Psalmaro 119
Londona Biblio (Esperanto, 1910)Translation
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Bone estas al tiuj, kies vojo estas senmakula, Kiuj iras laŭ la leĝo de la Eternulo.
1Gelukkig, die onberispelijk zijn in hun wandel, En leven volgens Jahweh’s wet;
2Bone estas al tiuj, kiuj plenumas Liajn decidojn, Kiuj serĉas Lin per la tuta koro;
2Gelukkig, die op zijn vermaningen letten, Hem zoeken met geheel hun hart;
3Ili ne faras malbonagon, Ili iras laŭ Liaj vojoj.
3Zij ook, die geen ongerechtigheid plegen, Maar blijven leven naar zijn woord.
4Vi ordonis al ni, Forte observi Viajn leĝojn.
4Gij zelf hebt uw bevelen gegeven, Opdat men ze trouw zou volbrengen;
5Ho, estu fortikaj miaj vojoj, Ke mi observu Viajn leĝojn!
5Ach, mocht mijn gedrag zo onwankelbaar zijn, Dat ik uw inzettingen trouw onderhield.
6Tiam mi ne bezonos honti, Kiam mi atentos ĉiujn Viajn ordonojn.
6Dan zal ik nooit beschaamd komen staan, Als ik het oog richt op al uw geboden;
7Mi gloros Vin el pura koro, Lernante la juĝojn de Via justeco. ב BET.
7Maar in oprechtheid des harten zal ik U danken, Als ik uw rechtvaardige voorschriften leer.
8Viajn leĝojn mi observos; Ne forlasu min tute.
8Ik houd mij vast aan uw bestel: Verlaat mij dan niet voor altoos!
9Per kio junulo povas purigi sian vojon? Per plenumado laŭ Viaj vortoj.
9Hoe kan een jongeman zijn reinheid bewaren? Door zich te houden aan uw woord!
10Per mia tuta koro mi Vin serĉas; Ne lasu min deflankiĝi de Viaj ordonoj.
10Ik heb U met heel mijn hart gezocht, Laat mij nooit uw geboden verlaten;
11En mia koro mi konservas Vian diron, Por ke mi ne peku antaŭ Vi.
11Ik bewaar uw bestel in mijn hart, Om nooit te zondigen tegen U.
12Benata Vi estas, ho Eternulo; Instruu al mi Viajn leĝojn.
12Geprezen zijt Gij, o Jahweh, Leer mij uw inzettingen kennen;
13Per miaj lipoj mi rakontas Ĉiujn decidojn de Via buŝo.
13Dan zal ik met mijn lippen verbreiden Al de voorschriften van uw mond.
14Pri la vojo de Viaj leĝoj mi ĝojas, Kiel pri granda riĉeco.
14Ik verheug mij over de weg, die uw vermaning mij wees, Meer dan over alle schatten;
15Pri Viaj ordonoj mi meditas, Kaj mi rigardas Viajn vojojn. ג GIMEL.
15Uw bevelen wil ik overwegen, En op uw paden blijven letten;
16Mi havas plezuron de Viaj leĝoj, Mi ne forgesas Vian vorton.
16Ik wil mij aan uw wet verkwikken, En nimmermeer uw woord vergeten!
17Bonfaru al Via sklavo, Ke mi vivu kaj plenumu Vian vorton.
17Laat uw dienstknecht leven, En ik zal uw woord onderhouden;
18Malfermu miajn okulojn, Ke mi vidu miraklojn de Via instruo.
18Neem de sluier van mijn ogen, Opdat ik de wonderen van uw wet aanschouwe.
19Migranto mi estas sur la tero; Ne kaŝu antaŭ mi Viajn ordonojn.
19Al ben ik maar een zwerver op aarde, Verberg mij uw bevelen niet;
20Elturmentiĝis mia animo De senĉesa sintirado al Viaj juĝoj.
20Want mijn ziel wordt verteerd van verlangen Naar uw voorschriften, altijd door.
21Vi humiligas la malbenitajn fierulojn, Kiuj dekliniĝas de Viaj ordonoj.
21Gij bedreigt de hoogmoedigen, Vervloekt, die uw geboden verlaat;
22Forigu de mi honton kaj malhonoron, Ĉar mi observas Viajn decidojn.
22Wend dan smaad en hoon van mij af, Want uw vermaningen neem ik ter harte.
23Eĉ kiam sidas eminentuloj kaj parolas kontraŭ mi, Via sklavo meditas pri Viaj leĝoj. ד DALET.
