Ezechiel 34
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
1І надійшло до мене слово Господнє:
2Mensenkind, ge moet profeteren tegen de herders van Israël. Profeteer en zeg tot de herders: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Wee de herders van Israël, die alleen zichzelven weidden! Of moeten de herders hun schápen niet weiden?
2Сину чоловічий! пророкуй про пастирів Ізрайлевих, віщуй і промов до них: Так говорить Господь Бог: Горе пастирям Ізрайлевим, що пасуть самих себе! Чи не вівцї ж бо пастирям пасти?
3De melk drinkt ge wel op, van de wol maakt ge uw kleding, het gemeste dier slacht ge af, maar weiden doet ge de schapen niet!
3Ви їли молоко й зʼодягались у вовну та заколювали вівцї годовані, стада же не пасли.
4Het verzwakte dier hebt ge niet gesterkt, het zieke niet genezen, het gewonde niet verbonden, het verdwaalde niet teruggebracht, het vermiste niet opgezocht, en het gezonde dier hebt ge afgebeuld.
4Слабих у стадї ви не покріплювали, й недужних не вигоювали; поранену не перевязували й розпуджених не привертали та й загублених не шукали, а правили ними жорстоко й насильно.
5Daarom zijn ze uiteengejaagd, omdat niemand ze weidde; zijn ze ten prooi gevallen aan alle wilde beesten.
5І розсипались мої вівцї без пастуха й ставались жиром усьому польовому зьвіррю та й розбігались.
6Daarom ging mijn kudde dwalen op alle bergen en hoge heuvels, en raakten mijn schapen over heel de aarde verstrooid. Niemand die ernaar vroeg; niemand die ze zocht!
6По всїх горах і по всїх високих узгіррях блукають мої вівцї; розсипалась отара моя по всїх країнах, а нїхто не розвідуєсь про них, нїхто не шукає їх.
7Daarom herders, luistert naar het woord van Jahweh!
7Тим же то, вислухайте, ви, пастухи, слово Господнє:
8Zowaar Ik leef, spreekt Jahweh, de Heer: Ik zal ze! Omdat mijn kudde geroofd werd en mijn schapen ten offer vielen aan wilde beesten, daar niemand ze weidde; en omdat mijn herders mijn schapen niet bijeenzochten, maar in plaats van mijn schapen, zichzelven weidden:
8Так певно, як я живу, говорить Господь Бог, за те, що вівцї мої полишені були на здобичу, й отара моя допалась без пастирів на пожир усякому дикому зьвіррю, а мої пастирі не відшуковали овець моїх — пастухи бо пасли самих себе, а овець моїх не пасли, —
9daarom herders, luistert naar het woord van Jahweh!
9За те, ви, пастирі, слухайте слово Господнє!
10Zo spreekt Jahweh, de Heer: Ik krijg die herders! Ik zal mijn kudde van hen terugeisen, en hen beletten nog ooit mijn schapen te weiden! Dan zal het gedaan zijn met dat zichzelven maar weiden; dan zal Ik mijn kudde uit hun muil bevrijden, en vallen ze hun nooit meer ten prooi!
10Так говорить Господь Бог: Ось, я встану на пастирів, і вимагати му вівцї мої з їх рук, і не дам їм уже пасти овець, та й не будуть уже більше пастирі самих себе пасти; я повириваю в них із рота вівцї мої, щоб не були вже їм їдою.
11Want dit zegt Jahweh, de Heer: Hier ben Ik zelf! Ik ga zelf naar mijn schapen omzien en ze verzorgen.
11Так бо говорить Господь Бог: Самий я відшукаю собі вівцї мої та й буду їх дозирати.
12Zoals een herder omziet naar zijn kudde, als er een deel van zijn schapen verstrooid is, zo ga ook Ik voor mijn kudde zorgen.
12Як вівчарь провіряє свою отару, коли вона була розбіглась, так і я провіряю вівцї мої, й приверну їх назад з усїх тих місць, куди вони хмарного дня під темряву були порозбігались.
13Ik zal ze terugbrengen uit alle plaatsen, waarheen ze waren verstrooid op de dag van wolken en nevel. Ik zal ze terugvoeren uit de volken, hen bijeenbrengen uit de landen, hen leiden naar hun eigen grond, hen weiden op Israëls bergen, in de dalen en in alle bewoonde streken van het land.
13І повиводжу їх ізпроміж народів і позбіраю з країн, та й приведу в їх землю, й пасти му їх по горах Ізрайлевих, поблизу потоків і по всїх осаджених місцях сієї землї.
14Dan weid Ik ze op een vette grond, en op de bergen van Israëls hoogland zullen ze rusten; daar zullen ze zich neervlijen in het malse groen, en grazen ze de vette weiden af op Israëls bergen.
14По гарних пасовищах пасти му їх, а будуть пастівники їх на високих горах Ізраїлських; там вони будуть відпочивати на гарному пастівнику, і пастись на травньому пасовищі — на горах Ізраїлських.
15Ik zal mijn schapen zelf weiden, ze zelf laten legeren, zegt Jahweh, de Heer.
