ввіходьте в город Самарянський;
6maar gaat liever tot de verdwaalde schapen uit het huis van Israël.
6а раднїщ ійдїть до загублених овечок дому Ізраїлевого;
7Gaat, preekt hun, en zegt: Het rijk der hemelen is nabij!
7а ходячи проповідуйте, глаголючи: Царство небесне наближилось.
8Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij ontvangen; geeft om niet.
8Сцїляйте недужих, очищайте прокажених, воскрешайте мертвих, виганяйте біси; дармо прийняли, дармо й давайте.
9Goud-, zilver- noch kopergeld moogt gij in uw gordels dragen,
9Не беріть собі нї золота, нї срібла, нї грошей у череси ваші,
10geen tas, geen twee onderkleren, geen schoeisel, geen reisstaf meenemen; want de arbeider heeft recht op zijn onderhoud.
10анї торбини на дорогу, анї двох одежин, нї обувя, нї палицї: бо робітник достоєн харчі своєї.
11In welke stad of dorp gij ook komt, onderzoekt, wie daar de waardigste is; en blijft bij hem, totdat gij weer afreist.
11І в який город чи село ввійдете, роспитайте, хто там є достойний; там і пробувайте, аж поки вийдете.
12Als gij dat huis binnentreedt, brengt het uw groet.
12А як увійдете в яку господу, витайте її, кажучи: Мир сїй господї.
13En zo dat huis het waardig is, dan daalt uw vrede er over neer; zo niet, dan keert uw vrede terug op u.
13І, коли господа достойна, нехай упокій ваш зійде на неї. Коли ж вона недостойна, то нехай упокій ваш вернеть ся до вас.
14En waar men u niet ontvangt en niet luistert naar uw woorden, verlaat dat huis of die stad, en schudt het stof van uw voeten.
14А хто вас не прийме й не слухати ме словес ваших, то, виходячи з такого дому чи города того, отрусїть і порох із ніг ваших.
15Voorwaar, Ik zeg u: voor het land van Sódoma en Gomorra zal het dragelijker zijn op de oordeelsdag dan voor die stad.
15Істинно глаголю вам: Легше буде землї Содомській та Гоморській суднього дня, нїж городові тому.
16Ziet, Ik zend u als schapen midden onder de wolven. Weest dus voorzichtig als de slangen, en eenvoudig als de duiven.
16Оце я посилаю вас, як овечок між вовки; тим бувайте мудрі, як вужі, та тихі, як голуби.
17Wacht u voor de mensen. Want ze zullen u overleveren aan de rechtbanken, en geselen in hun synagogen.
17Та й стережіть ся людей: бо вони видавати муть вас у судові зборища, й в школах своїх бити вас будуть;
18Terwille van Mij zult gij voor landvoogden en koningen worden gesleept, om getuigenis af te leggen bij hen en bij de heidenen.
18і водити муть вас перед старших та перед царів за мене, на сьвідкуваннє їм і поганам.
19Maar als ze u overleveren, weest dan niet bezorgd, hoe of wat gij zult spreken; want in dat uur zal u worden ingegeven, wat gij moet zeggen.
19Як же видавати муть вас, не дбайте про те, як і що вам казати; бо дасть ся вам того часу, що вам казати.
20Immers niet gij zijt het, die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader, die door u spreekt.
20Не ви бо промовляти мете, а дух Отця вашого промовляти ме в вас.
21De broer zal zijn broer ter dood overleveren, de vader zijn zoon; en de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders, en ze doden.
21Видавати ж ме брат брата на смерть, і батько дитину, і вставати муть дїти на родителїв, і вбивати муть їх.
22Om mijn Naam zult gij gehaat zijn bij allen; maar wie volhardt ten einde toe, zal zalig worden.
22І ненавидїти муть вас усї за ймя моє; хто ж видержить до кінця, той спасеть ся.
23Als men u vervolgt in de ene stad, vlucht dan naar een andere. Voorwaar, Ik zeg u: gij zult de steden van Israël nog niet hebben afgereisd, wanneer de Mensenzoon komt.
23Коли ж вас гонити муть у тому городї, втїкайте в инший: істинно бо глаголю вам: Не перейдете ще городів Ізраїлевих, доки Син чоловічий прийде.
