Ezechiel 33
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
1ΚΑΙ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρός με λέγων·
2Mensenkind, ge moet uw volksgenoten toespreken, en tot hen zeggen: Gesteld, Ik laat het zwaard los op een land, en de burgers kiezen iemand uit hun midden en stellen hem aan als hun wachter.
2Υἱὲ ἀνθρώπου, λάλησον τοῖς υἱοῖς τοῦ λαοῦ σου καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· γῆ, ἐφ' ἣν ἂν ἐπάγω ρομφαίαν, καὶ λάβῃ ὁ λαὸς τῆς γῆς ἄνθρωπον ἕνα ἐξ αὐτῶν καὶ δῶσιν αὐτὸν ἑαυτοῖς εἰς σκοπόν,
3Wanneer deze nu het zwaard op het land ziet afkomen, alarm blaast en de bevolking waarschuwt,
3καὶ ἴδῃ τὴν ρομφαίαν ἐρχομένην ἐπὶ τὴν γῆν καὶ σαλπίσῃ τῇ σάλπιγγι καὶ σημάνῃ τῷ λαῷ,
4maar hij die het hoorngeschal verneemt, zich niet laat waarschuwen, zodat het zwaard komt en hem treft: dan komt zijn bloed op zijn eigen hoofd neer.
4καὶ ἀκούσῃ ὁ ἀκούσας τὴν φωνὴν τῆς σάλπιγγος καὶ μὴ φυλάξηται, καὶ ἐπέλθῃ ἡ ρομφαία καὶ καταλάβῃ αὐτόν, τὸ αἷμα αὐτοῦ ἐπὶ τῆς κεφαλῆς αὐτοῦ ἔσται·
5Hoewel hij het hoorngeschal vernam, heeft hij zich niet laten waarschuwen; zijn bloed komt dus neer op hemzelf. Maar de ander heeft gewaarschuwd, en daardoor zijn leven gered.
5ὅτι τὴν φωνὴν τῆς σάλπιγγος ἀκούσας οὐκ ἐφυλάξατο, τὸ αἷμα αὐτοῦ ἐπ' αὐτοῦ ἔσται, καὶ οὗτος ὅτι ἐφυλάξατο, τὴν ψυχὴν αὐτοῦ ἐξείλατο.
6Maar gesteld, de wachter ziet het zwaard aankomen en hij blaast geen alarm, zodat het volk niet wordt gewaarschuwd. Komt dan het zwaard en treft het iemand van hen, dan wordt die wel getroffen om zijn eigen schuld, maar van zijn bloed zal Ik den wachter rekenschap vragen.
6καὶ ὁ σκοπός, ἐὰν ἴδῃ τὴν ρομφαίαν ἐρχομένην καὶ μὴ σημάνῃ τῇ σάλπιγγι, καὶ ὁ λαὸς μὴ φυλάξηται, καὶ ἐλθοῦσα ἡ ρομφαία λάβῃ ἐξ αὐτῶν ψυχήν, αὕτη διὰ τὴν αὐτῆς ἀνομίαν ἐλήφθη, καὶ τὸ αἷμα ἐκ χειρὸς τοῦ σκοποῦ ἐκζητήσω.
7Mensenkind, zó heb Ik ú aangesteld als wachter over Israëls huis. Wanneer ge iets van Mij verneemt, moet ge hen waarschuwen namens Mij.
7καὶ σύ, υἱὲ ἀνθρώπου, σκοπὸν δέδωκά σε τῷ οἴκῳ Ἰσραήλ, καὶ ἀκούσῃ ἐκ στόματός μου λόγον.
8Zeg Ik tot den zondaar: Zondaar, ge zult zeker sterven; maar doet gij uw mond niet open, om den zondaar voor zijn gedrag te waarschuwen, dan zal die zondaar wel om zijn eigen schuld sterven, maar van zijn bloed zal Ik ú rekenschap vragen.
8ἐν τῷ εἰπεῖν με τῷ ἁμαρτωλῷ· θανάτῳ θανατωθήσῃ, καὶ μὴ λαλήσῃς τοῦ φυλάξασθαι τὸν ἀσεβῆ ἀπὸ τῆς ὁδοῦ αὐτοῦ, αὐτὸς ὁ ἄνομος τῇ ἀνομίᾳ αὐτοῦ ἀποθανεῖται, τὸ δὲ αἷμα αὐτοῦ ἐκ τῆς χειρός σου ἐκζητήσω.