23Al spannen ook vorsten tegen mij samen, Uw dienstknecht peinst over uw inzettingen na;
24Viaj decidoj estas mia plezuro, Miaj konsilantoj.
24Ja, uw bestel is mij een lust, En mijn berader.
25Mia animo algluiĝis al la polvo; Vivigu min laŭ Via vorto.
25Reeds ligt mijn ziel aan het stof gekluisterd: Wek mij ten leven naar uw woord.
26Mi raportis pri miaj vojoj, kaj Vi aŭskultis min; Instruu al mi Viajn leĝojn.
26Mijn leven heb ik U open gelegd: Gij hebt mij gehoord, Leer mij thans uw inzettingen kennen;
27Komprenigu al mi la vojon de Viaj ordonoj; Kaj mi meditos pri Viaj mirakloj.
27Onderricht mij, hoe ik naar uw bevelen moet leven, En ik zal uw wonderen vermelden.
28Konsumiĝis mia animo pro malĝojo; Restarigu min laŭ Via vorto.
28Mijn ziel kwijnt weg van ellende: Richt mij naar uw bestel weer op.
29La vojon de malvero deturnu de mi, Kaj donacu al mi Vian instruon.
29Houd de weg der leugen ver van mij af, En schenk mij genadig uw wet;
30La vojon de la vero mi elektis, Mi sopiris al Viaj leĝoj.
30Ik heb de weg der waarheid gekozen, Uw voorschriften mij voor ogen gesteld.
31Mi alkroĉiĝis al Viaj ordonoj; Ho Eternulo, ne hontigu min. ה HE.
31Ik klamp mij aan uw vermaningen vast, Maak mij niet te schande, o Jahweh;
32Mi kuras laŭ la vojo de Viaj leĝoj, Ĉar Vi larĝigas mian koron.
32De weg uwer geboden zal ik bewandelen, Als Gij mijn hart maar verblijdt.
33Montru al mi, ho Eternulo, la vojon de Viaj leĝoj, Kaj mi ĝin sekvos ĝis la fino.
33Leer mij, Jahweh, naar uw inzettingen leven, Opdat ik ze ten einde toe onderhoud;
34Komprenigu al mi, kaj mi sekvos Vian instruon, Kaj mi konservos ĝin per la tuta koro.
34Geef mij inzicht om uw wet te volbrengen, En met heel mijn hart te beleven;
35Irigu min sur la vojeto de Viaj ordonoj, Ĉar en ĝi mi havas plezuron.
35Laat mij het pad uwer geboden betreden, Want dat is mijn vreugd.
36Klinu mian koron al Viaj leĝoj, Sed ne al profito.
36Neig mijn hart naar uw vermaningen, En niet naar gewin;
37Deturnu miajn okulojn, ke ili ne rigardu falsaĵon; Vivigu min per Viaj vojoj.
37Wend mijn ogen van de ijdelheid af, En laat mij leven naar uw woord.
38Plenumu al Via sklavo Vian diron, Kiu koncernas respekton por Vi.
38Doe uw bestel aan uw dienstknecht gestand, Dat Gij beschikt hebt voor hen, die U vrezen;
39Forigu mian malhonoron, kiun mi timas; Ĉar Viaj juĝoj estas bonaj. ו VAV.
39Wentel de smaad, die ik ducht, van mij weg, Want uw voorschriften blijven voortreffelijk.
40Jen mi deziregas Viajn ordonojn; Per Via justeco vivigu min.
40Zie, ik hunker naar uw bevelen, Laat mij door uw gerechtigheid leven!
41Kaj venu al mi Viaj favoroj, ho Eternulo, Via helpo, konforme al Via vorto,
41Moge uw genade mijn deel zijn, o Jahweh, En uw heil naar uw bestel;
42Ke mi povu doni respondon al mia insultanto; Ĉar mi fidas Vian vorton.
42Dan zal ik mijn lasteraars te woord kunnen staan, Want ik vertrouw op uw woord;
43Ne forprenu tute de mia buŝo la vorton de vero, Ĉar mi esperas al Viaj juĝoj.
43Neem het woord der waarheid niet geheel uit mijn mond, Want ik wacht uw voorschriften af.
44Kaj mi konservos Vian instruon Ĉiam kaj eterne.
44Uw wet wil ik steeds onderhouden, Voor eeuwig en immer;
45Kaj mi iros en libereco, Ĉar mi serĉas Viajn ordonojn.
