Ezechiel 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1In het zesde jaar, de vijfde van de zesde maand, was ik in mijn huis, en zaten Juda’s ouden voor mij, toen daar de hand van Jahweh op mij kwam.
1ΚΑΙ ἐγένετο ἐν τῷ ἕκτῳ ἔτει ἐν τῷ πέμπτῳ μηνί, πέμπτῃ τοῦ μηνός, ἐγὼ ἐκαθήμην ἐν τῷ οἴκῳ, καὶ οἱ πρεσβύτεροι Ἰούδα ἐκάθηντο ἐνώπιόν μου, καὶ ἐγένετο ἐπ᾿ ἐμὲ χεὶρ Κυρίου,
2Ik aanschouwde een gedaante, die op een man geleek; het gedeelte beneden zijn heupen was vuur, en het gedeelte boven zijn heupen was als het ware een hemelse gloed, blinkend als glanzend metaal.
2καὶ εἶδον καὶ ἰδοὺ ὁμοίωμα ἀνδρός, ἀπὸ τῆς ὀσφύος αὐτοῦ καὶ ἕως κάτω πῦρ, καὶ ἀπὸ τῆς ὀσφύος αὐτοῦ ὑπεράνω αὐτοῦ ὡς ὅρασις ἠλέκτρου.
3Hij stak de vorm van een hand uit, en greep me bij een haarlok vast; een geest verhief me tussen hemel en aarde, en bracht me in goddelijke visioenen naar Jerusalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort.
3καὶ ἐξέτεινεν ὁμοίωμα χειρὸς καὶ ἀνέλαβέ με τῆς κορυφῆς μου καὶ ἀνέλαβέ με πνεῦμα ἀναμέσον τῆς γῆς καὶ ἀναμέσον τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἤγαγέ με εἰς Ἱερουσαλὴμ ἐν ὁράσει Θεοῦ ἐπὶ τὰ πρόθυρα τῆς πύλης τῆς ἐσωτέρας τῆς βλεπούσης εἰς βορρᾶν, οὗ ἦν ἡ στήλη τοῦ κτωμένου.
4En zie, daar stond de heerlijkheid van Israëls God, zoals ik die in de vallei aanschouwd had.
4καὶ ἰδού, ἦν ἐκεῖ δόξα Κυρίου Θεοῦ Ἰσραὴλ κατὰ τὴν ὅρασιν, ἣν εἶδον ἐν τῷ πεδίῳ.
5Hij sprak tot mij: Mensenkind, sla uw ogen op naar het noorden; en toen ik naar het noorden keek, aanschouwde ik ten noorden van de poort het altaar van het beeld der ijverzucht, dat daar aan de ingang stond!
5καὶ εἶπε πρός με· υἱὲ ἀνθρώπου, ἀνάβλεψον τοῖς ὀφθαλμοῖς σου πρὸς βορρᾶν· καὶ ἀνέβλεψα τοῖς ὀφθαλμοῖς μου πρὸς βορρᾶν, καὶ ἰδοὺ ἀπὸ βορρᾶ ἐπὶ τὴν πύλην τὴν πρὸς ἀνατολάς.
6Toen vroeg Hij mij: Mensenkind, ziet ge wat men doet; de enorme gruwelen, die het huis van Israël hier bedrijft? Moet Ik dan niet uit mijn heiligdom heengaan? Maar ge zult nog erger gruwelen aanschouwen!
6καὶ εἶπε πρός με· υἱὲ ἀνθρώπου, ἑώρακας τί οὗτοι ποιοῦσιν; ἀνομίας μεγάλας ποιοῦσιν ὧδε τοῦ ἀπέχεσθαι ἀπὸ τῶν ἁγίων μου, καὶ ἔτι ὄψει ἀνομίας μείζονας.
7Daarop bracht Hij mij naar de ingang van de voorhof; en toen ik een scheur in de muur ontwaarde,
7καὶ εἰσήγαγέ με ἐπὶ τὰ πρόθυρα τῆς αὐλῆς
8sprak Hij tot mij: Mensenkind, breek maar door de muur heen! Ik brak door de muur heen, en daar zag ik een deur.
8καὶ εἶπε πρός με· υἱὲ ἀνθρώπου, ὄρυξον· καὶ ὤρυξα, καὶ ἰδοὺ θύρα μία.
9Nu sprak Hij tot mij: Kom de erge gruwelen zien, die men hier bedrijft!
9καὶ εἶπε πρός με· εἴσελθε καὶ ἰδὲ τάς ἀνομίας, ἃς οὗτοι ποιοῦσιν ὧδε.
10Ik ging naar binnen, en aanschouwde allerlei afbeeldingen van kruipend en afschuwelijk gedierte aan alle kanten op de wand gegrift: allemaal schandgoden van Israëls huis.