9Maar hebt gij den zondaar gewaarschuwd, dat hij zich bekeren moet, en betert hij zijn leven niet, dan zal hij om zijn eigen schuld sterven, maar zelf hebt ge uw leven gered.
9σὺ δὲ ἐὰν προαπαγγείλῃς τῷ ἀσεβεῖ τὴν ὁδὸν αὐτοῦ τοῦ ἀποστρέψαι ἀπ' αὐτῆς, καὶ μὴ ἀποστρέψῃ ἀπὸ τῆς ὁδοῦ αὐτοῦ, οὗτος τῇ ἀσεβείᾳ αὐτοῦ ἀποθανεῖται, καὶ σὺ τὴν ψυχὴν σεαυτοῦ ἐξήρησαι.
10Mensenkind, ge moet tot het huis van Israël zeggen: Zo redeneert ge maar: “Ja, onze misdaden en onze zonden drukken toch op ons, daardoor vergaan wij; hoe zouden wij dus kunnen leven?”
10Καὶ σύ, υἱὲ ἀνθρώπου, εἰπὸν τῷ οἴκῳ Ἰσραήλ· οὕτως ἐλαλήσατε λέγοντες· αἱ πλάναι ἡμῶν καὶ αἱ ἀνομίαι ἡμῶν ἐφ' ἡμῖν εἰσι καὶ ἐν αὐταῖς ἡμεῖς τηκόμεθα· καὶ πῶς ζηζόμεθα;
11Ge moet tot hen zeggen: Zowaar Ik leef, spreekt Jahweh, de Heer: Ik verheug Mij erover, niet dat de zondaar sterft, maar dat de zondaar zijn gedrag verbetert en blijft leven! Bekeert u, bekeert u van uw zondig gedrag; want waarom zoudt ge sterven, huis van Israël?
11εἰπὸν αὐτοῖς· ζῶ ἐγώ, τάδε λέγει Κύριος, οὐ βούλομαι τὸν θάνατον τοῦ ἀσεβοῦς ὡς τὸ ἀποστρέψαι τὸν ἀσεβῆ ἀπὸ τῆς ὁδοῦ αὐτοῦ καὶ ζῆν αὐτόν. ἀποστροφῇ ἀποστρέψατε ἀπὸ τῆς ὁδοῦ ὑμῶν· καί ἱνατί ἀποθνήσκετε, οἶκος Ἰσραήλ;
12Mensenkind, ge moet tot uw volksgenoten zeggen: De deugd van den rechtschapene zal hem niet baten zodra hij zondigt, en de boosheid van den zondaar zal voor hem geen beletsel zijn, als hij zich van zijn boosheid bekeert; néén, de deugd van den rechtschapene zal hem niet in leven laten, als hij zondigt.
12εἰπὸν πρὸς τοὺς υἱοὺς τοῦ λαοῦ σου· δικαιοσύνη δικαίου οὐ μὴ ἐξελεῖται αὐτὸν ἐν ᾗ ἂν ἡμέρᾳ πλανηθῇ, καὶ ἀνομία ἀσεβοῦς οὐ μὴ κακώσῃ αὐτὸν ἐν ᾗ ἂν ἡμέρᾳ ἀποστρέψῃ ἀπὸ τῆς ἀνομίας αὐτοῦ· καὶ δίκαιος οὐ μὴ δύνηται σωθῆναι.
13Al heb Ik ook tot den rechtschapene gezegd: ge zult blijven leven; maar vertrouwend op zijn verdiensten gaat hij slecht leven, dan zal al zijn deugd hem niet baten; hij zal sterven, om het kwaad dat hij gedaan heeft.
13ἐν τῷ εἰπεῖν με τῷ δικαίῳ· οὗτος πέποιθεν ἐπὶ τῇ δικαιοσύνῃ αὐτοῦ, καὶ ποιήσει ἀνομίαν, πᾶσαι αἱ δικαιοσύναι αὐτοῦ οὐ μὴ ἀναμνησθῶσιν· ἐν τῇ ἀδικίᾳ αὐτοῦ, ᾗ ἐποίησεν, ἐν αὐτῇ ἀποθανεῖται.
14En al heb Ik ook tot den zondaar gezegd: de dood zult ge sterven; maar hij bekeert zich van zijn zonde en handelt naar wet en recht:
14καὶ ἐν τῷ εἰπεῖν με τῷ ἀσεβεῖ· θανάτῳ θανατωθήσῃ, καὶ ἀποστρέψει ἀπὸ τῆς ἁμαρτίας αὐτοῦ καὶ ποιήσει κρίμα καὶ δικαιοσύνην
15hij geeft een pand terug, betaalt het gestolen goed en onderhoudt de voorschriften des levens zonder kwaad te doen; dan zal hij zeker in leven blijven, en niet sterven!