15Сам я пасти му вівцї мої, і сам указувати їм місце опочивку, говорить Господь Бог.
16Het vermiste dier zoek Ik op, het verdwaalde breng Ik terug; het gewonde zal Ik verbinden, het verzwakte sterken, het vette en gezonde dier blijven verzorgen. Ik zal ze weiden, zoals het behoort!
16Котре заблудило, я відшукаю, котре відлучилось, заверну; поранене перевяжу, недужне покріплю, а надто жирне й буйне витрачу; буду їх пасти по правдї.
17En nu mijn kudde, wat u zelf betreft, zegt Jahweh, de Heer: Ik zal het ene schaap van het andere scheiden; de rammen van de bokken.
17Вас же, мої вівцї, так говорить Господь Бог, буду судити між вівцею а вівцею, між бараном а козлом.
18Is het u niet voldoende, op de beste weide te grazen, dat ge met uw hoeven het overig weiland vertrapt; of van het klaarste water te drinken, dat ge met uw poten de rest van het water bevuilt?
18Чи то ж не доволї з вас (ви багатї), пастись на доброму пасовищі, що ви ще й те, що зістанеться неспасене, витоптуєте ногами, самі пєте чисту воду, а остальню каламутите ногами вашими,
19Moet dan mijn kudde grazen wat uw hoeven hebben vertrapt, drinken wat uw poten hebben bevuild?
19Так що вівцї мої мусять пастись на витолоченому пасовищі, й пити воду, що ви скаламутили ногами вашими?
20Daarom zegt Jahweh, de Heer: Ik kom op u af, om recht te doen tussen het vetgemeste schaap en het magere dier;
20Тим же то ось як говорить Господь Бог до вас: Ось, я самий буду розсуджувати між ситою а захарчованою вівцею.
21want ge hebt zolang met flank en schouder alle zwakke dieren gedrongen en met uw horens gestoten, tot ze buiten de weide gejaagd zijn.
21Позаяк ви все слабе тручаєте то боком то плечем і колете рогами, аж покіль геть повідганяєте,
22Ik zal mijn schapen redden, zodat ze niet meer worden geroofd; maar ook zal Ik recht doen tussen het ene schaap en het andere!
22То я допоможу овечатам моїм, і не будуть вони вже чужою користю; я розсуджу між вівцею а вівцею.
23Ik zal over hen één Herder aanstellen, om ze te hoeden: mijn dienaar David. Die zal ze weiden, een echte herder voor hen zijn.
23І поставлю над вами єдиного пастиря, що пасти ме їх, — слугу мого з роду Давидового; він буде їх пасти, він буде пастирем над ними.
24Ik, Jahweh, zal hun God zijn, en mijn dienaar David een vorst in hun midden; Ik, Jahweh, heb het gezegd!
24І буду я, Господь, їх Богом, слуга ж мій Давид буде князем серед них. Я, Господь, сказав се.
25Ik zal met hen een bond van vrede sluiten, en de wilde beesten uit het land verjagen, zodat zij zelfs op de steppe nog veilig zijn, en in de bossen rustig kunnen slapen.
25І вчиню з ними завіт мира та й повиганяю з землї хиже зьвіррє, й будуть жити собі безпеч у степу й спати по гаях.
26Op zijn tijd zal Ik milde regen geven, en de buien laten stromen: malse buien!
26Я дам їм і тим, що кругом гори моєї, благословеннє, й буду їм посилати дощ у свій час, — се будуть дощі благословення.
27zodat de bomen op het veld hun vruchten dragen, en de akker zijn opbrengst zal geven. Dan zullen ze rustig wonen op hun grond, en erkennen, dat Ik Jahweh ben, als Ik de stangen van hun juk heb verbroken, hen uit de vuist van hun verdrukkers heb bevrijd.
27І родити муть польові дерева плоди свої, а земля буде видавати вроджай свій; і будуть вони безпечні на землї своїй, і зрозуміють, що я — Господь, як поламлю занози в ярмі їх та вирятую їх із потали в тих, що їх поневолили.
28Nooit meer zullen ze een prooi der volken worden, of zullen wilde beesten hen verscheuren; in veiligheid zullen ze wonen, en niemand schrikt ze weer op!
28Не будуть вони вже здобичею народам, і дикий зьвір не буде їх пожерати; безпеч жити муть вони, й нїхто їх не буде лякати.
29Ik zal hun gewassen welig doen groeien, zodat er niemand in het land van honger meer omkomt, en ze de spot der volken niet meer hoeven te dragen.
29І дам їм насїннє славне, й не будуть гинути з голоду на землї та терпіти погорду від народів.
30Zo zullen ze erkennen, dat Ik, Jahweh, hun God ben, en dat Israëls huis mijn volk is, zegt Jahweh, de Heer.
30І зрозуміють, що я Господь, Бог їх, із ними, а вони, дом Ізрайлїв, — мій нарід, говорить Господь Бог,
31Ja, gij zijt mijn kudde, mijn eigen schapen; en Ik ben uw God, zegt Jahweh, de Heer!.
31І що ви, люде, вівцї мої, вівцї пасовища мого, а я — Бог ваш, говорить Господь Бог.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.