Ezechiel 41
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Hij leidde mij binnen in het Heilige, en mat de deurposten op; ze waren aan weerskanten zes el diep.
1ΚΑΙ εἰσήγαγέ με εἰς τὸν ναόν, ᾧ διεμέτρησε τὸ αἰλὰμ πηχῶν ἓξ τὸ πλάτος ἔνθεν
2De breedte van de deur bedroeg tien el, juist zoals die van de tent; de zijvlakken waren aan weerskanten vijf el. Hij mat de diepte op van het Heilige: die bedroeg veertig el, en de breedte: twintig el.
2καὶ πηχῶν ἓξ τὸ εὖρος τοῦ αἰλὰμ ἔνθεν, καὶ τὸ εὖρος τοῦ πυλῶνος πηχῶν δέκα, καὶ ἐπωμίδες τοῦ πυλῶνος πηχῶν πέντε ἔνθεν καὶ πηχῶν πέντε ἔνθεν· καὶ διεμέτρησε τὸ μῆκος αὐτοῦ πηχῶν τεσσαράκοντα καὶ τὸ εὖρος πηχῶν εἴκοσι.
3Daarna betrad hij het Inwendige, en mat de deurpost op, die twee el diep was. De deur was zes el breed, en de zijvlakken waren aan weerskanten zeven el.
3καὶ εἰσῆλθεν εἰς τὴν αὐλὴν τὴν ἐσωτέραν καὶ διεμέτρησε τὸ αἲλ τοῦ θυρώματος πηχῶν δύο καὶ τὸ θύρωμα πηχῶν ἓξ καὶ τὰς ἐπωμίδας τοῦ θυρώματος πηχῶν ἑπτὰ ἔνθεν καὶ πηχῶν ἑπτὰ ἔνθεν.
4Hij nam de diepte op, die twintig el bedroeg; ook de breedte bedroeg twintig el. Het lag tegen het Heilige aan; en hij verklaarde mij: dit is het Allerheiligste.
4καὶ διεμέτρησε τὸ μῆκος τῶν θυρῶν πηχῶν τεσσαράκοντα καὶ εὖρος πηχῶν εἴκοσι κατὰ πρόσωπον τοῦ ναοῦ. καὶ εἶπε· τοῦτο τὸ ἅγιον τῶν ἁγίων.
5Toen nam hij de dikte op van de wand van de tempel: die bedroeg zes el. Aan drie kanten van de tempel was er een uitbouw van vier el breedte.
5καὶ διεμέτησε τὸν τοῖχον τοῦ οἴκου πηχῶν ἓξ καὶ τὸ εὖρος τῆς πλευρᾶς πηχῶν τεσσάρων κυκλόθεν.
6Hier lagen de cellen in drie rijen van dertig cellen boven elkaar; voor de cellen waren aan alle kanten inkortingen gemaakt in de wand van de tempel, waarop de binten konden rusten; zo behoefde men voor de steunpunten geen gaten te breken in de wand van de tempel.
6καὶ τὰ πλευρὰ πλευρὸν ἐπὶ πλευρὸν τριάκοντα καὶ τρεῖς δίς, καὶ διάστημα ἐν τῷ τοίχῳ τοῦ οἴκου ἐν τοῖς πλευροῖς κύκλῳ τοῦ εἶναι τοῖς ἐπιλαμβανομένοις ὁρᾶν, ὅπως τὸ παράπαν μὴ ἅπτωνται τῶν τοίχων τοῦ οἴκου.
7Naar gelang men een verdieping hoger steeg, werden de cellen breder en ruimer; want naar boven toe was de wand van de tempel aan alle zijden van de tempel geleidelijk ingekort; daarom werd de uitbouw naar boven toe breder. Van de begane grond af kon men langs de middelste verdieping de bovenverdieping bereiken.
7καὶ τὸ εὖρος τῆς ἀνωτέρας τῶν πλευρῶν κατὰ τὸ πρόσθεμα ἐκ τοῦ τοίχου πρὸς τὴν ἀνωτέραν κύκλῳ τοῦ οἴκου, ὅπως διαπλατύνηται ἄνωθεν καὶ ἐκ τῶν κάτωθεν ἀναβαίνωσιν ἐπὶ τὰ ὑπερῷα καὶ ἐκ τῶν μέσων ἐπὶ τὰ τριώροφα.
