Ezechiel 32
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1In het twaalfde jaar, op de eerste van de twaalfde maand, werd het woord van Jahweh tot mij gericht.
1В дванайцятому роцї, в одинайцятому місяцї, первого дня в місяцї, надійшло до мене слово Господнє:
2Mensenkind, ge moet een klaagzang aanheffen over Farao, den koning van Egypte, en tot hem zeggen: Ge waart als een krokodil in de wateren, Ge liet ze uit uw neusgaten spuiten; Met uw poten hebt ge het water bevuild, Al zijn stromen drabbig gemaakt.
2Сину чоловічий! заголоси над Фараоном, царем Египецьким, і промов до його: Ти, наче левчук між народами, й мов кит у морі, кидаєшся в ріцї твоїй, каламутиш води ногами, й бовтаєш потоки їх.
3Dit zegt Jahweh, de Heer: Ik zal mijn net over u uitwerpen, In het bijzijn van talrijke volken u ophalen in mijn fuik;
3От же що говорить Господь Бог: Я закину на тебе сїть мою руками многих народів, і витягнуть вони тебе моїм неводом.
4Ik zal u neersmakken op het droge, U neerwerpen op het open veld. Alle vogels uit de lucht zal Ik op u neerlaten, Alle dieren der aarde zullen zich aan u zat vreten;
4І викину тебе на суху землю, на відкрите поле кину тебе, й сїдати ме на тебе піднебесне птаство й зьвіррє всієї країни буде живитись трупом твоїм.
5Ik zal uw vlees op de bergen werpen, De dalen vullen met uw aas.
5І розкидаю мясо з тебе по горах, і яри позаповнюю твоїми трупами.
6De aarde zal Ik drenken Met het vocht dat van u wegvloeit; Uw bloed zal tot de bergen reiken, En met uw water zal Ik de ravijnen laten vollopen.
6Де ти плавав колись, — тую землю наповню я кровю з тебе аж до гір; вона залиє й байраки.
7Als uw licht wordt gedoofd, bedek Ik de hemel, Verduister Ik haar sterren; De zon zal Ik achter de wolken verschuilen, En de maan zal haar licht niet meer geven.
7А як ти згаснеш, я небо закрию, й зорі затемню, сонце хмарою вкрию, й місяць не буде сьвітити сьвітлом своїм.
8Alle stralende lichten aan de hemel Zal Ik om u verdonkeren, En op aarde laat Ik het duister worden: Is de godsspraak van Jahweh, den Heer!
8Сьвітила всї на небі втоплю у мрацї, а земля твоя потоне в пітьмі, говорить Господь.
9Ik zal het hart van vele volken schokken, Als Ik gevangen u wegvoer onder de naties, Naar de landen, die gij niet kent;
9Приведу в зворушеннє серця многих народів, коли рознесу чутку про твій упад по тих землях, що ти й не знав їх.
10En vele volken zal Ik over u met ontzetting slaan. Hun koningen zullen de haren te berge rijzen, Als Ik mijn zwaard langs hun gelaat laat zwaaien! Voortdurend zullen ze voor hun eigen leven vrezen, Wanneer gij eenmaal gevallen zijt.
10І приведу тобою в перестрах многі народи, й царі їх затремтять зо страху, коли мечем моїм замахну перед лицями в них, і тремтїти муть всї що хвилини, кожен за душу свою, як ти впадеш.
11Want dit zegt Jahweh, de Heer: Het zwaard van Babels koning zal u treffen; Een volkenleeuw komt op u af, Dan zijt ge verloren!
11Так бо говорить Господь Бог: Меч царя Вавилонського прийде на тебе.
12Uw drommen zal Ik neerslaan onder het zwaard van helden, Barbaarse volken allemaal; Die zullen de trots van Egypte breken, En al zijn drommen verdelgen.
12Від мечів у тих сильних поляже нарід твій; вони — сї найлютїйші зміж народів, упокорять гординю Египту, й погибне все множество його. —
13Al zijn vee zal Ik verjagen Van het overvloedige water; Geen mensenvoet zal het meer vertroebelen, Geen dierenhoef het bevuilen!
13І вигублю всю скотину його при водах великих; не буде вже їх мутити нога людська та й череда каламутити вже їх не буде.
14Dan zal Ik hun wateren laten zakken, Hun rivieren doen stromen Traag als olie: Is de godsspraak van Jahweh, den Heer!
14Тодї дам спокій водам їх, і вчиню, що води текти муть, як олива, чисті, говорить Господь.
15Als Ik Egypte tot een steppe heb gemaakt, Het land heb beroofd van zijn rijkdom, Al zijn bewoners heb neergeslagen: Dan zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
15Як зроблю я Египет пустинею, а земля опорожнїє з усього, чим вона була повна, як перебю всїх, що на нїй живуть, тодї спізнають, що я — Господь.
16Dit is een klaaglied; men moet het zingen. De meisjes der volken zullen het zingen over Egypte; over heel zijn mensenmenigte zullen ze het zingen, zegt Jahweh, de Heer.
16Оце та плакальна пісня, що її будуть сьпівати; дочки народів сьпівати муть її; над Египтом і над усією многотою людей його будуть нею голосити, говорить Господь Бог.
17In het twaalfde jaar, op de vijftiende van de maand, werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
17І надійшло в дванайцятому роцї, у пятнайцятий день місяця слово Господнє до мене, таке:
18Mensenkind, ge moet weeklagen over de drommen van Egypte, en ze neerstoten in de onderwereld, tussen machtige volken, bij hen die ten grave gedaald zijn.
18Сину чоловічий! заголоси по Египецькому народові та й поскидай (віщим словом) його й дочки потужних народів у преисподню до тих, що посходили в яму.
