Ezechiel
Chapter 37
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1De hand van Jahweh raakte mij aan; in de geest van Jahweh voerde Hij mij weg, en liet mij neer midden in de vallei: en die lag vol beenderen!
1ΚΑΙ ἐγένετο ἐπ' ἐμὲ χεὶρ Κυρίου, καὶ ἐξήγαγέ με ἐν πνεύματι Κύριος καὶ ἔθηκέ με ἐν μέσῳ τοῦ πεδίου, καὶ τοῦτο ἦν μεστὸν ὀστέων ἀνθρωπίνων·
2Aan alle kanten leidde Hij mij er langs; en ik zag, dat ze over de gehele uitgestrektheid van het dal zeer talrijk waren en zeer dor.
2καὶ περιήγαγέ με ἐπ' αὐτὰ κυκλόθεν κύκλῳ, καὶ ἰδοὺ πολλὰ σφόδρα ἐπὶ προσώπου τοῦ πεδίου, ξηρὰ σφόδρα.
3Toen vroeg Hij mij: Mensenkind, zullen deze beenderen weer levend worden? Ik antwoordde: Heer Jahweh, Gij weet het.
3καὶ εἶπε πρός με· υἱὲ ἀνθρώπου, εἰ ζήσεται τὰ ὀστέα ταῦτα; καὶ εἶπα· Κύριε Κύριε, σὺ ἐπίστῃ ταῦτα.
4En Hij sprak tot mij: Ge moet over deze beenderen profeteren en zeggen: Dorre beenderen, luistert naar het woord van Jahweh!
4καὶ εἶπε πρός με· προφήτευσον ἐπὶ τὰ ὀστᾶ ταῦτα καὶ ἐρεῖς αὐτοῖς· τὰ ὀστᾶ τὰ ξηρά, ἀκούσατε λόγον Κυρίου.
5Dit zegt Jahweh tot deze beenderen: Waarachtig, Ik ga een geest in u brengen, opdat ge weer levend wordt.
5τάδε λέγει Κύριος τοῖς ὀστέοις τούτοις· ἰδοὺ ἐγὼ φέρω ἐφ' ὑμᾶς πνεῦμα ζωῆς
6Ik zal u spieren opleggen, vlees over u laten groeien, een huid over u heen trekken en een geest in u storten, opdat ge levend wordt. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
6καὶ δώσω ἐφ' ὑμᾶς νεῦρα καὶ ἀνάξω ἐφ' ὑμᾶς σάρκας, καὶ ἐκτενῶ ἐφ' ὑμᾶς δέρμα καὶ δώσω πνεῦμά μου εἰς ὑμᾶς, καὶ ζήσεσθε· καὶ γνώσεσθε ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος.
7Ik profeteerde, zoals mij bevolen was. En terwijl ik profeteerde, hoorde ik een geluid; er ontstond een gedruis, doordat de beenderen zich naar elkander toe bewogen, het ene been naar het andere.
7καὶ ἐπροφήτευσα καθὼς ἐνετείλατό μοι. καὶ ἐγένετο ἐν τῷ ἐμὲ προφητεῦσαι καὶ ἰδοὺ σεισμός, καὶ προσήγαγε τὰ ὀστᾶ ἑκάτερον πρὸς τὴν ἁρμονίαν αὐτοῦ.
8En terwijl ik toekeek, kwamen er spieren op en vlees, en trok er een huid overheen; maar nog waren ze levenloos.
8καὶ εἶδον καὶ ἰδοὺ ἐπ' αὐτὰ νεῦρα καὶ σάρκες ἐφύοντο, καὶ ἀνέβαινεν ἐπ' αὐτὰ δέρμα ἐπάνω, καὶ πνεῦμα οὐκ ἦν ἐπ' αὐτοῖς.
9Toen sprak Hij tot mij: Ge moet tot de geest profeteren. Profeteer mensenkind, en zeg tot de geest: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Kom, o geest, van de vier windstreken, en blaas in deze doden, opdat ze levend worden!
9καὶ εἶπε πρός με· προφήτευσον ἐπὶ τὸ πνεῦμα, προφήτευσον, υἱὲ ἀνθρώπου, καὶ εἰπὸν τῷ πνεύματι· τάδε λέγει Κύριος· ἐκ τῶν τεσσάρων πνευμάτων ἐλθὲ καὶ ἐμφύσησον εἰς τοὺς νεκροὺς τούτους, καὶ ζησάτωσαν.
10Ik profeteerde, zoals Hij Mij bevolen had; en de geest kwam erin, zodat ze begonnen te leven en recht overeind gingen staan: een indrukwekkende menigte!
10καὶ ἐπροφήτευσα καθότι ἐνετείλατό μοι· καὶ εἰσῆλθεν εἰς αὐτοὺς τὸ πνεῦμα, καὶ ἔζησαν καὶ ἔστησαν ἐπὶ τῶν ποδῶν αὐτῶν, συναγωγὴ πολλὴ σφόδρα.