45Dan zal ik ongestoord kunnen leven, Omdat ik naar uw bevelen vraag.
46Kaj mi parolos pri Viaj leĝoj antaŭ reĝoj, Kaj mi ne hontos.
46Zelfs koningen zal ik van uw vermaningen spreken, En mij er nooit over schamen;
47Kaj mi havos plezuron de Viaj ordonoj, Kiujn mi amas. ז ZAIN.
47Ik zal mij aan uw geboden verkwikken, Die ik van harte bemin;
48Kaj mi etendos miajn manojn al Viaj ordonoj, kiujn mi amas, Kaj mi meditos pri Viaj leĝoj.
48Tot U zal ik mijn handen verheffen, En uw inzettingen overwegen.
49Rememoru la vorton al Via sklavo, Pri kio Vi min esperigis.
49Gedenk het woord, tot uw dienstknecht gesproken, En waarop Gij mijn hoop hebt gesteld;
50Ĉi tio estas mia konsolo en mia mizero, Ke Via vorto min revivigas.
50Dit is mijn troost in mijn ellende, Dat uw bestel mij het leven behoudt.
51Fieruloj tre forte min mokas, Sed de Via instruo mi ne dekliniĝis.
51Al bespotten de bozen mij nog zo vijandig, Toch wijk ik niet af van uw wet;
52Mi rememoras Viajn juĝojn de tempoj tre antikvaj, ho Eternulo, Kaj mi konsoliĝas.
52Ik blijf uw aloude voorschriften indachtig, En voel mij er door getroost, o Jahweh;
53Flama furiozo min kaptas pro la malvirtuloj, Kiuj forlasas Vian leĝon.
53Maar gramschap maakt zich van mij meester, Om de zondaars, die uw geboden verlaten.
54Viaj leĝoj estas por mi kantoj En la domo de mia migrado.
54Uw inzettingen ruisen als zangen mij tegen In het huis van mijn ballingschap;
55Mi rememoras en la nokto Vian nomon, ho Eternulo, Kaj mi plenumas Vian instruon. ח ĤET.
55Des nachts, o Jahweh, gedenk ik uw Naam, En volg uw vermaningen op;
56Tio fariĝis al mi, Ĉar mi observas Viajn ordonojn.
56Want dit is mijn plicht: Dat ik uw bevelen volbreng.
57Mi diris: Mia sortaĵo estas, ho Eternulo, Plenumi Viajn vortojn.
57Gij zijt mijn erfdeel, o Jahweh: Ik heb beloofd, uw woord te volbrengen;
58Mi petegas antaŭ Vi per la tuta koro: Korfavoru min, konforme al Via vorto.
58Van ganser harte zoek ik uw aanschijn, Wees mij genadig naar uw bestel.
59Mi esploris miajn vojojn Kaj direktis miajn paŝojn al Viaj leĝoj.
59Ik overleg bij mijzelf, welke weg ik moet gaan, En naar uw vermaningen richt ik mijn schreden;
60Mi rapidas kaj ne prokrastas, Por plenumi Viajn ordonojn.
60Ik haast mij, zonder ooit te talmen, Om uw geboden te onderhouden;
61Retoj de malvirtuloj min ĉirkaŭis; Sed Vian instruon mi ne forgesis.
61En al houden mij de strikken der bozen gevangen, Nooit vergeet ik uw wet;
62En la mezo de la nokto mi leviĝas, Por glori Vin por Viaj justaj juĝoj.
62Midden in de nacht sta ik op, Om U voor uw rechtvaardige voorschriften te danken.
63Mi estas kamarado por ĉiuj, Kiuj Vin timas kaj kiuj observas Viajn ordonojn. ט TET.
63Ik ben de vriend van al, die U vreest, En die uw bevelen volbrengt;
64De Via boneco, ho Eternulo, la tero estas plena; Instruu al mi Viajn leĝojn.
64De aarde is vol van uw goedheid, o Jahweh, Leer mij maar uw inzettingen kennen.
65Bonon Vi faris al Via sklavo, ho Eternulo, Konforme al Via vorto.
65Gij hebt uw dienstknecht wèl gedaan, O Jahweh, naar uw woord;
66Bonajn morojn kaj scion instruu al mi, Ĉar al Viaj ordonoj mi kredas.
66Schenk mij een helder oordeel en inzicht, Want ik heb vertrouwen in uw geboden.
67Antaŭ ol mi suferis, mi erarvagis, Sed nun mi observas Vian vorton.
