Ezechiel
Chapter 34
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
1ΚΑΙ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρός με λέγων·
2Mensenkind, ge moet profeteren tegen de herders van Israël. Profeteer en zeg tot de herders: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Wee de herders van Israël, die alleen zichzelven weidden! Of moeten de herders hun schápen niet weiden?
2υἱὲ ἀνθρώπου, προφήτευσον ἐπὶ τοὺς ποιμένας τοῦ Ἰσραήλ, προφήτευσον καὶ εἰπὸν τοῖς ποιμέσι· τάδε λέγει Κύριος Κύριος· ὦ ποιμένες Ἰσραήλ, μὴ βόσκουσι ποιμένες ἑαυτούς; οὐ τὰ πρόβατα βόσκουσιν οἱ ποιμένες;
3De melk drinkt ge wel op, van de wol maakt ge uw kleding, het gemeste dier slacht ge af, maar weiden doet ge de schapen niet!
3ἰδοὺ τὸ γάλα κατέσθετε καὶ τὰ ἔρια περιβάλλεσθε καὶ τὸ παχὺ σφάζετε καὶ τὰ πρόβατά μου οὐ βόσκετε.
4Het verzwakte dier hebt ge niet gesterkt, het zieke niet genezen, het gewonde niet verbonden, het verdwaalde niet teruggebracht, het vermiste niet opgezocht, en het gezonde dier hebt ge afgebeuld.
4τὸ ἠσθενηκὸς οὐκ ἐνισχύσατε καὶ τὸ κακῶς ἔχον οὐκ ἐσωματοποιήσατε καὶ τὸ συντετριμμένον οὐ κατεδήσατε καὶ τὸ πλανώμενον οὐκ ἐπεστρέψατε καὶ τὸ ἀπολωλὸς οὐκ ἐζητήσατε καὶ τὸ ἰσχυρὸν κατηργάσασθε μόχθῳ.
5Daarom zijn ze uiteengejaagd, omdat niemand ze weidde; zijn ze ten prooi gevallen aan alle wilde beesten.
5καὶ διεσπάρη τά πρόβατά μου διὰ τὸ μὴ εἶναι ποιμένας καὶ ἐγενήθη εἰς κατάβρωμα πᾶσι τοῖς θηρίοις τοῦ ἀγροῦ.
6Daarom ging mijn kudde dwalen op alle bergen en hoge heuvels, en raakten mijn schapen over heel de aarde verstrooid. Niemand die ernaar vroeg; niemand die ze zocht!
6καὶ διεσπάρη τά πρόβατά μου ἐν παντὶ ὄρει καὶ ἐπὶ πᾶν βουνὸν ὑψηλὸν καὶ ἐπὶ προσώπου πάσης τῆς γῆς διεσπάρη, καὶ οὐκ ἦν ὁ ἐκζητῶν οὐδὲ ὁ ἀποστρέφων.
7Daarom herders, luistert naar het woord van Jahweh!
7διὰ τοῦτο, ποιμένες, ἀκούσατε λόγον Κυρίου·
8Zowaar Ik leef, spreekt Jahweh, de Heer: Ik zal ze! Omdat mijn kudde geroofd werd en mijn schapen ten offer vielen aan wilde beesten, daar niemand ze weidde; en omdat mijn herders mijn schapen niet bijeenzochten, maar in plaats van mijn schapen, zichzelven weidden:
8ζῶ ἐγώ, λέγει Κύριος Κύριος, εἰ μὴν ἀντὶ τοῦ γενέσθαι τὰ πρόβατά μου εἰς προνομὴν καὶ γενέσθαι τὰ πρόβατά μου εἰς κατάβρωμα πᾶσι τοῖς θηρίοις τοῦ πεδίου, παρὰ τὸ μὴ εἶναι ποιμένας, καὶ οὐκ ἐξεζήτησαν οἱ ποιμένες τὰ πρόβατά μου, καὶ ἐβόσκησαν οἱ ποιμένες ἑαυτούς, τὰ δὲ πρόβατά μου οὐκ ἐβόσκησαν,
9daarom herders, luistert naar het woord van Jahweh!
