Ezechiel 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Ge moet een klaagzang aanheffen over de vorsten van Israël, en
1Ти ж заплач над князями Ізрайлевими,
2zeggen: Wat een prachtleeuwin was uw moeder Onder de leeuwen; Liggend tussen haar jongen, Bracht zij haar welpen groot.
2Та й кажи: Що за левиця була в тебе мати! Між левами розлягалась, левчуків пестила.
3Een van haar welpen voedde zij op: Een echte jonge leeuw! Hij leerde zijn prooi zoeken, Mensen verscheurde hij.
3І згодувала одного зміж левчуків своїх, і став він левом, і навчивсь ловити здобич, та й пожерав людей.
4Maar men riep volken tegen hem op, En in hun kuil werd hij gevangen; Ze sleurden hem met haken Naar het land van Egypte.
4І прочули се народи та й спіймали його в яму, й в кайданах одвели в Египецьку землю.
5Toen zij zag, dat haar wachten vergeefs, En haar hoop was vervlogen, Koos zij een van haar welpen, Bestemde hem tot jonge leeuw.
5І, пождавши, побачила, що марна визволу надїя, і взяла другого з левчуків своїх, та й зростила левом.
6Met leeuwen ging hij samenleven: Een echte jonge leeuw! Hij leerde zijn prooi zoeken, Mensen verscheurde hij.
6І, ставши великим левом, почав він ходити поміж левами й навчивсь ловити здобич, людей пожерати.
7Hij maakte veel weduwen En ontvolkte hun steden; Het land en zijn bewoners stonden versteld Van zijn dreigend gebrul!
7І опоганював вдовицї, й міста пустошив; і обезлюдїла земля та й усї осади її від реву його.
8Maar volken spanden hem strikken Aan alle kanten; Wierpen hun net over hem heen, In hun kuil werd hij gevangen.
8Тодї встали на його народи із земель примежних та й розкинули на його сїтї свої і спіймали в яму.
9Ze zetten hem in een kooi, Sleurden hem met haken voor Babels koning, de burchten in, Opdat zijn gebrul niet meer zou worden gehoord Op Israëls bergen.
9І посадили його в клїтку й одвели в ланцюгах до царя Вавилонського; заперли в темницї, щоб не чути вже було реву його в Ізраїлї по горах.
10Uw moeder stond als een wingerd In uw wijngaard aan het water geplant; Ze was bloeiend en vruchtbaar Door de rijkdom van water.
10Мати твоя була, наче та виноградина, насаджена понад водою; була вроджайна, повна віття, від достатку води.
11Ze kreeg een krachtige tak Tot konings-schepter, Wiens top zich tot in de wolken verhief, Die opviel door zijn hoogte en talrijke twijgen.
11І виростали в неї прути кріпкі, хоч би й на скипетри володарів; і виросла вона високо й віттясто, та й виднїла далеко в гущинї пагонцїв своїх.
12Maar in woede werd zij uitgerukt, Op de grond geworpen. Een oostenwind verdroogde haar: Haar vrucht viel af. Haar krachtige tak verdorde: Het vuur verslond hem.
12Но в гнїву (Божому) вирвано її з коріннєм, і кинуто на землю, а вітер від сходу висушив плід її; повиривані, повсихали кріпкі пагонцї її; огонь пожер їх.
13Nu staat ze geplant in de steppe, In een streek van dorheid en dorst;
13А тепер її в пустиню пересадили, в суху, безводню землю.
14Er schoot een vlam uit de tak, Die haar ranken en vruchten verteerde. Nu heeft ze geen krachtige tak meer over, Geen konings-schepter meer! Dit is een klaaglied, dat men nog altijd jammert.
14І вийшов огонь із пня галуззя її, пожер грони її, та й не зосталось у неї прутів кріпких на жезла царські. Оце та жалібна пісня, — вона й полишиться нею на плач.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.