Ezechiel
Chapter 32
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1In het twaalfde jaar, op de eerste van de twaalfde maand, werd het woord van Jahweh tot mij gericht.
1ΚΑΙ ἐγένετο ἐν τῷ ἑνδεκάτῳ ἔτει, ἐν τῷ δωδεκάτῳ μηνί, μιᾷ τοῦ μηνός, ἐγένετο λόγος Κυρίου πρός με λέγων·
2Mensenkind, ge moet een klaagzang aanheffen over Farao, den koning van Egypte, en tot hem zeggen: Ge waart als een krokodil in de wateren, Ge liet ze uit uw neusgaten spuiten; Met uw poten hebt ge het water bevuild, Al zijn stromen drabbig gemaakt.
2υἱὲ ἀνθρώπου λαβὲ θρῆνον ἐπὶ Φαραὼ βασιλέα Αἰγύπτου καὶ ἐρεῖς αὐτῷ· λέοντι ἐθνῶν ὡμοιώθης καὶ σὺ ὡς δράκων ὁ ἐν τῇ θαλάσσῃ καὶ ἐκεράτιζες τοῖς ποταμοῖς σου καὶ ἐτάρασσες ὕδωρ τοῖς ποσί σου καὶ κατεπάτεις τοὺς ποταμούς σου.
3Dit zegt Jahweh, de Heer: Ik zal mijn net over u uitwerpen, In het bijzijn van talrijke volken u ophalen in mijn fuik;
3τάδε λέγει Κύριος· καὶ περιβαλῶ ἐπὶ σὲ δίκτυα λαῶν πολλῶν καὶ ἀνάξω σε ἐν τῷ ἀγκίστρῳ μου
4Ik zal u neersmakken op het droge, U neerwerpen op het open veld. Alle vogels uit de lucht zal Ik op u neerlaten, Alle dieren der aarde zullen zich aan u zat vreten;
4καὶ ἐκτενῶ σε ἐπὶ τὴν γῆν· πεδία πλησθήσεταί σου, καὶ ἐπικαθιῶ ἐπὶ σέ πάντα τὰ πετεινὰ τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἐμπλήσω ἐκ σοῦ πάντα τὰ θηρία πάσης τῆς γῆς,
5Ik zal uw vlees op de bergen werpen, De dalen vullen met uw aas.
5καὶ δώσω τὰς σάρκας σου ἐπὶ τὰ ὄρη καὶ ἐμπλήσω ἀπὸ τοῦ αἵματός σου,
6De aarde zal Ik drenken Met het vocht dat van u wegvloeit; Uw bloed zal tot de bergen reiken, En met uw water zal Ik de ravijnen laten vollopen.
6καὶ ποτισθήσεται ἡ γῆ ἀπὸ τῶν προχωρημάτων σου ἀπὸ τοῦ πλήθους σου ἐπὶ τῶν ὀρέων, φάραγγας ἐμπλήσω ἀπὸ σοῦ.
7Als uw licht wordt gedoofd, bedek Ik de hemel, Verduister Ik haar sterren; De zon zal Ik achter de wolken verschuilen, En de maan zal haar licht niet meer geven.
7καὶ κατακαλύψω ἐν τῷ σβεσθῆναί σε οὐρανὸν καὶ συσκοτάσω τὰ ἄστρα αὐτοῦ, ἥλιον ἐν νεφέλῃ καλύψω, καὶ σελήνη οὐ μὴ φάνῃ τὸ φῶς αὐτῆς·
8Alle stralende lichten aan de hemel Zal Ik om u verdonkeren, En op aarde laat Ik het duister worden: Is de godsspraak van Jahweh, den Heer!
8πάντα τὰ φαίνοντα φῶς ἐν τῷ οὐρανῷ συσκοτάσουσιν ἐπὶ σέ, καὶ δώσω σκότος ἐπὶ τὴν γῆν σου, λέγει Κύριος Κύριος.
9Ik zal het hart van vele volken schokken, Als Ik gevangen u wegvoer onder de naties, Naar de landen, die gij niet kent;
9καὶ παροργιῶ καρδίαν λαῶν πολλῶν, ἡνίκα ἂν ἄγω αἰχμαλωσίαν σου εἰς τὰ ἔθνη, εἰς γῆν, ἣν οὐκ ἔγνως.