9ἀντὶ τούτου, ποιμένες,
10Zo spreekt Jahweh, de Heer: Ik krijg die herders! Ik zal mijn kudde van hen terugeisen, en hen beletten nog ooit mijn schapen te weiden! Dan zal het gedaan zijn met dat zichzelven maar weiden; dan zal Ik mijn kudde uit hun muil bevrijden, en vallen ze hun nooit meer ten prooi!
10τάδε λέγει Κύριος Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ ἐπὶ τοὺς ποιμένας καὶ ἐκζητήσω τὰ πρόβατά μου ἐκ τῶν χειρῶν αὐτῶν καὶ ἀποστρέψω αὐτοὺς τοῦ μὴ ποιμαίνειν τὰ πρόβατά μου, καὶ οὐ βοσκήσουσιν ἔτι οἱ ποιμένες αὐτά· καὶ ἐξελοῦμαι τὰ πρόβατά μου ἐκ τοῦ στόματος αὐτῶν. καὶ οὐκ ἔσονται αὐτοῖς ἔτι εἰς κατάβρωμα.
11Want dit zegt Jahweh, de Heer: Hier ben Ik zelf! Ik ga zelf naar mijn schapen omzien en ze verzorgen.
11διότι τάδε λέγει Κύριος Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ ἐκζητήσω τὰ πρόβατά μου καὶ ἐπισκέψομαι αὐτά.
12Zoals een herder omziet naar zijn kudde, als er een deel van zijn schapen verstrooid is, zo ga ook Ik voor mijn kudde zorgen.
12ὥσπερ ζητεῖ ὁ ποιμὴν τὸ ποίμνιον αὐτοῦ ἐν ἡμέρᾳ, ὅταν ᾖ γνόφος καὶ νεφέλη ἐν μέσῳ προβάτων διακεχωρισμένων, οὕτως ἐκζητήσω τά πρόβατά μου καὶ ἀπελάσω αὐτὰ ἀπὸ παντὸς τόπου, οὗ διεσπάρησαν ἐκεῖ ἐν ἡμέρᾳ νεφέλης καὶ γνόφου.
13Ik zal ze terugbrengen uit alle plaatsen, waarheen ze waren verstrooid op de dag van wolken en nevel. Ik zal ze terugvoeren uit de volken, hen bijeenbrengen uit de landen, hen leiden naar hun eigen grond, hen weiden op Israëls bergen, in de dalen en in alle bewoonde streken van het land.
13καὶ ἐξάξω αὐτοὺς ἐκ τῶν ἐθνῶν καὶ συνάξω αὐτοὺς ἀπὸ τῶν χωρῶν καὶ εἰσάξω αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν αὐτῶν καὶ βοσκήσω αὐτοὺς ἐπὶ τὰ ὄρη Ἰσραὴλ καὶ ἐν ταῖς φάραγξι καὶ ἐν πάσῃ κατοικίᾳ τῆς γῆς·
14Dan weid Ik ze op een vette grond, en op de bergen van Israëls hoogland zullen ze rusten; daar zullen ze zich neervlijen in het malse groen, en grazen ze de vette weiden af op Israëls bergen.
14ἐν νομῇ ἀγαθῇ βοσκήσω αὐτοὺς καὶ ἐν τῷ ὄρει τῷ ὑψηλῷ Ἰσραὴλ ἔσονται αἱ μάνδραι αὐτῶν· ἐκεῖ κοιμηθήσονται καὶ ἐκεῖ ἀναπαύσονται ἐν τρυφῇ ἀγαθῇ, καὶ ἐν νομῇ πίονι βοσκηθήσονται ἐπὶ τῶν ὀρέων Ἰσραήλ.
15Ik zal mijn schapen zelf weiden, ze zelf laten legeren, zegt Jahweh, de Heer.
