Ezechiel 47
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen bracht hij mij terug naar de ingang van de tempel, en daar zag ik van onder de drempel van de tempel water stromen in oostelijke richting; want de voorzijde van de tempel ligt op het oosten. Het water vloeide onder de rechterzijwand van de tempel door, zuidelijk langs het altaar.
1Тодї привів мене назад ід храмовим дверям, і се — зпід порога храму тече вода на схід сонця; храм бо стояв передом на схід сонця, а вода текла з під правого боку в храму від полуденнього боку в жертівника.
2Hij bracht me door de noorderpoort naar buiten, en voerde me buitenom naar de oosterpoort: daar borrelde het water op van de rechterzijwand!
2І вивів мене північніми воротами, й знадвірньою дорогою обвів мене до знадвірніх ворот, і се — вода тече по правому боцї.
3De man ging in oostelijke richting verder, met een duimstok in zijn hand; hij mat een afstand af van duizend el, en liet mij door het water waden: het water reikte tot de hiel.
3Як пійшов той муж ід востоку, держучи в руцї поворозку, відміряв тисячу локот, та й завів мене в воду; води було по кісточки.
4Weer mat hij een afstand af van duizend el, en liet mij door het water waden: het water reikte tot de knieën. Weer mat hij een afstand af van duizend el, en liet mij door het water waden: het water reikte tot mijn middel.
4І відміряв ще тисячу, та й повів мене по водї; води було по колїна. І ще відміряв тисячу локот, та й повів мене далїй; води були по поясницї.
5Nog eens mat hij een afstand af van duizend el, nu was het een ondoorwaadbare beek; want het water was zo diep, dat men er in zwemmen kon: een ondoorwaadbare beek.
5І ще відміряв тисячу, та тут була вже така течія, що я не міг бристи, бо вода була так високо, що треба було плисти, а перебристи сього потоку не було можна.
6Hij vroeg mij: Ziet ge dat mensenkind? Toen liet hij mij teruggaan langs de rand van de beek,
6І сказав менї: Бачив, сину чоловічий? та й повів мене назад ід берегу сього потоку.
7en onderweg zag ik aan beide oevers van de beek een zeer groot aantal bomen.
7І як прийшов я назад, аж се — по берегах потоку багато дерева по сім і по тім боцї.
8En hij zeide tot mij: Dit water stroomt naar de oostelijke landstreek, verloopt naar de steppe, en mondt uit in de zee, de zoutwaterzee, waarvan het water drinkbaar wordt.
8І промовив до мене: Ся вода тече в восточню сторону краю, попливе рівниною та й увійде в море; і зробляться води його здоровими.
9Alle levende wezens, alles wat zich beweegt, zal overal waar de beek komt, kunnen leven. Er zal een overvloed aan vis daarin zijn; want wanneer dit water erin uitmondt, wordt het zeewater drinkbaar, en alles, waar de beek bijkomt, kan leven.
9І всяка животина, що там пливає, де ввійдуть сї води, буде жити, й буде риби вельми багато, тим що ввійде туди ся вода, й води в морі зробляться здоровими, й куди нї ввійде сей поток, там усе жити ме.
10Dan zullen van En-Gedi tot En-Egláim vissers aan de kant staan; droogplaatsen voor netten zullen aan haar rechteroever liggen; haar visstand zal even overvloedig zijn als in de grote zee.
10І стояти муть понад водою рибалки від Енгадди до Еглайму, й закидати муть неводи. Риби буде всякого роду, й як у великому морі, буде риби дуже багато.
11Maar het water van haar poelen en wadden wordt niet drinkbaar; dat is voor zoutwinning bestemd.
11Болота його й затони його, що не зробляться здоровими, позоставляються на сіль.
12Langs de beek zullen aan weerszijden van haar oever allerlei vruchtbomen groeien, wier bladeren niet verwelken en wier vrucht niet opraakt. Elk seizoen dragen ze weer nieuwe vruchten; want het water, dat hen drenkt, stroomt uit het heiligdom. Hun vruchten zullen eetbaar zijn, hun bladeren zullen geneeskracht hebben.