24De leerling staat niet boven zijn meester, de dienaar niet boven zijn heer.
24Ученик не старший од учителя свого, анї слуга од пана свого.
25Voor den leerling is het genoeg, als het hem gaat als zijn meester; voor den dienaar, als het hem gaat als zijn heer. Indien men den heer des huizes Beélzebub heeft genoemd, hoeveel te meer dan zijn huisgenoten.
25Доволї з ученика, коли буде, як учитель його, а слуга, як пан його. Коли господаря дому названо Вельзевулом, то як більше домашнїх його?
26Vreest hen dus niet. Want niets is bedekt, dat niet ontdekt, niets verborgen, dat niet bekend zal worden.
26Тим же то не лякайтесь їх: нема бо нїчого закритого, що не відкриєть ся, анї захованого, що не виявить ся.
27Wat Ik u zeg in het duister, zegt dat op klaarlichte dag; en wat gij hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken.
27Що я кажу вам потемки, кажіть повидну; й що чуєте на ухо, проповідуйте на домах.
28Weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, doch de ziel niet kunnen doden; vreest liever Hem, die èn ziel èn lichaam in de hel kan verderven.
28І не лякайтесь тих, що вбивають тїло, душі ж не здолїють убити; а лякайтесь більше того, хто зможе погубити і душу й тїло в пеклї.
29Worden niet twee mussen voor een penning verkocht? En toch zal er niet één op de grond vallen zonder de wil van uw Vader.
29Хиба не два горобцї продають ся за шага? а нї один з них не впаде на землю без Отця вашого.
30En van u zijn alle hoofdharen geteld.
30У вас же і все волоссє на голові перелїчене.
31Vreest dus niet; gij zijt meer waard dan een zwerm mussen.
31Оце же не лякайтесь: ви дорожчі многих горобцїв.
32Wie Mij belijdt voor de mensen, zal ook Ik voor mijn Vader belijden, die in de hemelen is.
32От же всякий, хто мене визнавати ме перед людьми, того й я визнавати му перед Отцем моїм, що на небі.
33Maar wie Mij voor de mensen verloochent, hem zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is.
33А хто відречеть ся мене перед людьми, того й я відречусь перед Отцем моїм, що на небі.
34Denkt niet, dat Ik vrede ben komen brengen op aarde; geen vrede, maar het zwaard ben Ik komen brengen.
34Не думайте, що я прийшов послати впокій на землю; не прийшов я послати впокій, а меч.
35Want Ik ben verdeeldheid komen brengen tussen een man en zijn vader, tussen dochter en moeder, tussen schoondochter en schoonmoeder;
35Бо прийшов я, щоб поставити чоловіка різно проти батька його, й дочку проти матери її, й невістку проти свекрухи її.
36en ‘s mensen ergste vijanden zullen zijn huisgenoten zijn.
36І будуть ворогами чоловікові домашні його.
37Wie zijn vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mijner niet waardig; wie zijn zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mijner niet waardig.
37Хто любить батька або матїр більш мене, недостоєн мене; й хто любить сина або дочку більш мене, недостоєн мене.
38En wie zijn kruis niet opneemt en Mij niet volgt, is Mijner niet waardig.
38І хто не візьме хреста свого, й не пійде слїдом за мною, недостоєн мене.
39Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie terwille van Mij zijn leven verliest, zal het vinden.
39Хто б знайшов душу свою, погубить її; а хто б згубив душу свою задля мене, знайде її.
40Wie u opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op, die Mij gezonden heeft.
40Хто приймає вас, мене приймає; а хто приймає мене, приймає Того, хто послав мене.
41Wie een profeet opneemt, omdat hij profeet is, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige opneemt, omdat hij een rechtvaardige is, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen.
41Хто приймає пророка в імя пророка, одержить нагороду пророчу; й хто приймає праведника в імя праведника, одержить нагороду праведничу.
42En wie slechts een beker koud water te drinken geeft aan een dezer kleinen, omdat hij een leerling is, voorwaar, Ik zeg u: hem zal zijn loon niet ontgaan.
42І хто напоїть одного з сих малих тільки чашею холодної води, в імя ученика, істино глаголю вам: Не втерає нагороди своєї.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.