67Eer ik vernederd werd, dwaalde ik af, Maar nu houd ik mij aan uw bestel;
68Vi estas bona kaj bonfara; Instruu al mi Viajn leĝojn.
68Gij zijt goed en doet wèl: Leer mij dan uw inzettingen kennen.
69Fieruloj plektis mensogon pri mi; Sed mi per la tuta koro konservas Viajn ordonojn.
69Onbeschaamden belasteren mij, Want van ganser harte neem ik uw bevelen in acht;
70Grasiĝis kiel sebo ilia koro; Sed mi havas plezuron de Via instruo.
70Lomp als vet is hun hart, Maar ìk vind mijn vreugd in uw wet;
71Bone estas al mi, ke mi suferis, Por ke mi lernu Viajn leĝojn. י JOD.
71En het was mij goed, te worden vernederd, Om uw vermaningen te leren verstaan;
72Pli bona estas por mi la instruo de Via buŝo, Ol miloj da oreroj kaj arĝenteroj.
72Want de voorschriften van uw mond schat ik hoger, Dan duizenden in goud en zilver!
73Viaj manoj min kreis kaj fortikigis; Prudentigu min, kaj mi lernu Viajn ordonojn.
73Uw handen hebben mij gemaakt en gevormd, Geef mij ook inzicht, om uw geboden te kennen;
74Viaj timantoj min vidos kaj ĝojos, Ĉar mi fidis Vian vorton.
74Dan zien, die U vrezen, met vreugd op mij neer, Omdat ik vertrouw op uw woord.
75Mi scias, ho Eternulo, ke Viaj juĝoj estas justaj, Kaj ke Vi juste min suferigis.
75Ik weet, dat uw oordeel rechtvaardig is, Jahweh, En dat Gij mij naar verdienste kastijdt;
76Via boneco estu do mia konsolo, Konforme al Via vorto al Via sklavo.
76Maar uw genade zij mij tot troost, Naar uw bestel voor uw knecht;
77Venu sur min Via favorkoreco, ke mi vivu; Ĉar Via instruo estas mia plezuro.
77Uw ontferming dale op mij neer, en doe mij herleven, Want uw wet is mij een verkwikking.
78Hontiĝu la fieruloj, ĉar maljuste ili min premis; Mi meditos pri Viaj ordonoj.
78Schande voor de trotsen, die onverdiend mij verdrukken, Daar ik uw bevelen bedenk;
79Turniĝu al mi Viaj timantoj Kaj la konantoj de Viaj leĝoj. כ KAF.
79Maar mijn vrienden mogen zijn, die U vrezen, En die uw vermaningen kennen;
80Mia koro estu ĝusta, laŭ Viaj leĝoj, Por ke mi ne hontiĝu.
80Door uw inzettingen worde mijn hart zonder smet, Zodat ik niet beschaamd hoef te staan.
81Mia animo avidas Vian savon; Vian vorton mi fidas.
81Mijn ziel smacht naar uw heil, Ik vertrouw op uw woord;
82Miaj okuloj avidas Vian vorton, dirante: Kiam Vi min konsolos?
82Mijn ogen hunkeren naar uw bestel, En vragen: Wanneer brengt Gij mij troost?
83Ĉar mi fariĝis kiel felsako en fumo; Sed Viajn leĝojn mi ne forgesas.
83Al ben ik als een leren zak in de rook, Toch vergeet ik uw inzettingen niet.
84Kiom estos la tagoj de Via sklavo? Kiam Vi faros juĝon super miaj persekutantoj?
84Ach, hoelang zal uw dienstknecht nog leven, En wanneer voltrekt Gij aan mijn vervolgers uw oordeel?
85Fosojn fosis al mi la fieruloj, Kontraŭe al Viaj leĝoj.
85Onbeschaamden hebben mij kuilen gegraven, Want ze leven niet naar uw wet.
86Ĉiuj Viaj ordonoj estas vero; Maljuste oni min persekutas; helpu min.
86Al uw geboden zijn waarachtig, Maar men vervolgt mij met leugens: Ach kom mij te hulp;
87Oni preskaŭ pereigis min de sur la tero, Sed mi ne forlasis Viajn ordonojn. ל LAMED.
87Men had mij haast van de aarde verdelgd, Toch had ik mij niet aan uw bevelen onttrokken;
88Laŭ Via boneco vivigu min, Kaj mi observos la ordonojn de Via buŝo.
88Behoud mij in het leven naar uw genade, En de vermaningen van uw mond volg ik op!
