Ezechiel
Chapter 33
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
1І надійшло слово Господнє до мене, таке:
2Mensenkind, ge moet uw volksgenoten toespreken, en tot hen zeggen: Gesteld, Ik laat het zwaard los op een land, en de burgers kiezen iemand uit hun midden en stellen hem aan als hun wachter.
2Сину чоловічий! промов до земляків твоїх і скажи їм: Коли я пошлю меча на яку землю, а осадники тієї землї візьмуть із громади чоловіка та й приставлять за вартового в себе,
3Wanneer deze nu het zwaard op het land ziet afkomen, alarm blaast en de bevolking waarschuwt,
3І він побачить меча, що йде на землю та й затрубить у трубу й остереже люд, —
4maar hij die het hoorngeschal verneemt, zich niet laat waarschuwen, zodat het zwaard komt en hem treft: dan komt zijn bloed op zijn eigen hoofd neer.
4І коли хто почує голос труби, та не буде стерегти себе, й меч наступить та й захопить його, тодї кров його впаде на голову його.
5Hoewel hij het hoorngeschal vernam, heeft hij zich niet laten waarschuwen; zijn bloed komt dus neer op hemzelf. Maar de ander heeft gewaarschuwd, en daardoor zijn leven gered.
5Він чув гук трубний, та й не остерігся, — кров його буде на йому; хто ж остерігся, той урятував життє своє.
6Maar gesteld, de wachter ziet het zwaard aankomen en hij blaast geen alarm, zodat het volk niet wordt gewaarschuwd. Komt dan het zwaard en treft het iemand van hen, dan wordt die wel getroffen om zijn eigen schuld, maar van zijn bloed zal Ik den wachter rekenschap vragen.
6Коли ж вартовик та побачить меча та й не затрубить у трубу, й люд не буде остережений, і наступить меч і відбере кому життє, то він умре за свою провину, та кров його я з руки сторожа буду вимагати.
7Mensenkind, zó heb Ik ú aangesteld als wachter over Israëls huis. Wanneer ge iets van Mij verneemt, moet ge hen waarschuwen namens Mij.
7І тебе, сину чоловічий, приставив я вартовиком до Ізрайлевого дому, щоб ти, як почуєш із уст моїх слово, від мене остеріг-врозумив їх.
8Zeg Ik tot den zondaar: Zondaar, ge zult zeker sterven; maar doet gij uw mond niet open, om den zondaar voor zijn gedrag te waarschuwen, dan zal die zondaar wel om zijn eigen schuld sterven, maar van zijn bloed zal Ik ú rekenschap vragen.
8Коли я скажу беззаконному: Беззаконнику, ти вмреш, — а ти не скажеш нїчого, щоб остерегти ледачого перед його дорогою, то беззаконник умре за свою провину, та кров його я вимагати му від тебе.
9Maar hebt gij den zondaar gewaarschuwd, dat hij zich bekeren moet, en betert hij zijn leven niet, dan zal hij om zijn eigen schuld sterven, maar zelf hebt ge uw leven gered.
9Коли ж би ти остерігав беззаконника перед його дорогою, щоб він звернув із неї, він же не навернувся з своєї дороги, то він за свій гріх погибне, а ти врятував душу свою.
10Mensenkind, ge moet tot het huis van Israël zeggen: Zo redeneert ge maar: “Ja, onze misdaden en onze zonden drukken toch op ons, daardoor vergaan wij; hoe zouden wij dus kunnen leven?”
10І скажи, сину чоловічий, до Ізрайлевого дому: Ви говорите: проступки наші й гріхи наші вагонять на нас, і ми танемо від них, — як же нам жити?
11Ge moet tot hen zeggen: Zowaar Ik leef, spreekt Jahweh, de Heer: Ik verheug Mij erover, niet dat de zondaar sterft, maar dat de zondaar zijn gedrag verbetert en blijft leven! Bekeert u, bekeert u van uw zondig gedrag; want waarom zoudt ge sterven, huis van Israël?