10En vele volken zal Ik over u met ontzetting slaan. Hun koningen zullen de haren te berge rijzen, Als Ik mijn zwaard langs hun gelaat laat zwaaien! Voortdurend zullen ze voor hun eigen leven vrezen, Wanneer gij eenmaal gevallen zijt.
10καὶ στυγνάσουσιν ἐπὶ σὲ ἔθνη πολλά, καὶ οἱ βασιλεῖς αὐτῶν ἐκστάσει ἐκστήσονται ἐν τῷ πέτασθαι τὴν ρομφαίαν μου ἐπὶ πρόσωπα αὐτῶν, προσδεχόμενοι τὴν πτῶσιν αὐτῶν ἀφ' ἡμέρας πτώσεώς σου.
11Want dit zegt Jahweh, de Heer: Het zwaard van Babels koning zal u treffen; Een volkenleeuw komt op u af, Dan zijt ge verloren!
11ὅτι τάδε λέγει Κύριος Κύριος· ρομφαία βασιλέως Βαβυλῶνος ἥξει σοι,
12Uw drommen zal Ik neerslaan onder het zwaard van helden, Barbaarse volken allemaal; Die zullen de trots van Egypte breken, En al zijn drommen verdelgen.
12ἐν μαχαίραις γιγάντων, καὶ καταβαλῶ τὴν ἰσχύν σου· λοιμοὶ ἀπὸ ἐθνῶν πάντες, καὶ ἀπολοῦσι τὴν ὕβριν Αἰγύπτου, καὶ συντριβήσεται πᾶσα ἡ ἰσχὺς αὐτῆς.
13Al zijn vee zal Ik verjagen Van het overvloedige water; Geen mensenvoet zal het meer vertroebelen, Geen dierenhoef het bevuilen!
13καὶ ἀπολῶ πάντα τὰ κτήνη αὐτῆς ἀφ' ὕδατος πολλοῦ, καὶ οὐ μὴ ταράξῃ αὐτὸ ποὺς ἀνθρώπου ἔτι, καὶ ἴχνος κτηνῶν οὐ μὴ καταπατήσῃ αὐτό.
14Dan zal Ik hun wateren laten zakken, Hun rivieren doen stromen Traag als olie: Is de godsspraak van Jahweh, den Heer!
14οὕτως τότε ἡσυχάσει τὰ ὕδατα αὐτῶν, καὶ οἱ ποταμοὶ αὐτῶν ὡς ἔλαιον πορεύσονται, λέγει Κύριος.
15Als Ik Egypte tot een steppe heb gemaakt, Het land heb beroofd van zijn rijkdom, Al zijn bewoners heb neergeslagen: Dan zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
15ὅταν δῶ Αἴγυπτον εἰς ἀπώλειαν καὶ ἐρημωθῇ ἡ γῆ σὺν τῇ πληρώσει αὐτῆς, ὅταν διασπείρω πάντας τοὺς κατοικοῦντας ἐν αὐτῇ, καὶ γνώσονται ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος.
16Dit is een klaaglied; men moet het zingen. De meisjes der volken zullen het zingen over Egypte; over heel zijn mensenmenigte zullen ze het zingen, zegt Jahweh, de Heer.
16θρῆνός ἐστι καὶ θρηνήσεις αὐτόν, καὶ αἱ θυγατέρες τῶν ἐθνῶν θρηνήσουσιν αὐτόν· ἐπ' Αἴγυπτον καὶ ἐπὶ πᾶσαν τὴν ἰσχὺν αὐτῆς θρηνήσουσιν αὐτήν, λέγει Κύριος Κύριος.
17In het twaalfde jaar, op de vijftiende van de maand, werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
17καὶ ἐγενήθη ἐν τῷ δωδεκάτῳ ἔτει τοῦ πρώτου μηνός, πεντεκαιδεκάτῃ τοῦ μηνός, ἐγένετο λόγος Κυρίου πρός με λέγων·
18Mensenkind, ge moet weeklagen over de drommen van Egypte, en ze neerstoten in de onderwereld, tussen machtige volken, bij hen die ten grave gedaald zijn.
