Matteus 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Toen werd Jesus door den Geest naar de woestijn geleid, om door den duivel te worden bekoord.
1Then Jesus was led by the spirit into the desert, to be tempted by the devil.
2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger.
2And when he had fasted forty days and forty nights, afterwards he was hungry.
3De bekoorder naderde Hem, en zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan, dat deze stenen brood moeten worden.
3And the tempter coming said to him: If thou be the Son of God, command that these stones be made bread.
4Maar Hij antwoordde: Niet van brood alleen leeft de mens, doch van ieder woord, dat komt uit de mond van God.
4Who answered and said: It is written, Not in bread alone doth man live, but in every word that proceedeth from the mouth of God.
5Toen voerde de duivel Hem naar de heilige stad, plaatste Hem op het dakterras van de tempel,
5Then the devil took him up into the holy city, and set him upon the pinnacle of the temple,
6en zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp U dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal Hij over u bevelen, en zij zullen u op de handen dragen, opdat ge aan geen steen uw voet zoudt stoten”.
6And said to him: If thou be the Son of God, cast thyself down, for it is written: That he hath given his angels charge over thee, and in their hands shall they bear thee up, lest perhaps thou dash thy foot against a stone.
7Jesus zeide hem: Er staat ook geschreven: “Gij zult den Heer uw God niet beproeven”.
7Jesus said to him: It is written again: Thou shalt not tempt the Lord thy God.
8Weer nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg, en toonde Hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid.
8Again the devil took him up into a very high mountain, and shewed him all the kingdoms of the world, and the glory of them,
9En hij zeide: Dit alles zal ik U geven, zo Gij neervalt en mij aanbidt.
9And said to him: All these will I give thee, if falling down thou wilt adore me.
10Toen sprak Jesus: Ga heen, satan; want er staat geschreven: “Gij zult den Heer uw God aanbidden, en Hem alleen dienen”.
10Then Jesus saith to him: Begone, Satan: for it is written, The Lord thy God shalt thou adore, and him only shalt thou serve.
11Toen verliet Hem de duivel, en zie, de engelen naderden, en dienden Hem.
11Then the devil left him; and behold angels came and ministered to him.
12Toen Jesus vernam, dat Johannes was gevangen genomen, vertrok Hij naar Galilea.
12And when Jesus had heard that John was delivered up, he retired into Galilee:
13En nadat Hij Názaret had verlaten. kwam Hij te Kafárnaum wonen bij het meer, in het gebied van Zábulon en Néftali;
13And leaving the city Nazareth, he came and dwelt in Capharnaum on the sea coast, in the borders of Zabulon and Nephthalim;
14opdat vervuld zou worden, wat door den profeet Isaias voorzegd was:
14That it might be fulfilled which was said by Isaias the prophet:
15Het land van Zábulon En het land van Néftali, De weg naar zee, de overzijde van de Jordaan. Het Galilea der heidenen;
15Land of Zabulon and land of Nephthalim, the way of the sea beyond the Jordan, Galilee of the Gentiles:
16Het volk, dat in duisternis zat, Heeft een groot licht aanschouwd. En over hen, die in het oord En in de schaduw des doods waren gezeten, Is een licht opgegaan.
16The people that sat in darkness, hath seen great light: and to them that sat in the region of the shadow of death, light is sprung up.
17Van toen af begon Jesus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het rijk der hemelen is nabij.
17From that time Jesus began to preach, and to say: Do penance, for the kingdom of heaven is at hand.
18Terwijl Jesus langs het meer van Galilea wandelde, zag Hij twee broers het net uitwerpen in het meer: Simon, die Petrus wordt genoemd, en Andreas zijn broer; want ze waren vissers.
18And Jesus walking by the sea of Galilee, saw two brethren, Simon who is called Peter, and Andrew his brother, casting a net into the sea (for they were fishers).
19Hij zeide hun: Volgt Mij, en Ik zal mensenvissers van u maken.
19And he saith to them: Come ye after me, and I will make you to be fishers of men.
20Aanstonds verlieten ze hun netten, en volgden Hem.
20And they immediately leaving their nets, followed him.
21En toen Hij vandaar verder ging, zag Hij twee andere broers, Jakobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broer, die met hun vader Zebedeüs in de boot bezig waren, hun netten te herstellen; Hij riep ook hen.
21And going on from thence, he saw other two brethren, James the son of Zebedee, and John his brother, in a ship with Zebedee their father, mending their nets: and he called them.
22Onmiddellijk verlieten ze de boot en hun vader, en volgden Hem.
22And they forthwith left their nets and father, and followed him.
23Nu trok Jesus heel Galilea door, leerde in hun synagogen, en preekte het Evangelie van het rijk; Hij genas iedere kwaal en iedere ziekte onder het volk.
23And Jesus went about all Galilee, teaching in their synagogues, and preaching the gospel of the kingdom: and healing all manner of sickness and every infirmity, among the people.
24Zijn faam verspreidde zich door heel Syrië; en men bracht Hem allerlei kranken, die met verschillende ziekten en kwalen waren bezocht, ook bezetenen, lijders aan vallende ziekte en lammen; en Hij genas ze allen.
24And his fame went throughout all Syria, and they presented to him all sick people that were taken with divers diseases and torments, and such as were possessed by devils, and lunatics, and those that had palsy, and he cured them:
25En talrijke scharen uit Galilea en de Dekápolis, uit Jerusalem, Judea en het Overjordaanse volgden Hem.
25And much people followed him from Galilee, and from Decapolis, and from Jerusalem, and from Judea, and from beyond the Jordan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.