89Por eterne, ho Eternulo, Via vorto staras forte en la ĉielo.
89Uw woord blijft eeuwig, o Jahweh, Het staat vast als de hemel;
90Por ĉiuj generacioj restas Via vero; Vi fortikigis la teron, kaj ĝi staras.
90Uw bestel houdt stand van geslacht tot geslacht, Staat vast als de aarde, die Gij hebt gegrond;
91Laŭ Viaj leĝoj ĉio nun staras, Ĉar ĉio estas Viaj sklavoj.
91En naar uw voorschriften blijven ze ook nu nog bestaan, Want het heelal is uw dienstknecht!
92Se Via instruo ne estus mia konsolo, Mi pereus en mia mizero.
92Wanneer uw wet mij niet had verkwikt, Dan was ik in mijn ellende te gronde gegaan;
93Neniam mi forgesos Viajn ordonojn, Ĉar per ili Vi min vivigas.
93Nimmer zal ik dan uw bevelen vergeten, Want juist daardoor doet Gij mij leven.
94Al Vi mi apartenas; Helpu min, ĉar mi serĉas Viajn ordonojn.
94Ik ben de uwe: Ach, kom mij te hulp, Want ijverig spoor ik uw voorschriften na;
95Pri mi embuskis malvirtuloj, por min pereigi; Sed mi studas Viajn leĝojn. מ MEM.
95De bozen loeren, om mij te verdelgen, Maar ik blijf uw vermaningen achten.
96Ĉe ĉiu afero mi vidis finon; Sed Via ordono estas tre vasta.
96Aan alles zie ik een eind, al is het nog zo volmaakt, Maar uw gebod is onbegrensd!
97Kiel mi amas Vian instruon! La tutan tagon mi meditas pri ĝi.
97Hoe lief toch heb ik uw wet, Ik overweeg ze de hele dag door!
98Via ordono faras min pli saĝa ol miaj malamikoj, Ĉar ĝi restas al mi por ĉiam.
98Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden zijn, Want het vergezelt mij voor eeuwig;
99Mi fariĝis pli saĝa, ol ĉiuj miaj instruantoj, Ĉar Viaj leĝoj estas mia tuta meditado.
99Ik heb meer verstand dan al mijn meesters, Want ik denk over uw vermaningen na;
100Mi estas pli scianta ol maljunuloj, Ĉar Viajn ordonojn mi konservas.
100En ik heb helderder inzicht dan de oudsten, Want ik neem uw bevelen in acht.
101De ĉiu malbona vojo mi detenas mian piedon, Por plenumi Vian vorton.
101Van alle slechte paden houd ik mijn voeten, Om uw woord te volbrengen;
102De Viaj decidoj mi ne dekliniĝas, Ĉar Vi min gvidas.
102En van uw voorschriften wijk ik niet af, Want Gij hebt ze mij zelf onderwezen.
103Kiel dolĉa estas por mia palato Via vorto! Pli ol mielo por mia buŝo! נ NUN.
103Hoe zoet voor mijn gehemelte is uw bestel, Meer dan honing voor mijn mond;
104De Viaj ordonoj mi prudentiĝas; Tial mi malamas ĉiun vojon de malvero.
104Door uw inzettingen ben ik verstandig geworden, En haat dus ieder leugenpad.
105Via vorto estas lumilo por miaj piedoj, Kaj lumo por mia vojo.
105Uw woord is een lamp voor mijn voeten, En een licht op mijn pad;
106Mi ĵuris, kaj mi plenumos: Observi Viajn justajn decidojn.
106Ik heb gezworen, en zal het gestand doen, Uw rechtvaardige voorschriften te onderhouden.
107Mi estas tre senfortigita, ho Eternulo; Vivigu min, konforme al Via vorto.
107Ach, Jahweh, ik ga zo diep gebukt, Wek mij ten leven naar uw bestel;
108La oferdono de mia buŝo plaĉu al Vi, ho Eternulo, Kaj pri Viaj decidoj instruu min.
108Wil de offeranden van mijn mond aanvaarden, o Jahweh, En onderricht mij in uw geboden.
109Mia animo estas ĉiam en mia mano, Sed Vian instruon mi ne forgesas.
109Al zweeft mijn leven in voortdurend gevaar, Toch vergeet ik nimmer uw wet;
110La malvirtuloj metis reton por mi; Sed de Viaj ordonoj mi ne dekliniĝis.