18υἱὲ ἀνθρώπου, θρήνησον ἐπὶ τὴν ἰσχὺν Αἰγύπτου, καὶ καταβιβάσουσιν αὐτῆς τὰς θυγατέρας τὰ ἔθνη νεκρὰς εἰς τὸ βάθος τῆς γῆς, πρὸς τοὺς καταβαίνοντας εἰς βόθρον.
19“zijt gij soms beter dan een ander? Kom naar beneden, en laat u een plaats aanwijzen bij de onbesnedenen!”
19ἐν μέσῳ μαχαίρας τραυματιῶν πεσοῦνται μετ' αὐτοῦ,
20Temidden van hen die aan het zwaard zijn geregen zullen ze neerkomen, zal Egypte met al zijn drommen een plaats krijgen.
20καὶ κοιμηθήσεται πᾶσα ἡ ἰσχὺς αὐτοῦ.
21Dan zullen de aanvoerders der helden onder in het dodenrijk tot hen zeggen: En met zijn bondgenoten zal het naar beneden komen, en plaats nemen bij de onbesnedenen, bij hen die aan het zwaard zijn geregen.
21καὶ ἐροῦσί σοι οἱ γίγαντες· ἐν βάθει βόθρου γίνου, τίνος κρείττων εἶ; κατάβηθι καὶ κοιμήθητι μετὰ ἀπεριτμήτων ἐν μέσῳ τραυματιῶν μαχαίρας.
22Daar ligt Assjoer met al zijn drommen rondom zijn graf; allen zijn ze gesneuveld, getroffen door het zwaard,
22ἐκεῖ Ἀσσοὺρ καὶ πᾶσα ἡ συναγωγὴ αὐτοῦ, πάντες τραυματίαι ἐκεῖ ἐδόθησαν, καὶ ἡ ταφὴ αὐτῶν ἐν βάθει βόθρου, καὶ ἐγενήθη ἡ συναγωγὴ αὐτοῦ περικύκλῳ τοῦ μνήματος αὐτοῦ, πάντες οἱ τραυματίαι οἱ πεπτωκότες μαχαίρᾳ,
23en hebben hun graven gekregen in het diepste van de groeve. Zijn drommen liggen om zijn graf; allen zijn ze gesneuveld, getroffen door het zwaard, hoe schrikwekkend ze ook waren in het land der levenden.
23οἱ δόντες τὸν φόβον αὐτῶν ἐπὶ γῆς ζωῆς.
24Daar ligt Elam met al zijn drommen rondom zijn graf. Allen zijn ze gesneuveld, getroffen door het zwaard, en als onbesnedenen zijn ze naar de onderwereld afgedaald; schrikwekkend waren ze in het land der levenden, maar nu moeten ze hun schande dragen bij hen die ten grave zijn gedaald.
24ἐκεῖ Αἰλὰμ καὶ πᾶσα ἡ δύναμις αὐτοῦ περικύκλῳ τοῦ μνήματος αὐτοῦ, πάντες οἱ τραυματίαι οἱ πεπτωκότες μαχαίρᾳ καὶ καταβαίνοντες ἀπερίτμητοι εἰς γῆς βάθος, οἱ δεδωκότες αὐτῶν φόβον ἐπὶ γῆς ζωῆς καὶ ἐλάβοσαν τὴν βάσανον αὐτῶν μετὰ τῶν καταβαινόντων εἰς βόθρον
25Temidden van gesneuvelden heeft het een plaats gekregen, met al zijn drommen ligt het rondom zijn graf; allen zijn het onbesnedenen, die door het zwaard zijn getroffen. Want in het land der levenden waren ze wel schrikwekkend, maar nu moeten ze hun schande dragen bij hen, die ten grave zijn gedaald; temidden van getroffenen heeft het zijn plaats gekregen.
25ἐν μέσῳ τραυματιῶν.
26Daar liggen Mesjek en Toebal met al hun drommen: allen als onbesnedenen, die door het zwaard zijn getroffen, hoe schrikwekkend ze ook waren in het land der levenden.