19“zijt gij soms beter dan een ander? Kom naar beneden, en laat u een plaats aanwijzen bij de onbesnedenen!”
19Кого ти перевисшив? Ійди, лежи з необрізаними!
20Temidden van hen die aan het zwaard zijn geregen zullen ze neerkomen, zal Egypte met al zijn drommen een plaats krijgen.
20Тії попадають між побитими мечем, та й він одданий мечу; тягнїть його туди з усїм людом його!
21Dan zullen de aanvoerders der helden onder in het dodenrijk tot hen zeggen: En met zijn bondgenoten zal het naar beneden komen, en plaats nemen bij de onbesnedenen, bij hen die aan het zwaard zijn geregen.
21Посеред підземля говорити муть про него та про підпомочників його передні між невміраками: Попровалювались, лежать посеред необрізаних, посїчені мечем.
22Daar ligt Assjoer met al zijn drommen rondom zijn graf; allen zijn ze gesneuveld, getroffen door het zwaard,
22Тут Ассур і вся сила його; гроби їх навкруг його; всїх їх повбивано, посїчено мечем.
23en hebben hun graven gekregen in het diepste van de groeve. Zijn drommen liggen om zijn graf; allen zijn ze gesneuveld, getroffen door het zwaard, hoe schrikwekkend ze ook waren in het land der levenden.
23Гріб його в самій глибинї преисподньої, а полки його — навкруги домовини його; всї побиті, всї полягли од меча, — тоті, що завдавали колись страху на землї живих.
24Daar ligt Elam met al zijn drommen rondom zijn graf. Allen zijn ze gesneuveld, getroffen door het zwaard, en als onbesnedenen zijn ze naar de onderwereld afgedaald; schrikwekkend waren ze in het land der levenden, maar nu moeten ze hun schande dragen bij hen die ten grave zijn gedaald.
24Там Елам із усією силою своєю навкруги домовини його, а всї вони побиті, всї полягли од меча, всї необрізаними пійшли на той сьвіт, — тоті, що колись ширили страх поперед себе на землї живих, а тепер двигають ганьбу свою вкупі з тими, що зойшли в яму.
25Temidden van gesneuvelden heeft het een plaats gekregen, met al zijn drommen ligt het rondom zijn graf; allen zijn het onbesnedenen, die door het zwaard zijn getroffen. Want in het land der levenden waren ze wel schrikwekkend, maar nu moeten ze hun schande dragen bij hen, die ten grave zijn gedaald; temidden van getroffenen heeft het zijn plaats gekregen.
25Серед побитих наготовано лїгво його з усїм військом його; домовини їх округи його, а всї вони необрізані, мечем порубані; позаяк бо вони завдавали страху на землї живих, то й несуть тепер ганьбу на собі вкупі з тими, що посходили в яму, та лежать серед побитих.
26Daar liggen Mesjek en Toebal met al hun drommen: allen als onbesnedenen, die door het zwaard zijn getroffen, hoe schrikwekkend ze ook waren in het land der levenden.
26Там лежить Мешех, Тубал із усією громадою своєю; кругом його домовини їх, а всї необрізані, побиті мечем, за те, що перше завдавали страху всїм на землї живих.
27Maar ze liggen niet bij de helden, die in oude tijden gevallen zijn, die naar het dodenrijk zijn afgedaald met hun wapenrusting, wier zwaarden men onder hun hoofd, wier schilden men op hun gebeente gelegd heeft; want men heeft die helden gevreesd in het land der levenden.
27А годї їм лежати коло невміраків побитих, необрізаних, що посходили в підземлє у своїй боєвій зброї, а мечі їх покладено їм під голови, хоч і зосталось беззаконство їх на костях у них, за те, що вони, як силачі, були пострахом на землї живих.
28Gij echter moet te midden van onbesnedenen begraven worden, en een plaats krijgen bij hen, die door het zwaard zijn getroffen.
28Та й ти стертий будеш між необрізаними й лежати меш із побитими мечем.
29Daar ligt Edom met zijn koningen en al zijn vorsten, die een rustplaats gekregen hebben bij hen, die door het zwaard zijn getroffen; ze liggen bij de onbesnedenen, en bij hen die ten grave zijn gedaald.
29Там — Едом, царі його й усї князї його, що мимо всієї своєї хоробростї зложені між побитими мечем; коло необрізаних лежять вони й коло тих, що посходили в яму.
30Daar liggen alle vorsten van het noorden en alle Sidoniërs, die gesneuveld zijn en neergedaald. Al waren ze schrikwekkend door hun heldenkracht; toch zijn ze beschaamd, liggen als onbesnedenen bij hen, die door het zwaard zijn getroffen, en dragen hun schande met hen, die ten grave zijn gedaald.
30Там князї півночні вкупі з усїма Сидонїями, що посходили з сьвіта побиті; вони ж осоромлені через могучість свою, бо вона наводила страх; лежать же вони з необрізаними, побитими мечем й несуть ганьбу свою на собі вкупі з тими, що посходили в яму.
31Als Farao ze ziet, zal hij zich troosten over al zijn drommen, die door het zwaard zijn getroffen: Farao en al zijn drommen, zegt Jahweh, de Heer!
31Побачить їх Фараон і зрадїє тою многотою, побитою мечем, — Фараон і все військо його, говорить Господь Бог.
32Want ook hij was schrikwekkend in het land der levenden, maar nu krijgt hij een plaats te midden van onbesnedenen, bij hen die door het zwaard zijn getroffen: Farao en al zijn drommen, zegt Jahweh, de Heer!
32Бо й я розширю страх мій на землї живих і ляже Фараон і вся многота його серед необрізаних, побитих мечем, говорить Господь Бог.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.