110En al leggen de bozen mij strikken, Van al uw bevelen wijk ik niet af.
111Mi heredigis al mi Viajn ordonojn por ĉiam, Ĉar ili estas la ĝojo de mia koro. ס SAMEĤ.
111Uw vermaningen blijven mijn erfdeel voor eeuwig, Want ze zijn de vreugd van mijn hart;
112Mi klinis mian koron, Por plenumi Viajn leĝojn eterne ĝis la fino.
112En ik heb er mijn hart op gezet, Naar uw inzettingen te leven voor eeuwig en immer!
113Skeptikulojn mi malamas, Sed Vian instruon mi amas.
113Ik haat halfslachtige wezens, Maar uw wet heb ik lief;
114Vi estas mia ŝirmo kaj ŝildo; Vian vorton mi fidas.
114Gij zijt mijn schuts en mijn schild, Ik vertrouw op uw woord;
115Foriĝu de mi, malbonagantoj; Mi observos la ordonojn de mia Dio.
115Weg van mij, zondaars, Laat mij de geboden van mijn God onderhouden!
116Subtenu min laŭ Via diro, ke mi vivu; Kaj ne hontigu min pri mia espero.
116Sterk mij naar uw bestel, opdat ik blijf leven, En laat mijn hoop niet worden beschaamd;
117Fortikigu min, ke mi saviĝu, Kaj mi ĉiam havos plezuron de Viaj leĝoj.
117Stut mij, opdat ik worde gered, En mij altijd aan uw bevelen verkwikke.
118Vi forpuŝas ĉiujn, kiuj dekliniĝas de Viaj leĝoj, Ĉar ilia falsaĵo estas mensoga.
118Wie uw inzettingen verlaten, zijn U een gruwel, Want ze bedenken enkel leugens;
119Kiel skorion Vi forĵetas ĉiujn malvirtulojn sur la tero; Tial mi amas Viajn decidojn. ע AIN.
119En als afval veracht Gij alle bozen op aarde, Daarom heb ik uw vermaningen lief.
120De Via teruro tremas mia karno, Kaj Viajn juĝojn mi timas.
120Mijn lichaam beeft voor U van schrik, En ik ben bevreesd voor uw oordeel!
121Mi faris juĝon kaj justecon; Ne transdonu min al miaj premantoj.
121Een rechtvaardig oordeel hebt Gij geveld, Lever mij niet over aan mijn verdrukkers;
122Garantie liberigu Vian sklavon por bono, Por ke fieruloj min ne premu.
122Uw woord blijve borg voor uw dienaar, Laat geen onbeschaamde mij kwellen.
123Miaj okuloj sopiras Vian helpon Kaj Vian justan vorton.
123Mijn ogen smachten naar uw heil, En naar uw rechtvaardig bestel;
124Agu kun Via sklavo laŭ Via boneco, Kaj Viajn leĝojn instruu al mi.
124Handel met uw dienstknecht naar uw genade, En leer mij uw inzettingen kennen;
125Mi estas Via sklavo; Klerigu min, ke mi sciu Viajn decidojn.
125Ik ben uw dienstknecht: ach, geef mij verstand, Opdat ik uw vermaningen moge begrijpen.
126Estas tempo, ke la Eternulo agu: Ili rompis Vian leĝon.
126Het is tijd om te handelen, Jahweh: Men verkracht uw wet;
127Tial mi amas Viajn ordonojn Pli ol oron, eĉ ol puran oron. פ PE.
127Daarom heb ik uw geboden lief, Boven goud en edel metaal;
128Tial mi estimas ĉiujn Viajn ordonojn, Ĉiun vojon de malvero mi malamas.
128Daarom richt ik mij naar al uw bevelen, En haat ik ieder leugenpad.
129Mirindaj estas Viaj decidoj; Tial mia animo ilin konservas.
129Uw vermaningen zijn wondervol, Mijn ziel neemt ze daarom in acht;
130Malkaŝo de Via vorto klerigas, Ĝi prudentigas simplanimulojn.
130De openbaring van uw woord straalt licht van zich uit, En geeft wijsheid aan de eenvoudigen;
131Mi malfermas mian buŝon kaj enspiras, Ĉar mi deziregas Viajn ordonojn.
131En smachtend open ik mijn mond, Want ik hunker naar uw geboden.
132Turnu Vin al mi kaj korfavoru min, Kiel Vi agas kun la amantoj de Via nomo.