8Aan alle kanten van de tempel zag ik als fundament van de cellen een verhoging van een volle roede, dus zes el ongeveer.
8καὶ τὸ θραὲλ τοῦ οἴκου ὕψος κύκλῳ διάστημα τῶν πλευρῶν ἴσον τῷ καλάμῳ, πηχῶν ἓξ διάστημα.
9De dikte van de buitenwand der cellen was vijf el. Er was een plein tussen de cellen van de tempel en het zalengebouw;
9καὶ εὖρος τοῦ τοίχου τῆς πλευρᾶς ἔξωθεν πηχῶν πέντε· καὶ τὰ ἀπόλοιπα ἀναμέσον τῶν πλευρῶν τοῦ οἴκου
10het had een breedte van twintig el aan drie zijden van de tempel.
10καὶ ἀναμέσον τῶν ἐξεδρῶν εὖρος πηχῶν εἴκοσι, τὸ περιφερὲς τῷ οἴκῳ κύκλῳ.
11In de uitbouw was een deur naar het plein: één deur aan de noordkant en één deur aan de zuidkant. De verhoging, die op het plein uitkwam, was aan alle kanten vijf el breed.
11καὶ αἱ θύραι τῶν ἐξεδρῶν ἐπὶ τὸ ἀπόλοιπον τῆς θύρας τῆς μιᾶς τῆς πρὸς βορρᾶν· καὶ ἡ θύρα ἡ μία πρὸς νότον, καὶ τὸ εὖρος τοῦ φωτὸς τοῦ ἀπολοίπου πηχῶν πέντε πλάτος κυκλόθεν.
12Het bijgebouw, dat aan de overzijde van het plein aan de westkant lag, was zeventig el diep; de muur van het bijgebouw was aan alle kanten vijf el dik, de lengte bedroeg negentig el.
12καὶ τὸ διορίζον κατὰ πρόσωπον τοῦ ἀπολοίπου ὡς πρὸς θάλασσαν πηχῶν ἑβδομήκοντα, πλάτος τοῦ τοίχου τοῦ διορίζοντος πηχῶν πέντε, εὖρος κυκλόθεν καὶ μῆκος αὐτοῦ πηχῶν ἐνενήκοντα.
13Hij mat de tempel op: de diepte bedroeg honderd el; ook de diepte van het plein met het bijgebouw en zijn muren bedroeg honderd el;
13καὶ διεμέτρησε κατέναντι τοῦ οἴκου μῆκος πηχῶν ἑκατόν, καὶ τὰ ἀπόλοιπα καὶ τὰ διορίζοντα καὶ οἱ τοῖχοι αὐτῶν μῆκος πηχῶν ἑκατόν,
14de voorzijde van de tempel met het plein naar het oosten was honderd el breed.
14καὶ τὸ εὖρος κατὰ πρόσωπον τοῦ οἴκου καὶ τὰ ἀπόλοιπα κατέναντι πηχῶν ἑκατόν.
15Ook mat hij de breedte op van het gebouw, dat achter de tempel, maar met zijn gevel aan het plein lag; met zijn muren aan weerszijden bedroeg de breedte honderd el. Het Heilige, het Inwendige en de voorhal, die op de binnen-voorhof uitkwam,
15καὶ διεμέτρησε μῆκος τοῦ διορίζοντος κατὰ πρόσωπον τοῦ ἀπολοίπου τῶν κατόπισθεν τοῦ οἴκου ἐκείνου καὶ τὰ ἀπόλοιπα ἔνθεν καὶ ἔνθεν πηχῶν ἑκατὸν τὸ μῆκος. καὶ ὁ ναὸς καὶ αἱ γωνίαι καὶ τὸ αἰλὰμ τὸ ἐξώτερον πεφατνωμένα,
16waren betimmerd, en schuin toelopende vensters lieten aan alle kanten licht toe in de drie ruimten. Aan alle kanten was er een houtbetimmering, van de grond tot de vensters. De vensters waren met tapijten bedekt; ook voor de toegang naar het Inwendige hing aan de buitenkant een tapijt.
16καὶ αἱ θυρίδες δικτυωταί, ὑποφαύσεις κύκλῳ τοῖς τρισὶν ὥστε διακύπτειν· καὶ ὁ οἶκος καὶ τὰ πλησίον ἐξυλωμένα κύκλῳ καὶ τὸ ἔδαφος καὶ ἐκ τοῦ ἐδάφους ἕως τῶν θυρίδων, καὶ αἱ θυρίδες ἀναπτυσσόμεναι τρισσῶς εἰς τὸ διακύπτειν.