11Daarna verklaarde Hij mij: Mensenkind, deze beenderen betekenen het gehele huis van Israël. Zie, zij zuchten: Verdord zijn onze beenderen, vervlogen is onze hoop, het is met ons gedaan!
11καὶ ἐλάλησε Κύριος πρός με λέγων· υἱὲ ἀνθρώπου, τὰ ὀστᾶ ταῦτα πᾶς οἶκος Ἰσραήλ ἐστι, καὶ αὐτοὶ λέγουσι· ξηρὰ γέγονε τὰ ὀστᾶ ἡμῶν, ἀπόλωλεν ἡ ἐλπὶς ἡμῶν, διαπεφωνήκαμεν.
12Daarom moet ge profeteren en zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Waarachtig, Ik ga uw graven openen, u opwekken uit uw graven, o mijn volk, en u terugbrengen naar Israëls grond.
12διὰ τοῦτο προφήτευσον καὶ εἰπὸν πρὸς αὐτούς· τάδε λέγει Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ ἀνοίγω τὰ μνήματα ὑμῶν καὶ ἀνάξω ὑμᾶς ἐκ τῶν μνημάτων ὑμῶν καὶ εἰσάξω ὑμᾶς εἰς τὴν γῆν τοῦ Ἰσραήλ,
13Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben! En als Ik uw graven heb geopend, en u heb opgewekt uit uw graven, o mijn volk,
13καὶ γνώσεσθε ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος ἐν τῷ ἀνοῖξαί με τοὺς τάφους ὑμῶν τοῦ ἀναγαγεῖν με ἐκ τῶν τάφων τὸν λαόν μου.
14dan stort Ik u mijn geest in, zodat ge levend wordt, en vestig Ik u op uw eigen grond. Zo zult ge erkennen, dat Ik, Jahweh, het gezegd en gedaan heb, spreekt Jahweh!
14καὶ δώσω πνεῦμά μου εἰς ὑμᾶς, καὶ ζήσεσθε, καὶ θήσομαι ὑμᾶς ἐπὶ τὴν γῆν ὑμῶν, καὶ γνώσεσθε ὅτι ἐγὼ Κύριος· λελάληκα καὶ ποιήσω, λέγει Κύριος.
15Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
15Καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρός με λέγων·
16Mensenkind, ge moet een stok nemen en daarop schrijven: “Juda en de Israëlieten, die daarbij horen”. Neem dan een andere stok, en schrijf daarop: “Josef en het hele huis van Israël, dat daarbij hoort.”
16υἱὲ ἀνθρώπου, λαβὲ σεαυτῷ ράβδον καὶ γράψον ἐπ' αὐτὴν τὸν Ἰούδαν καὶ τοὺς υἱοὺς Ἰσραὴλ τοὺς προσκειμένους ἐπ' αὐτόν· καὶ ράβδον δευτέραν λήψῃ σεαυτῷ καὶ γράψεις αὐτὴν τῷ Ἰωσήφ, ράβδον Ἐφραὶμ καὶ πάντας τοὺς υἰοὺς Ἰσραὴλ τοὺς προστεθέντας πρὸς αὐτόν.
17Leg ze dan over elkaar, de een over de ander, zodat ze in uw hand een eenheid vormen.
17καὶ συνάψεις αὐτὰς πρὸς ἀλλήλας σαυτῷ εἰς ράβδον μίαν τοῦ δῆσαι αὐτάς, καὶ ἔσονται ἐν τῇ χειρί σου.
18Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt ge ons niet uitleggen, wat ge daarmee bedoelt,
18καὶ ἔσται ὅταν λέγωσι πρὸς σὲ οἱ υἱοὶ τοῦ λαοῦ σου· οὐκ ἀναγγέλλεις ἡμῖν τί ἐστι ταῦτά σοι;
19antwoord hun dan: Dit zegt Jahweh, de Heer! Waarachtig, Ik neem de stok van Josef en van de stammen Israëls, die daarbij behoren, en voeg ze bij de stok van Juda, om er één stok van te maken, dat ze in mijn hand een eenheid vormen.
19καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· τάδε λέγει Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ λήψομαι τὴν φυλὴν Ἰωσήφ, τὴν διὰ χειρὸς Ἐφραίμ, καὶ τὰς φυλὰς Ἰσραὴλ τὰς προσκειμένας πρὸς αὐτὸν καὶ δώσω αὐτοὺς ἐπὶ τὴν φυλὴν Ἰούδα, καὶ ἔσονται εἰς ράβδον μίαν τῇ χειρὶ Ἰούδα.
