Psalmaro
Chapter 5
Londona Biblio (Esperant…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Miajn vortojn aŭskultu, ho Eternulo. Trapenetru miajn pensojn.
1Voor muziekbegeleiding: met fluiten. Een psalm van David. Jahweh, hoor naar mijn roepen, Let op mijn zuchten;
2Aŭdu la voĉon de mia krio, mia Reĝo kaj mia Dio; Ĉar al Vi mi preĝas.
2Luister naar mijn schreien, Mijn Koning en God.
3Ho Eternulo, matene Vi aŭdas mian voĉon; Matene mi eldiras mian preĝon al Vi, kaj mi atendas.
3Want tot U richt ik mijn bede, o Jahweh, Reeds in de vroegte hoort Gij mijn smeken; ‘s Morgens leg ik het voor U neer, En zie vertrouwend naar U op.
4Ĉar Vi ne estas tia Dio, kiu amas malpiaĵon; Malbonulo ne povas gasti ĉe Vi.
4Gij zijt geen God, wien de boosheid behaagt, Nooit is de zondaar U welkom;
5Fanfaronuloj ne staros antaŭ Vi; Vi malamas ĉiujn, kiuj faras malbonon.
5Geen goddeloze mag Voor uw ogen verschijnen! Gij haat al wie ongerechtigheid pleegt,
6Vi pereigas tiujn, kiuj parolas malveron; Sangavidan kaj malican la Eternulo abomenas.
6En leugenaars richt Gij te gronde; De man van bloed en bedrog Is een afschuw voor Jahweh.
7Kaj mi, pro Via granda favoro, eniros en Vian domon; Mi kliniĝos en Via sankta templo kun respektego al Vi.
7Maar door uw grote genade Mag ìk uw huis binnengaan, En naar uw heilige tempel gericht, U vol eerbied aanbidden.
8Ho Eternulo, gvidu min laŭ Via justeco; Pro miaj insidantoj ebenigu antaŭ mi Vian vojon.
8Geleid mij, o Jahweh, Naar uw gerechtigheid; En om wille van die mij belagen, Baan mij de weg voor uw aanschijn.
9Ĉar ne ekzistas vero en ilia buŝo; En ilia interno estas malvirteco; Malfermita tombo estas ilia gorĝo; Per sia lango ili hipokritas.
9Neen, in hun mond is geen waarheid, En hun hart is bedorven; Een open graf is hun keel, Ze huichelen met hun tong.
10Montru ilian kulpon, ho Dio, Ke ili falu per siaj intencoj; Pro iliaj multaj krimoj ĵetu ilin malsupren, Ĉar ili ribelis kontraŭ Vi.
10Laat ze boeten, o God, Aan eigen sluwheid te gronde gaan; Stoot ze weg om hun talrijke zonden, Want ze zijn weerbarstig tegen U.
11Kaj ekĝojos ĉiuj, kiuj fidas Vin; Ili eterne estos gajaj, kaj Vi ilin favoros; Kaj triumfos pri Vi tiuj, kiuj amas Vian nomon.
11Dan verheugen zich allen, Die tot U vluchten; Jubelen eeuwig, Daar Gij ze beschermt; En juichen in U, Die uw Naam beminnen.
12Ĉar Vi, ho Eternulo, benas piulon; Kiel per ŝildo Vi ĉirkaŭdefendas lin per favoro.
12Want Gij zegent den rechtvaardige, Jahweh; Als een schild dekt hem uw liefde.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.