11То ж скажи їм: Так певно, як я живу, говорить Господь Бог, не бажаю я смертї грішникової, а того, щоб він звернув із свого шляху та й зостався живим. Звернїте, звернїте з вашого ледачого шляху; про що вам умірати, доме Ізраїля?
12Mensenkind, ge moet tot uw volksgenoten zeggen: De deugd van den rechtschapene zal hem niet baten zodra hij zondigt, en de boosheid van den zondaar zal voor hem geen beletsel zijn, als hij zich van zijn boosheid bekeert; néén, de deugd van den rechtschapene zal hem niet in leven laten, als hij zondigt.
12Ти ж, сину чоловічий, промов до земляків твоїх: Праведного праведність не врятує його тодї, як провинить, і беззаконник не згине за беззаконство своє, як він од свого беззаконства навернеться, так само як праведник, коли согрішить, не зможе вдержатись живим за свою праведність.
13Al heb Ik ook tot den rechtschapene gezegd: ge zult blijven leven; maar vertrouwend op zijn verdiensten gaat hij slecht leven, dan zal al zijn deugd hem niet baten; hij zal sterven, om het kwaad dat hij gedaan heeft.
13Коли я скажу праведнику, що він зостанеться живим, а він понадїється на свою праведність та й допуститься неправедностї, то йому не згадаються всї праведні вчинки його, й мусить він умерти за беззаконність свою, що її вчинив.
14En al heb Ik ook tot den zondaar gezegd: de dood zult ge sterven; maar hij bekeert zich van zijn zonde en handelt naar wet en recht:
14А коли скажу беззаконному: ти мусиш умерти! він же навернеться од гріхів своїх та й почне чинити суд і справедливість,
15hij geeft een pand terug, betaalt het gestolen goed en onderhoudt de voorschriften des levens zonder kwaad te doen; dan zal hij zeker in leven blijven, en niet sterven!
15Коли той беззаконник верне заліг, поповнить те, що заграбив, ходити ме в законах, що ведуть до життя, й нїчого ледачого не вчинить, — то й зостанеться живим, не вмре.
16Van zijn vroegere zonden zal hem niets toegerekend worden; naar wet en recht heeft hij gehandeld, hij zal dus zeker in leven blijven.
16Нї одного з гріхів, які вчинив, не полїчиться йому; він почав творити суд і справедливість, і зостанеться живим.
17En dan zeggen uw volksgenoten: “De weg des Heren is niet recht!” Neen, hun eigen weg is krom!
17А твої земляки говорять: Не по правдї чинить Господь, тим часом, як їх самих дороги несправедливі!
18Als een rechtschapene terugkomt op zijn deugd en slecht gaat leven, dan zal hij daarom sterven;
18Коли праведник од своєї праведностї відступить і чинити ме ледарство, так за те мусить умерти.
19maar bekeert een zondaar zich van zijn boosheid en handelt hij naar wet en recht, dan zal hij daarom leven.
19І коли ледачий навернеться од свого беззаконства та почне чинити суд і справедливість, то за те зостанеться живим.
20En al zegt ge: “de weg des Heren is niet recht!” toch zal Ik ieder van u richten naar zijn gedrag, huis van Israël!
20А ви мовляєте: Несправедлива путь Господня! Я ж суджу вас, доме Ізрайлїв, кожного після поступків його.
21In het twaalfde jaar van onze verbanning, op de vijfde van de tiende maand, kwam de vluchteling uit Jerusalem naar mij toe met de tijding: De stad is gevallen!
21У двайцятому роцї нашого полону, в десятому місяцї, на пятий день місяця, прийшов до мене один утїкач із Ерусалиму й звістив: Збурено місто.
22‘s Avonds, voordat de vluchteling kwam, had de hand van Jahweh mij aangeraakt en mijn mond geopend. Toen dan ‘s morgens de vluchteling bij mij kwam, was mijn mond weer geopend, en was ik niet langer stom.