132Keer U tot mij, en wees mij genadig, Naar uw beschikking voor hen, die uw Naam beminnen;
133Direktu miajn paŝojn laŭ Via promeso; Kaj nenia malhonesteco ekregu super mi.
133Richt mijn schreden naar uw bestel, En laat geen onheil mij treffen.
134Liberigu min de homa premado; Kaj mi observos Viajn ordonojn.
134Bevrijd mij van de verdrukking der mensen, Opdat ik trouw uw bevelen volbrenge;
135Lumu per Via vizaĝo sur Vian sklavon, Kaj instruu al mi Viajn leĝojn. צ CADI.
135Laat uw aangezicht stralen over uw dienstknecht, En leer mij uw inzettingen kennen.
136Torentojn da akvo elverŝas miaj okuloj, Pro tio, ke oni ne plenumas Vian instruon.
136Stromen van tranen ontwellen mijn ogen, Omdat men uw wet niet beleeft.
137Justulo Vi estas, ho Eternulo, Kaj justaj estas Viaj juĝoj.
137Rechtvaardig zijt Gij, o Jahweh, En ook uw voorschriften zijn volgens recht;
138Vi aperigis Viajn decidojn Kun justeco kaj plena vero.
138In gerechtigheid hebt Gij uw vermaningen gegeven, En in volledige trouw.
139Elturmentis min mia fervoro, Ĉar miaj malamikoj forgesis Viajn vortojn.
139Ik word door ergernis verteerd, Omdat mijn vijanden uw woord vergeten;
140Tre pura estas Via vorto, Kaj Via sklavo ĝin amas.
140Maar uw bestel is beproefd als in vuur, En uw dienstknecht heeft het lief;
141Mi estas malgranda kaj malestimata; Sed Viajn ordonojn mi ne forgesas.
141En al ben ik maar klein en gering, Nooit wil ik uw bevelen vergeten.
142Via justeco estas justeco eterna, Kaj Via instruo estas vero.
142Ongerept blijft uw gerechtigheid voor eeuwig en immer, En waarachtig uw wet;
143Sufero kaj mizero min trafis; Sed Viaj ordonoj estas mia plezuro. ק KOF.
143Al treffen mij nood en ellende, Uw geboden zijn mijn verkwikking.
144La justeco de Viaj decidoj estas eterna; Klerigu min, por ke mi vivu.
144Uw inzettingen zijn rechtvaardig voor eeuwig; Onderricht mij er in, opdat ik blijf leven!
145Mi vokas el la tuta koro; aŭskultu min, ho Eternulo; Mi plenumos Viajn leĝojn.
145Ik roep met heel mijn hart: Jahweh verhoor mij! Uw inzettingen wil ik trouw onderhouden;
146Mi vokas al Vi; savu min, Kaj mi konservos Viajn decidojn.
146Ik roep U aan: ach, kom mij te hulp, Om uw vermaningen te beleven.
147Antaŭ la matenruĝo mi vokas; Vian vorton mi fidas.
147Ik ben met mijn smeken de dageraad vóór, Want ik smacht naar uw woord;
148Antaŭ la noktaj gardopartoj miaj okuloj vekiĝas, Por ke mi meditu pri Via vorto.
148En mijn ogen voorkomen de nachtwake, Om op te zien naar uw bestel.
149Mian voĉon aŭskultu, laŭ Via boneco, ho Eternulo; Laŭ Via justeco lasu min vivi.
149Hoor in uw goedheid mijn smeken, o Jahweh, En wek mij naar uw beschikking ten leven;
150Alproksimiĝas malicaj persekutantoj; Malproksimaj ili estas de Via leĝo.
150Mijn listige vervolgers zijn al nabij, Maar ze houden zich ver van uw wet;
151Proksima Vi estas, ho Eternulo; Kaj ĉiuj Viaj ordonoj estas vero. ר REŜ.
151Maar Gij ook, Jahweh, zijt nabij, En waarachtig zijn al uw geboden;
152De longe mi scias pri Viaj decidoj, Ke Vi fiksis ilin por ĉiam.
152Van oudsher ken ik uw bevelen, Want Gij hebt ze gegeven voor eeuwig!
153Rigardu mian mizeron, kaj liberigu min, Ĉar Vian instruon mi ne forgesis.
153Aanschouw mijn ellende, en kom mij te hulp, Want nooit vergeet ik uw wet;
154Defendu mian aferon, kaj liberigu min; Laŭ Via vorto lasu min vivi.
154Wees mijn verdediger en mijn beschermer, En doe mij leven naar uw bestel.