10καὶ εἰσῆλθον καὶ εἶδον καὶ ἰδοὺ μάταια βδελύγματα καὶ πάντα τὰ εἴδωλα οἴκου Ἰσραὴλ διαγεγραμμένα ἐπ᾿ αὐτοῦ κύκλῳ,
11Zeventig mannen van de oudsten uit het huis van Israël, waaronder ook Jaäzanja, de zoon van Sjafan, stonden daarvoor overeind, ieder met zijn wierookpan in de hand, zodat een dikke wierookwalm opsteeg.
11καὶ ἑβδομήκοντα ἄνδρες ἐκ τῶν πρεσβυτέρων οἴκου Ἰσραήλ, καὶ Ἰεζονίας ὁ τοῦ Σαφὰν ἐν μέσῳ αὐτῶν εἱστήκει πρὸ προσώπου αὐτῶν, καὶ ἕκαστος θυμιατήριον αὐτοῦ εἶχεν ἐν τῇ χειρί, καὶ ἡ ἀτμὶς τοῦ θυμιάματος ἀνέβαινε.
12En Hij sprak tot mij: Ziet ge, mensenkind, wat de oudsten van Israëls huis in het donker doen; hoe ieder zijn beelden bewierookt? Want ze denken: “Jahweh ziet ons niet; Jahweh heeft het land verlaten!”
12καὶ εἶπε πρός με· ἑώρακας, υἱὲ ἀνθρώπου, ἃ οἱ πρεσβύτεροι οἴκου Ἰσραὴλ ποιοῦσιν, ἕκαστος αὐτῶν ἐν τῷ κοιτῶνι τῷ κρυπτῷ αὐτῶν; διότι εἶπαν· οὐχ ὁρᾷ ὁ Κύριος, ἐγκαταλέλοιπε Κύριος τὴν γῆν.
13Maar, ging Hij voort, ge zult nog erger gruwelen zien, dan zij hier bedrijven!
13καὶ εἶπε πρός με· ἔτι ὄψει ἀνομίας μείζονας, ἃς οὗτοι ποιοῦσι.
14Daarna bracht Hij mij naar de ingang van de noordelijke poort van Jahweh’s huis: daar zaten de vrouwen den Tammoez te bewenen!
14καὶ εἰσήγαγέ με ἐπὶ τὰ πρόθυρα τῆς πύλης οἴκου Κυρίου τῆς βλεπούσης πρὸς βορρᾶν, καὶ ἰδοὺ ἐκεῖ γυναῖκες καθήμεναι θρηνοῦσαι τὸν Θαμμούζ,
15En Hij sprak tot mij: Ziet ge dit, mensenkind? Ge zult nog erger gruwelen dan deze aanschouwen!
15καὶ εἶπε πρός με· υἱὲ ἀνθρώπου, ἑώρακας; καὶ ἔτι ὄψει ἐπιτηδεύματα μείζονα τούτων.
16Ten slotte bracht Hij mij naar de binnenvoorhof van Jahweh’s huis; daar stonden aan de ingang van Jahweh’s heiligdom, tussen het voorportaal en het altaar, ongeveer vijf en twintig man; ze hadden de rug naar Jahweh’s heiligdom gekeerd, en naar het oosten starend, bogen ze zich neer naar de zon in het oosten.
16καὶ εἰσήγαγέ με εἰς τὴν αὐλὴν οἴκου Κυρίου τὴν ἐσωτέραν, καὶ ἰδοὺ ἐπὶ τῶν προθύρων τοῦ ναοῦ Κυρίου ἀναμέσον τῶν αἰλὰμ καὶ ἀναμέσον τοῦ θυσιαστηρίου ὡς εἴκοσι ἄνδρες, τὰ ὀπίσθια αὐτῶν πρὸς τὸν ναὸν τοῦ Κυρίου καὶ τὰ πρόσωπα αὐτῶν ἀπέναντι, καὶ οὗτοι προσκυνοῦσι τῷ ἡλίῳ·
17Weer sprak Hij tot mij: Ziet ge dit, mensenkind? Zijn de gruwelen, die men hier bedrijft, voor het volk van Juda niet voldoende; moeten ze dan nog het land met tyrannie vervullen, en steeds opnieuw Mij gaan tergen? Zie, ze jagen hun stank naar Mij op.
17καὶ εἶπε πρός με· ἑώρακας, υἱὲ ἀνθρώπου; μὴ μικρὰ τῷ οἴκῳ Ἰούδα τοῦ ποιεῖν τὰς ἀνομίας, ἃς πεποιήκασιν ὧδε; διότι ἔπλησαν τὴν γῆν ἀνομίας, καὶ ἰδοὺ αὐτοὶ ὡς μυκτηρίζοντες.
18Daarom zal Ik naar mijn woede handelen, zonder mededogen of erbarming. En al roepen ze Mij luidkeels aan, Ik zal ze niet verhoren.
18καὶ ἐγὼ ποιήσω αὐτοῖς μετὰ θυμοῦ· οὐ φείσεται ὁ ὀφθαλμός μου, οὐδὲ μὴ ἐλεήσω.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.