12Понад потоком по узберіжжях його по сім і по тім боцї рости ме всяке дерево, що дає харч; листє його не буде вянути й плоди на йому не будуть уменшатись; що місяця поспівати муть нові, тим що вода про них тече з сьвятинї; плоди їх ійти муть на харч, а листє — на лїки.
13Dit zegt Jahweh, de Heer: Zo zal de grens lopen, waarbinnen ge het land aan de twaalf stammen van Israël in erfbezit moet toewijzen, en waarvan Josef twee delen ontvangt.
13Так говорить Господь Бог: Ось вам розграниченнє, по якому вам дїлити землю в наслїддє дванайцятьом поколїнням Ізрайлевим: — Йосифові два паї.
14Ieder van u zal een even groot deel bezitten van het land, dat Ik aan uw vaderen onder ede beloofd heb, en dat u als erfbezit werd toegewezen.
14І наслїдуйте її, як один, так і другий; я бо, піднявши руку мою, клявся надїлити її вашим отцям; от і буде земля ся вашим наслїддєм.
15Zo loopt de grens van het land. Aan de noordkant: van de grote zee af langs Chetlon in de richting van Chamat;
15А се гряниця країни: На північньому концї, починаючи од великого моря, через Хетлон, по дорозї в Зедад,
16dan over Sedad, Berota en Sibráim, dat tussen het grondgebied van Damascus en dat van Chamat ligt; dan tot Chaser-Enon, dat tot het gebied van de Hauran behoort;
16Емат, Берот, Сибарим, що між Дамаським і Ематським займищами, до Газар-Тихон, що на гряницї Аврана.
17zodat de grens loopt van de zee tot Chaser-Enon, en het grondgebied van Damascus en dat van Chamat er noordelijk van ligt. Dit is de noordkant.
17І буде гряниця від моря до Газар-Енону, гряниця з Дамаським займищем, а дальше на півночі займище Емат; от, се півночній бік.
18Aan de oostkant: van Chaser-Enon, tussen de Hauran en Damascus, vormt de Jordaan de grens tussen Gilad en het land Israël tot de oostelijke zee, tot Tamar. Dit is de oostkant.
18А з восточнього боку ведїть гряницю проміж Авраном і Дамаском, між Галаадом і землею Ізраїлською попри Йордань до восточнього моря; се восточній бік.
19Aan de kant van de Négeb, ten zuiden: van Tamar tot het water van Meribat-Kadesj, langs de beek naar de grote zee. Dit is de kant van de Négeb, ten zuiden.
19А полуденнїй бік від Тамару до вод переріку коло Кадесу, й попри потік до великого моря; се полуденнїй бік на полуднї.
20Aan de westkant vormt de grote zee de grens tot het punt, van waaruit men Chamat bereikt.
20Західня ж гряниця — велике море, від полуденньої гряницї до місця проти Емату; се західній бік.
21Dit land moet ge volgens de stammen van Israël onder elkaar verdelen.
21І подїлїте собі землю сю на паї після поколїнь Ізрайлевих.
22Ge moet het als bezit toewijzen aan u zelf, en aan de vreemdelingen die onder u verblijven en die kinderen onder u verwekt hebben. Ge moet ze beschouwen als geboren Israëlieten, en ze zullen onder Israëls stammen een erfdeel toegewezen krijgen;
22А подїлїть її по жеребу в наслїддє собі й чужоземцям, що пробувають у вас, що породили дїти в вас, і маєте вважати їх на рівнї з синами Ізрайлевими, з природніми осадниками, й ввійдуть вони з вами в пай серед поколїнь Ізрайлевих.
23ge moet hun een erfdeel geven in de stam, waarin de vreemdeling woont, zegt Jahweh, de Heer.
23В которому поколїннї живе чужоземець, у тому й дайте йому наслїддє його, говорить Господь Бог.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.