15ἐγὼ βοσκήσω τὰ πρόβατά μου καὶ ἐγὼ ἀναπαύσω αὐτά, καὶ γνώσονται ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος. τάδε λέγει Κύριος Κύριος·
16Het vermiste dier zoek Ik op, het verdwaalde breng Ik terug; het gewonde zal Ik verbinden, het verzwakte sterken, het vette en gezonde dier blijven verzorgen. Ik zal ze weiden, zoals het behoort!
16τὸ ἀπολωλὸς ζητήσω καὶ τὸ πλανώμενον ἐπιστρέψω καὶ τὸ συντετριμμένον καταδήσω καὶ τὸ ἐκλεῖπον ἐνισχύσω καὶ τὸ ἰσχυρὸν φυλάξω καὶ βοσκήσω αὐτὰ μετὰ κρίματος.
17En nu mijn kudde, wat u zelf betreft, zegt Jahweh, de Heer: Ik zal het ene schaap van het andere scheiden; de rammen van de bokken.
17καὶ ὑμεῖς, πρόβατα, τάδε λέγει Κύριος Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ διακρινῶ ἀναμέσον προβάτου καὶ προβάτου, κριῶν καὶ τράγων.
18Is het u niet voldoende, op de beste weide te grazen, dat ge met uw hoeven het overig weiland vertrapt; of van het klaarste water te drinken, dat ge met uw poten de rest van het water bevuilt?
18καὶ οὐχ ἱκανὸν ὑμῖν ὅτι τὴν καλὴν νομὴν ἐνέμεσθε, καὶ τὰ κατάλοιπα τῆς νομῆς ὑμῶν κατεπατεῖτε τοῖς ποσὶν ὑμῶν; καὶ τὸ καθεστηκὸς ὕδωρ ἐπίνετε, καὶ τὸ λοιπὸν τοῖς ποσὶν ὑμῶν ἐταράσσετε;
19Moet dan mijn kudde grazen wat uw hoeven hebben vertrapt, drinken wat uw poten hebben bevuild?
19καὶ τὰ πρόβατά μου τὰ πατήματα τῶν ποδῶν ὑμῶν ἐνέμοντο καὶ τὸ τεταραγμένον ὕδωρ ὑπὸ τῶν ποδῶν ὑμῶν ἔπινον;
20Daarom zegt Jahweh, de Heer: Ik kom op u af, om recht te doen tussen het vetgemeste schaap en het magere dier;
20διὰ τοῦτο τάδε λέγει Κύριος Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ διακρινῶ ἀναμέσον προβάτου ἰσχυροῦ καὶ ἀναμέσον προβάτου ἀσθενοῦς.
21want ge hebt zolang met flank en schouder alle zwakke dieren gedrongen en met uw horens gestoten, tot ze buiten de weide gejaagd zijn.
21ἐπὶ ταῖς πλευραῖς καὶ τοῖς ὤμοις ὑμῶν διωθεῖσθε καὶ τοῖς κέρασιν ὑμῶν ἐκερατίζετε καὶ πᾶν τὸ ἐκλεῖπον ἐξεθλίβετε.
22Ik zal mijn schapen redden, zodat ze niet meer worden geroofd; maar ook zal Ik recht doen tussen het ene schaap en het andere!
22καὶ σώσω τὰ πρόβατά μου, καὶ οὐ μὴ ὦσιν ἔτι εἰς προνομήν, καὶ κρινῶ ἀναμέσον κριοῦ πρὸς κριόν.
23Ik zal over hen één Herder aanstellen, om ze te hoeden: mijn dienaar David. Die zal ze weiden, een echte herder voor hen zijn.
23καὶ ἀναστήσω ἐπ' αὐτοὺς ποιμένα ἕνα καὶ ποιμανεῖ αὐτούς, τὸν δοῦλόν μου Δαυίδ, καὶ ἔσται αὐτῶν ποιμήν·
24Ik, Jahweh, zal hun God zijn, en mijn dienaar David een vorst in hun midden; Ik, Jahweh, heb het gezegd!