15καὶ ἐνεχύρασμα ἀποδῷ καὶ ἅρπαγμα ἀποτίσει, ἐν προστάγμασι ζωῆς διαπορεύηται τοῦ μὴ ποιῆσαι ἄδικον, ζωῇ ζήσεται καὶ οὐ μὴ ἀποθάνῃ.
16Van zijn vroegere zonden zal hem niets toegerekend worden; naar wet en recht heeft hij gehandeld, hij zal dus zeker in leven blijven.
16πᾶσαι αἱ ἁμαρτίαι αὐτοῦ, ἃς ἥμαρτεν, οὐ μὴ ἀναμνησθῶσιν, ὅτι κρίμα καὶ δικαιοσύνην ἐποίησεν, ἐν αὐτοῖς ζήσεται.
17En dan zeggen uw volksgenoten: “De weg des Heren is niet recht!” Neen, hun eigen weg is krom!
17καὶ ἐροῦσιν οἱ υἱοὶ τοῦ λαοῦ σου· οὐκ εὐθεῖα ἡ ὁδὸς τοῦ Κυρίου· καὶ αὕτη ἡ ὁδὸς αὐτῶν οὐκ εὐθεῖα.
18Als een rechtschapene terugkomt op zijn deugd en slecht gaat leven, dan zal hij daarom sterven;
18ἐν τῷ ἀποστρέψαι δίκαιον ἀπὸ τῆς δικαιοσύνης αὐτοῦ καὶ ποιήσει ἀνομίας, καὶ ἀποθανεῖται ἐν αὐταῖς·
19maar bekeert een zondaar zich van zijn boosheid en handelt hij naar wet en recht, dan zal hij daarom leven.
19καὶ ἐν τῷ ἀποστρέψαι τὸν ἁμαρτωλὸν ἀπὸ τῆς ἀνομίας αὐτοῦ καὶ ποιήσει κρίμα καὶ δικαιοσύνην, ἐν αὐτοῖς αὐτὸς ζήσεται.
20En al zegt ge: “de weg des Heren is niet recht!” toch zal Ik ieder van u richten naar zijn gedrag, huis van Israël!
20καὶ τοῦτό ἐστιν, ὃ εἴπατε· οὐκ εὐθεῖα ἡ ὁδὸς Κυρίου· ἕκαστον ἐν ταῖς ὁδοῖς αὐτοῦ κρινῶ ὑμᾶς, οἶκος Ἰσραήλ.
21In het twaalfde jaar van onze verbanning, op de vijfde van de tiende maand, kwam de vluchteling uit Jerusalem naar mij toe met de tijding: De stad is gevallen!
21Καὶ ἐγενήθη ἐν τῷ δωδεκάτῳ ἔτει, ἐν τῷ δωδεκάτῳ μηνί, πέμπτῃ τοῦ μηνὸς τῆς αἰχμαλωσίας ἡμῶν, ἦλθε πρός με ὁ ἀνασωθεὶς ἀπὸ Ἱερουσαλὴμ λέγων· ἑάλω ἡ πόλις.
22‘s Avonds, voordat de vluchteling kwam, had de hand van Jahweh mij aangeraakt en mijn mond geopend. Toen dan ‘s morgens de vluchteling bij mij kwam, was mijn mond weer geopend, en was ik niet langer stom.
22καὶ χεὶρ Κυρίου ἐγενήθη ἐπ' ἐμὲ ἑσπέρας πρὶν ἐλθεῖν αὐτὸν καὶ ἤνοιξέ μου τὸ στόμα, ἕως ἦλθε πρός με τὸ πρωΐ, καὶ ἀνοιχθὲν τὸ στόμα μου οὐ συνεσχέθη ἔτι.
23En het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
23καὶ ἐγενήθη λόγος Κυρίου πρός με λέγων·
24Mensenkind, de bewoners van die puinhopen op Israëls grondgebied zeggen: Abraham was maar alleen, en toch bezat hij het land; nu zijn we met velen, daarom is ons het land in bezit gegeven!
24υἱὲ ἀνθρώπου, οἱ κατοικοῦντες τὰς ἠρημωμένας ἐπὶ τῆς γῆς τοῦ Ἰσραὴλ λέγουσιν· εἷς ἦν Ἁβραὰμ καὶ κατέσχε τὴν γῆν, καὶ ἡμεῖς πλείους ἐσμέν, ἡμῖν δέδοται ἡ γῆ εἰς κατάσχεσιν.