20Terwijl ge de stokken, waarop ge geschreven hebt, voor hun ogen in uw hand houdt,
20καὶ ἔσονται αἱ ράβδοι, ἐφ' αἷς σὺ ἔγραψας ἐπ' αὐταῖς, ἐν τῇ χειρί σου ἐνώπιον αὐτῶν,
21moet ge tot hen zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Zie, Ik haal de zonen Israëls weg uit de volken, waarheen ze zich begeven moesten, en ga ze bijeenbrengen van alle kanten. Dan breng Ik ze terug op hun eigen grond,
21καὶ ἐρεῖς αὐτοῖς· τάδε λέγει Κύριος Κύριος· ἰδοὺ ἐγὼ λαμβάνω πάντα οἶκον Ἰσραὴλ ἐκ μέσου τῶν ἐθνῶν, οὗ εἰσήλθοσαν ἐκεῖ, καὶ συνάξω αὐτοὺς ἀπὸ πάντων τῶν περικύκλῳ αὐτῶν καὶ εἰσάξω αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν τοῦ Ἰσραήλ·
22maak ze tot één volk in het land, op de bergen van Israël. Eén koning zal over hen allen heersen; nimmermeer zullen ze twee volken vormen, of in twee koninkrijken verdeeld zijn.
22καὶ δώσω αὐτοὺς εἰς ἔθνος ἓν ἐν τῇ γῇ μου καὶ ἐν τοῖς ὄρεσιν Ἰσραήλ, καὶ ἄρχων εἷς ἔσται αὐτῶν, καὶ οὐκ ἔσονται ἔτι εἰς δύο ἔθνη, οὐδὲ μὴ διαιρεθῶσιν οὐκέτι εἰς δύο βασιλείας,
23Nimmermeer zullen ze zich verontreinigen door hun schandgoden, hun gruwelbeelden en al hun afdwalingen. Ik zal ze bevrijden van al de gruwelen, waaraan ze zich bezondigd hebben; Ik zal ze reinigen, en ze zullen voor Mij een volk, en Ik zal een God voor hen zijn.
23ἵνα μὴ μιαίνωνται ἔτι ἐν τοῖς εἰδώλοις αὐτῶν. καὶ ρύσομαι αὐτοὺς ἀπὸ πασῶν τῶν ἀνομιῶν αὐτῶν, ὧν ἡμάρτοσαν ἐν αὐταῖς, καὶ καθαριῶ αὐτούς, καὶ ἔσονταί μοι εἰς λαόν, καὶ ἐγὼ Κύριος ἔσομαι αὐτοῖς εἰς Θεόν.
24Dan zal mijn dienaar David over hen als koning heersen: één herder voor hen allen. Ze zullen leven naar mijn geboden, en mijn wetten nauwkeurig onderhouden.
24καὶ ὁ δοῦλός μου Δαυὶδ ἄρχων ἐν μέσῳ αὐτῶν ἔσται ποιμὴν εἷς πάντων· ὅτι ἐν τοῖς προστάγμασί μου πορεύσονται καὶ τὰ κρίματά μου φυλάξονται καὶ ποιήσουσιν αὐτά.
25Dan zullen ze wonen in het land, dat Ik aan mijn dienaar Jakob heb gegeven, en waar hun voorvaderen hebben gewoond. Dan zullen zij het zelf bewonen, zij en hun kinderen en hun kleinkinderen tot in eeuwigheid toe, en mijn dienaar David zal hun vorst zijn tot in eeuwigheid.
25καὶ κατοικήσουσιν ἐπὶ τῆς γῆς αὐτῶν, ἣν ἐγὼ δέδωκα τῷ δούλῳ μου Ἰακώβ, οὗ κατῴκησαν ἐκεῖ οἱ πατέρες αὐτῶν· καὶ κατοικήσουσιν ἐπ' αὐτῆς αὐτοί, καὶ Δαυὶδ ὁ δοῦλός μου ἄρχων αὐτῶν ἔσται εἰς τὸν αἰῶνα.
26Dan zal Ik met hen een vredesbond sluiten: een eeuwigdurend verbond, en hun mijn genade en zegen schenken. Ik zal mijn heiligdom in hun midden plaatsen tot in eeuwigheid,
26καὶ διαθήσομαι αὐτοῖς διαθήκην εἰρήνης, διαθήκη αἰωνία ἔσται μετ' αὐτῶν· καὶ θήσω τὰ ἅγιά μου ἐν μέσῳ αὐτῶν εἰς τὸν αἰῶνα.
27en mijn woning zal onder hen gevestigd zijn: Ik zal hun een God, zij Mij een volk zijn!
27καὶ ἔσται ἡ κατασκήνωσίς μου ἐν αὐτοῖς, καὶ ἔσομαι αὐτοῖς Θεός, καὶ αὐτοί μου ἔσονται λαός.
28Dan zullen de volken erkennen, dat Ik, Jahweh, Israël heb geheiligd, als mijn heiligdom onder hen gevestigd blijft voor eeuwig!
28καὶ γνώσονται τὰ ἔθνη ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος ὁ ἁγιάζων αὐτοὺς ἐν τῷ εἶναι τὰ ἅγιά μου ἐν μέσῳ αὐτῶν εἰς τὸν αἰῶνα.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.