155Malproksima de malvirtuloj estas savo, Ĉar ili ne ŝatas Viajn leĝojn.
155Het heil blijft ver van de bozen verwijderd, Want ze zoeken uw inzettingen niet;
156Via favorkoreco estas granda, ho Eternulo; Laŭ Via justeco lasu min vivi.
156Maar uw barmhartigheid, Jahweh, is groot, Wek mij ten leven naar uw woord.
157Multaj estas miaj persekutantoj kaj premantoj, Sed de Viaj decidoj mi ne dekliniĝis.
157Al zijn mijn vervolgers en vijanden talrijk, Van uw vermaningen wijk ik niet af;
158Mi vidis perfidulojn, kaj mi ilin abomenis, Ĉar Vian vorton ili ne observis.
158Het walgt mij, als ik trouwelozen aanschouw, Die uw geboden niet willen volbrengen.
159Rigardu, mi amas Viajn ordonojn; Ho Eternulo, laŭ Via boneco lasu min vivi. ש ŜIN.
159Zie, hoe ik uw bevelen liefheb, o Jahweh, Laat mij dan leven naar uw genade;
160La esenco de Via vorto estas vero, Kaj eterna estas ĉiu juĝo de Via justeco.
160Uw woord is een en al waarheid, En eeuwig houden al uw rechtvaardige voorschriften stand.
161Princoj persekutas min senkaŭze; Sed Vian vorton timas mia koro.
161Vorsten vervolgen mij zonder enige grond, Maar mijn hart is enkel beducht voor uw woord.
162Mi ĝojas pri Via vorto, Kiel ricevinto de granda akiro.
162Ik verheug mij over uw bestel, Als iemand, die rijke buit heeft gemaakt;
163Malveron mi malamas kaj abomenas; Vian instruon mi amas.
163Leugen en haat verfoei ik, Maar uw inzettingen heb ik lief.
164Sepfoje ĉiutage mi Vin gloras Por Viaj justaj juĝoj.
164Zeven maal daags zing ik uw lof, Om uw rechtvaardige voorschriften;
165Grandan pacon havas la amantoj de Via instruo; Kaj ili ne falpuŝiĝas.
165Die uw wet beminnen, genieten een heerlijke vrede, En struikelen nooit.
166Mi atendas Vian savon, ho Eternulo, Viajn ordonojn mi plenumas.
166Jahweh, ik smacht naar uw heil, En onderhoud uw geboden;
167Mia animo observas Viajn decidojn, Kaj mi ilin forte amas. ת TAV.
167Ik volg uw vermaningen op, En bemin ze van harte;
168Mi observas Viajn ordonojn kaj decidojn, Ĉar ĉiuj miaj vojoj estas antaŭ Vi.
168Ik volbreng uw bevelen, Ja, heel mijn leven ligt voor U bloot!
169Mia krio venu al Vi, ho Eternulo; Laŭ Via vorto klerigu min.
169Jahweh, mijn smeken dringe tot U door, Geef mij inzicht naar uw woord;
170Mia petego venu al Vi; Laŭ Via diro savu min.
170Moge mijn gebed voor uw aangezicht komen, Breng mij redding naar uw bestel.
171Miaj lipoj eldiru gloradon, Ĉar Vi instruas al mi Viajn leĝojn.
171Dan zal een lofzang mijn lippen ontstromen, Omdat Gij uw inzettingen mij hebt geleerd;
172Mia lango predikos pri Via vorto, Ĉar ĉiuj Viaj ordonoj estas justaj.
172En mijn tong zal uw waarachtigheid loven, Want al uw vermaningen zijn gerecht.
173Via mano estu al mi helpo, Ĉar Viajn ordonojn mi elektis.
173Uw hand zij bereid, mij te helpen, Want uw bevelen heb ik verkoren;
174Mi deziregas Vian savon, ho Eternulo, Kaj Via instruo estas mia plezuro.
174Jahweh, ik smacht naar uw heil, En uw wet is mij een verkwikking.
175Mia animo vivu kaj gloru Vin, Kaj Viaj juĝoj min helpu.
175Mijn ziel moge leven, om U te loven, En uw voorschriften mogen mij helpen;
176Mi erarvagis kiel perdita ŝafo; Elserĉu Vian sklavon, ĉar Viajn ordonojn mi ne forgesis.
176Als een verloren schaap dool ik rond: zoek uw dienaar weer op, Want nimmer heb ik uw geboden vergeten!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.