25Daarom moet ge tot hen zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Op de bergen houdt ge een offermaal, ge slaat uw ogen naar uw schandgoden op en ge vergiet bloed; zult ge dan het land bezitten?
25διὰ τοῦτο εἰπὸν αὐτοῖς·
26Ge verlaat u op uw zwaard, ge bedrijft gruwelen en onteert elkanders vrouw; zult ge dan het land bezitten?
no verse 26 in this text
27Neen, dit moet ge hun zeggen: Dit zegt Jahweh, de Heer! Zo waar Ik leef: zij die op de puinhopen leven, zullen neergesabeld worden; die in het open veld wonen, geef Ik aan de dieren te verslinden; en die in spelonken of holen verblijven, zullen sterven aan de pest!
27τάδε λέγει Κύριος Κύριος· ζῶ ἐγώ, εἰ μὴν οἱ ἐν ταῖς ἠρημωμέναις μαχαίρᾳ πεσοῦνται, καὶ οἱ ἐπὶ προσώπου τοῦ πεδίου τοῖς θηρίοις τοῦ ἀγροῦ δοθήσονται εἰς κατάβρωμα, καὶ τοὺς ἐν ταῖς τετειχισμέναις καὶ τοὺς ἐν τοῖς σπηλαίοις θανάτῳ ἀποκτενῶ.
28Ik zal het land tot een eenzame steppe maken; er zal een einde komen aan zijn overmoedige trots, en de bergen van Israël zullen een wildernis zijn, die niemand durft betreden.
28καὶ δώσω τὴν γῆν ἔρημον, καὶ ἀπολεῖται ἡ ὕβρις τῆς ἰσχύος αὐτῆς, καὶ ἐρημωθήσεται τὰ ὄρη τοῦ Ἰσραὴλ διὰ τὸ μὴ εἶναι διαπορευόμενον.
29Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben, als Ik het land tot een eenzame steppe heb gemaakt om al de gruwelen, die ze hebben bedreven!
29καὶ γνώσονται ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος· καὶ ποιήσω τὴν γῆν αὐτῶν ἔρημον, καὶ ἐρημωθήσεται διὰ πάντα τὰ βδελύγματα αὐτῶν, ἃ ἐποίησαν.
30Mensenkind, uw volksgenoten voeren gesprekken over u bij de muren en aan de huisdeuren. Ze zeggen tot elkaar: Laten we eens gaan horen, wat woord van Jahweh is uitgegaan.
30καὶ σύ, υἱὲ ἀνθρώπου, οἱ υἱοὶ τοῦ λαοῦ σου οἱ λαλοῦντες περὶ σοῦ παρὰ τὰ τείχη καὶ ἐν τοῖς πυλῶσι τῶν οἰκιῶν καὶ λαλοῦσιν ἄνθρωπος τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ λέγοντες· συνέλθωμεν καὶ ἀκούσωμεν τὰ ἐκπορευόμενα παρὰ Κυρίου,
31Dan komen ze bij u in dichte drommen, gaan voor u zitten, en luisteren wel naar uw woorden, maar ze doen er niet naar; want ze hebben leugens op hun lippen, en hun hart is gehecht aan hun voordeel.
31ἔρχονται πρός σε, ὡς συμπορεύεται λαός, καὶ κάθηνται ἐναντίον σου καὶ ἀκούουσι τὰ ρήματά σου, καὶ αὐτὰ οὐ μὴ ποιήσουσιν, ὅτι ψεῦδος ἐν τῷ στόματι αὐτῶν, καὶ ὀπίσω τῶν μιασμάτων ἡ καρδία αὐτῶν.
32Daarom zijt ge voor hen maar een liedjeszanger, die een mooie stem heeft en goed kan spelen; ze luisteren wel naar uw woorden, maar ze doen er niet naar.
32καὶ γίνῃ αὐτοῖς ὡς φωνὴ ψαλτηρίου ἡδυφώνου, εὐαρμόστου, καὶ ἀκούσονταί σου τὰ ρήματα καὶ οὐ μὴ ποιήσουσιν αὐτά.
33Maar als het uitkomt, en het komt zeker uit: dan zullen ze erkennen, dat er onder hen een profeet is geweest!
33καὶ ἡνίκα ἐὰν ἔλθῃ, ἐροῦσιν· ἰδοὺ ἥκει· καὶ γνώσονται ὅτι προφήτης ἦν ἐν μέσῳ αὐτῶν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.