Ezechiel 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Mensenkind, haal een tegel; leg die voor u neer en teken er een stad op: Jerusalem.
1Ти ж, сину чоловічий, возьми собі цеглину, положи перед себе, й начеркни на їй місто Ерусалим.
2Sla het beleg er omheen, werp er verschansingen op, leg er een wal om, richt er legerkampen in, en stel aan alle zijden stormrammen op.
2І спорудь обляг проти його, й збудуй облягову башту проти його; насип вал кругом його; порозставляй облягове військо проти його, й пороби навкруги тарани проти його.
3Dan moet ge een ijzeren plaat nemen, die opstellen als een muur van ijzer tussen u en de stad, en er onafgebroken naar kijken. Zo zal ze ingesloten zijn, zo zult ge haar belegeren; zo wordt het tot een teken voor het huis van Israël.
3І возьми собі залїзну дошку та й постав її, наче стїну між тобою й городом, і оберни проти його лице твоє, щоб він був наче ув облязї, й ти (нїби) облягай його. Се буде знаком домові Ізрайлевому.
4Ga vervolgens op uw linkerzijde liggen, om de schuld van het huis van Israël te dragen: zoveel dagen als ge daarop blijft liggen, zult ge hun schuld dragen.
4Ти ж лягай на лївий бік та й возьми на його беззаконство Ізрайлеве. Скільки днїв лежати меш, стілько нести меш (кару за) провини їх:
5Want de jaren van hun schuld laat Ik u in een getal van dágen uitdrukken: drie honderd en negentig dagen. Zolang moet ge de schuld van het huis van Israël dragen!
5Я ж визначив тобі роки їх беззаконства лїчбою днїв — триста й девятьдесять днїв будеш нести провини дому Ізрайлевого.
6Als ge daarmee klaar zijt, moet ge op uw rechterzijde gaan liggen, om veertig dagen lang de schuld van het huis van Juda te dragen: voor ieder jaar leg Ik u telkens één dag op.
6А як скінчиш їх, тодї лягай удруге на правий бік, і неси провину дому Юдиного сорок день; — день за рік, день за рік, кажу, визначив я тобі.
7Ge moet onafgebroken uw blik en uw ontblote arm naar het belegerde Jerusalem richten en tegen haar profeteren!
7І оберни лице твоє й обнажену правицю твою на обляг Ерусалиму та й пророкуй проти його.
8Ook bind Ik u met touwen vast, opdat ge u niet van de ene zijde op de andere kunt keren, voordat de dagen dat gij haar belegert, voorbij zijn.
8Оце ж я й вложив на тебе верву, щоб неможна було тобі повернутись із боку на бік, аж докіль скінчиш днї сього облягу твого.
9Ook moet ge tarwe halen en gerst bonen en linzen, gierst en spelt. Doe dat in éne schaal, en bereid daar uw brood van; zolang ge op uw zijde ligt, drie honderd en negentig dagen, moet ge dat eten.
9Ти ж возьми собі пшеницї та ячменю й бобу й сочовицї й пшона й вики та й усип ув одну посудину, та й роби собі хлїб із того на всї днї, що лежати меш бока; триста й девятьдесять день їсти меш його.
10Het voedsel, dat ge eet, moet ge wegen: twintig sikkel per dag moogt ge op vastgestelde tijden gebruiken.
10А їсти меш твою харч вагою, що дня по двайцять секлів; від пори до пори їсти меш.
11Ook het water moet ge bij de maat gebruiken: het zesde van een hin moogt ge op vastgestelde tijden drinken.
11І воду пити меш мірою, що-разу по шостинї гину; від пори до пори пити меш стілько.
12Ook moet ge een gerstenkoek eten, en die voor hun ogen op mensendrek bakken.
12Істи меш книшами ячміними; книші ж пекти меш перед їх очима в попелї з людського калу.
13En Jahweh verklaarde: Zó zullen ook de Israëlieten hun onreine spijzen eten onder de volken, waarheen Ik ze ga verstrooien.
13І сказав Господь: Так само їсти муть сини Ізрайлеві нечистий хлїб свій посеред тих народів, що проміж них я їх порозганяю.
14Maar ik zeide: Ach Jahweh, mijn Heer, ik heb mij nog nooit verontreinigd; van gestorven of verscheurde dieren heb ik van mijn jeugd af tot nu toe nooit gegeten; en in mijn mond is nog geen bedorven vlees gekomen!
14Тодї сказав я: Ой Господи Боже! я ж нїколи не поганив душу; я й падла, нї того, що зьвір роздирав, нїколи не їв з молоду та й досї; нїколи в уста мої не входило нечисте мясиво.
15Toen sprak Hij: Welnu, dan sta Ik u toe, rundermest in plaats van mensendrek te gebruiken; daarop kunt ge uw brood bereiden.
15І сказав він до мене: Ну, так дозволяю тобі товарячий гній, замість людського калу, щоб пік на йому хлїб твій.
16En Hij sprak tot mij: Mensenkind, Ik ga in Jerusalem de broodstok breken. Ze zullen hun brood bij het gewicht en met bezorgdheid eten, en het water bij de maat en in vertwijfeling drinken,
16І сказав іще до мене: Сину чоловічий! ось, я поламлю в Ерусалимі підпору хлїбову, й їсти муть вони свій хлїб під вагу й в смутку, та й будуть пити воду під міру в гризотї;
17opdat ze bij gebrek aan brood en water elkander angstig zullen aanzien, en in hun schuld verkwijnen.
17Бо буде в них недостача хлїба й води й з переляком будуть вони глядїти одно на одного й нидїти за беззаконства свої.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.