17Op de gehele wand waren aan alle kanten, van binnen en van buiten,
17καὶ ἕως πλησίον τῆς ἐσωτέρας καὶ ἕως τῆς ἐξωτέρας καὶ ἐφ' ὅλον τὸν τοῖχον κύκλῳ ἐν τῷ ἔσωθεν καὶ ἐν τῷ ἔξωθεν
18cherubs en palmen aangebracht: tussen twee cherubs één palm. De cherubs hadden twee gezichten:
18γεγλυμμένα Χερουβίμ, καὶ φοίνικες ἀναμέσον Χερούβ καὶ Χερούβ· δύο πρόσωπα τῷ Χερούβ,
19een mensengezicht, gekeerd naar de palm aan de ene kant, en een leeuwenkop, gekeerd naar de palm aan de andere kant. Ze waren aangebracht rondom de gehele tempel.
19πρόσωπον ἀνθρώπου πρὸς τὸν φοίνικα ἔνθεν καὶ ἔνθεν καὶ πρόσωπον λέοντος πρὸς τὸν φοίνικα ἔνθεν καὶ ἔνθεν· διαγεγλυμμένος ὅλος ὁ οἶκος κυκλόθεν,
20Van de grond af tot op deurhoogte waren op de wand de cherubs en de palmen aangebracht.
20ἐκ τοῦ ἐδάφους ἕως τοῦ φατνώματος τὰ Χερουβὶμ καὶ οἱ φοίνικες διαγεγλυμμένοι.
21De deurposten van het heiligdom vormden een vierkant. Vóór het Heilige stond iets,
21καὶ τὸ ἅγιον καὶ ὁ ναὸς ἀναπτυσσόμενος τετράγωνα. κατὰ πρόσωπον τῶν ἁγίων ὅρασις ὡς ὄψις
22dat op een houten altaar geleek. Het was drie el hoog en twee el lang; het had hoornen, en de voetstukken en wanden ervan waren van hout. Hij sprak tot mij: Dit is de tafel, die vóór Jahweh’s aangezicht staat.
22θυσιαστηρίου ξυλίνου, πηχῶν τριῶν τὸ ὕψος αὐτοῦ καὶ τὸ μῆκος πηχῶν δύο καὶ τὸ εὖρος πηχῶν δύο· καὶ κέρατα εἶχε, καὶ ἡ βάσις αὐτοῦ καὶ οἱ τοῖχοι αὐτοῦ ξύλινοι· καὶ εἶπε πρός με· αὕτη ἡ τράπεζα ἡ πρὸ προσώπου Κυρίου. καὶ δύο θυρώματα τῷ ναῷ
23Het Heilige had twee deuren;
23καὶ τῷ ἁγίῳ·
24elke deur had twee draaibare deurvleugels, twee aan de éne en twee aan de andere deur;
24δύο θυρώματα τοῖς δυσὶ θυρώμασι τοῖς στροφωτοῖς, δύο θυρώματα τῷ ἑνὶ καὶ δύο θυρώματα τῇ θύρᾳ τῇ δευτέρᾳ.
25op de deuren van het Heilige waren cherubs en palmen aangebracht, juist zoals op de wanden.
25καὶ γλυφὴ ἐπ' αὐτῶν, καὶ ἐπὶ τὰ θυρώματα τοῦ ναοῦ Χερουβίμ, καὶ φοίνικες κατὰ τὴν γλυφὴν τῶν ἁγίων, καὶ σπουδαῖα ξύλα κατὰ πρόσωπον τοῦ αἰλὰμ ἔξωθεν
26Voor de voorhal was aan de buitenzijde een houten luifel; en schuin toelopende vensters en palmen bevonden zich aan weerszijden van de deurposten van de voorhal. Ook de cellen van het tempelhuis hadden een luifel.
26καὶ θυρίδες κρυπταί. καὶ διεμέτρησεν ἔνθεν καὶ ἔνθεν εἰς τὰ ὀροφώματα τοῦ αἰλὰμ καὶ τὰ πλευρὰ τοῦ οἴκου ἐζυγωμένα.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.