22Та ще вечером перед приходом сього втїкача, найшла була на мене рука (сила) Господня, і він одверз уста менї, перш нїж той уранцї прибув до мене. І одчинились уста мої, і я вже не мовчав довше.
23En het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
23І надійшло слово Господнє до мене:
24Mensenkind, de bewoners van die puinhopen op Israëls grondgebied zeggen: Abraham was maar alleen, en toch bezat hij het land; nu zijn we met velen, daarom is ons het land in bezit gegeven!
24Сину чоловічий! отті останки, що жиють по спустошених місцях землї Ізраїлської, мовляють ось яке: Авраам був один собі чоловік, та й осяг сю землю в державу, а нас багато, то ж нам і належиться земля ся в державу.
25Daarom moet ge tot hen zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Op de bergen houdt ge een offermaal, ge slaat uw ogen naar uw schandgoden op en ge vergiet bloed; zult ge dan het land bezitten?
25Отже скажи їм: Так говорить Господь Бог: Ви їсте з кровю та й пориваєте очі на ваші ідоли, й проливаєте кров, — та хочете ще посїсти землю в державу?
26Ge verlaat u op uw zwaard, ge bedrijft gruwelen en onteert elkanders vrouw; zult ge dan het land bezitten?
26Ви опираєтесь на свого меча? Ви ж чините гидоти, поганите жінок один в одного, та й хочете осягти в державу землю?
27Neen, dit moet ge hun zeggen: Dit zegt Jahweh, de Heer! Zo waar Ik leef: zij die op de puinhopen leven, zullen neergesabeld worden; die in het open veld wonen, geef Ik aan de dieren te verslinden; en die in spelonken of holen verblijven, zullen sterven aan de pest!
27Ось як маєш їм сказати: Так говорить Господь Бог: Так певно, як я живу, — ті, що жиють по розвалених містах, поляжуть од меча; тих, що в чистому полі, оддам на пожир зьвіррю; а ті, що в утверджених місцях та в печерах, помруть од морової зарази.
28Ik zal het land tot een eenzame steppe maken; er zal een einde komen aan zijn overmoedige trots, en de bergen van Israël zullen een wildernis zijn, die niemand durft betreden.
28І зроблю їх землю пустою пустинею, й перерветься горда могучість її, і пустинею лежати муть гори Ізрайлеві, й нїхто не буде через них переходити.
29Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben, als Ik het land tot een eenzame steppe heb gemaakt om al de gruwelen, die ze hebben bedreven!
29І зрозуміють вони, що я Господь, як зроблю сю землю пустою пустинею за всї гидоти їх, що вони коїли.
30Mensenkind, uw volksgenoten voeren gesprekken over u bij de muren en aan de huisdeuren. Ze zeggen tot elkaar: Laten we eens gaan horen, wat woord van Jahweh is uitgegaan.
30Сину чоловічий: земляки твої розмовляють про тебе попід мурами в дверах на порогах у себе, й балакають насьмішливо проміж себе один до одного, брат до брата: Ось ходїм, послухаймо, яке слово вийшло од Господа!
31Dan komen ze bij u in dichte drommen, gaan voor u zitten, en luisteren wel naar uw woorden, maar ze doen er niet naar; want ze hebben leugens op hun lippen, en hun hart is gehecht aan hun voordeel.
31І приходять вони до тебе гурмом, і сїдають перед тобою, яко мій люд, і слухають слово твоє, та не виповняють його, бо в устах своїх роблять собі з його жарти, й серце їх уганяє за наживою.
32Daarom zijt ge voor hen maar een liedjeszanger, die een mooie stem heeft en goed kan spelen; ze luisteren wel naar uw woorden, maar ze doen er niet naar.
32І ось, ти в них мов сьпівак забавний, що має гарний голос і на струнах до ладу перебирає; вони слухають слово твоє, та не сповняють його.
33Maar als het uitkomt, en het komt zeker uit: dan zullen ze erkennen, dat er onder hen een profeet is geweest!
33Як же воно справдиться, — ба вже й справджується, — тодї зрозуміють, що між ними був пророк.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.