26ἐκεῖ ἐδόθησαν Μοσὸχ καὶ Θοβὲλ καὶ πᾶσα ἡ ἰσχὺς αὐτῶν περικύκλῳ τοῦ μνήματος αὐτοῦ, πάντες τραυματίαι αὐτοῦ, πάντες ἀπερίτμητοι τραυματίαι ἀπὸ μαχαίρας, οἱ δεδωκότες τὸν φόβον αὐτῶν ἐπὶ γῆς ζωῆς.
27Maar ze liggen niet bij de helden, die in oude tijden gevallen zijn, die naar het dodenrijk zijn afgedaald met hun wapenrusting, wier zwaarden men onder hun hoofd, wier schilden men op hun gebeente gelegd heeft; want men heeft die helden gevreesd in het land der levenden.
27καὶ ἐκοιμήθησαν μετὰ τῶν γιγάντων τῶν πεπτωκότων ἀπ' αἰῶνος, οἳ κατέβησαν εἰς ᾅδου ἐν ὅπλοις πολεμικοῖς καὶ ἔθηκαν τὰς μαχαίρας αὐτῶν ὑπὸ τὰς κεφαλὰς αὐτῶν· καὶ ἐγενήθησαν αἱ ἀνομίαι αὐτῶν ἐπὶ τῶν ὀστέων αὐτῶν, ὅτι ἐξεφόβησαν γίγαντας ἐν γῇ ζωῆς.
28Gij echter moet te midden van onbesnedenen begraven worden, en een plaats krijgen bij hen, die door het zwaard zijn getroffen.
28καὶ σὺ ἐν μέσῳ ἀπεριτμήτων κοιμηθήσῃ μετὰ τετραυματισμένων μαχαίρᾳ.
29Daar ligt Edom met zijn koningen en al zijn vorsten, die een rustplaats gekregen hebben bij hen, die door het zwaard zijn getroffen; ze liggen bij de onbesnedenen, en bij hen die ten grave zijn gedaald.
29ἐκεῖ ἐδόθησαν οἱ ἄρχοντες Ἀσσοὺρ οἱ δόντες τὴν ἰσχὺν αὐτοῦ εἰς τραῦμα μαχαίρας· οὗτοι μετὰ τραυματιῶν ἐκοιμήθησαν, μετὰ καταβαινόντων εἰς βόθρον.
30Daar liggen alle vorsten van het noorden en alle Sidoniërs, die gesneuveld zijn en neergedaald. Al waren ze schrikwekkend door hun heldenkracht; toch zijn ze beschaamd, liggen als onbesnedenen bij hen, die door het zwaard zijn getroffen, en dragen hun schande met hen, die ten grave zijn gedaald.
30ἐκεῖ οἱ ἄρχοντες τοῦ βορρᾶ πάντες στρατηγοὶ Ἀσσούρ, οἱ καταβαίνοντες τραυματίαι, σὺν τῷ φόβῳ αὐτῶν καὶ τῇ ἰσχύϊ αὐτῶν ἐκοιμήθησαν ἀπερίτμητοι μετὰ τραυματιῶν μαχαίρας καὶ ἀπήνεγκαν τὴν βάσανον αὐτῶν μετὰ τῶν καταβαινόντων εἰς βόθρον.
31Als Farao ze ziet, zal hij zich troosten over al zijn drommen, die door het zwaard zijn getroffen: Farao en al zijn drommen, zegt Jahweh, de Heer!
31ἐκείνους ὄψεται βασιλεὺς Φαραὼ καὶ παρακληθήσεται ἐπὶ πᾶσαν τὴν ἰσχὺν αὐτῶν, λέγει Κύριος Κύριος.
32Want ook hij was schrikwekkend in het land der levenden, maar nu krijgt hij een plaats te midden van onbesnedenen, bij hen die door het zwaard zijn getroffen: Farao en al zijn drommen, zegt Jahweh, de Heer!
32ὅτι δέδωκα τὸν φόβον αὐτοῦ ἐπὶ γῆς ζωῆς, καὶ κοιμηθήσεται ἐν μέσῳ ἀπεριτμήτων μετὰ τραυματιῶν μαχαίρας, Φαραὼ καὶ πᾶν τὸ πλῆθος αὐτοῦ, λέγει Κύριος Κύριος.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.