24καὶ ἐγὼ Κύριος ἔσομαι αὐτοῖς εἰς Θεόν, καὶ Δαυὶδ ἄρχων ἐν μέσῳ αὐτῶν· ἐγὼ Κύριος ἐλάλησα.
25Ik zal met hen een bond van vrede sluiten, en de wilde beesten uit het land verjagen, zodat zij zelfs op de steppe nog veilig zijn, en in de bossen rustig kunnen slapen.
25καὶ διαθήσομαι τῷ Δαυὶδ διαθήκην εἰρήνης καὶ ἀφανιῶ θηρία πονηρὰ ἀπὸ τῆς γῆς, καὶ κατοικήσουσιν ἐν τῇ ἐρήμῳ καὶ ὑπνώσουσιν ἐν τοῖς δρυμοῖς.
26Op zijn tijd zal Ik milde regen geven, en de buien laten stromen: malse buien!
26καὶ δώσω αὐτοὺς περικύκλῳ τοῦ ὄρους μου· καὶ δώσω τὸν ὑετὸν ὑμῖν, ὑετὸν εὐλογίας.
27zodat de bomen op het veld hun vruchten dragen, en de akker zijn opbrengst zal geven. Dan zullen ze rustig wonen op hun grond, en erkennen, dat Ik Jahweh ben, als Ik de stangen van hun juk heb verbroken, hen uit de vuist van hun verdrukkers heb bevrijd.
27καὶ τὰ ξύλα τὰ ἐν τῷ πεδίῳ δώσει τὸν καρπὸν αὐτῶν, καὶ ἡ γῆ δώσει τὴν ἰσχὺν αὐτῆς, καὶ κατοικήσουσιν ἐπὶ τῆς γῆς αὐτῶν ἐν ἐλπίδι εἰρήνης, καὶ γνώσονται ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος ἐν τῷ συντρίψαι με τὸν ζυγὸν αὐτῶν· καὶ ἐξελοῦμαι αὐτοὺς ἐκ χειρὸς τῶν καταδουλωσαμένων αὐτούς.
28Nooit meer zullen ze een prooi der volken worden, of zullen wilde beesten hen verscheuren; in veiligheid zullen ze wonen, en niemand schrikt ze weer op!
28καὶ οὐκ ἔσονται ἔτι ἐν προνομῇ τοῖς ἔθνεσι, καὶ τὰ θηρία τῆς γῆς οὐκέτι μὴ φάγωσιν αὐτούς· καὶ κατοικήσουσιν ἐν ἐλπίδι, καὶ οὐκ ἔσται ὁ ἐκφοβῶν αὐτούς.
29Ik zal hun gewassen welig doen groeien, zodat er niemand in het land van honger meer omkomt, en ze de spot der volken niet meer hoeven te dragen.
29καὶ ἀναστήσω αὐτοῖς φυτὸν εἰρήνης, καὶ οὐκέτι ἔσονται ἀπολλύμενοι λιμῷ ἐπὶ τῆς γῆς καὶ ὀνειδισμὸν ἐθνῶν οὐ μὴ ἐνέγκωσιν ἔτι.
30Zo zullen ze erkennen, dat Ik, Jahweh, hun God ben, en dat Israëls huis mijn volk is, zegt Jahweh, de Heer.
30καὶ γνώσονται ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος ὁ Θεὸς αὐτῶν, καὶ αὐτοὶ λαός μου, οἶκος Ἰσραήλ, λέγει Κύριος Κύριος.
31Ja, gij zijt mijn kudde, mijn eigen schapen; en Ik ben uw God, zegt Jahweh, de Heer!.
31πρόβατά μου καὶ πρόβατα ποιμνίου μού ἐστε, καὶ ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν, λέγει Κύριος Κύριος.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.