Ezechiel
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
1І надійшло до мене слово Господнє:
2Hoe komt ge er toe, bij u op Israëls grond dit puntdicht aan te halen: “De vaderen eten zure druiven, maar de kinderen krijgen er stroeve tanden van”?
2Чого ви в землї Ізраїлській повторяєте все оцю приповідку та говорите: Батьки їли кислі грони, а в дїтей на зубах оскома?
3Zowaar Ik leef, zegt Jahweh, de Heer: laat niemand van u dit spotwoord nog ooit in Israël gebruiken!
3Так певно, як я живу, говорить Господь Бог, не будуть уже більш тої приповідки в Ізраїлї повторяти.
4Zie, alle mensen zijn voor Mij gelijk, vader en zoon zijn voor Mij gelijk; alleen de mens die zondigt, zal sterven!
4Ось бо, всї душі — мої, чи душа батькова чи душа синова, — мої вони. Котора душа провинить, тота й умре.
5Gesteld, dat iemand een rechtvaardige is: hij handelt naar wet en recht;
5Хто праведен і творить суд і справедливість,
6op de bergen houdt hij geen offermaal, naar de schandgoden van Israëls huis slaat hij zijn ogen niet op; hij onteert de vrouw van zijn medemens niet, hij heeft geen gemeenschap met een vrouw in haar stonden;
6На горах жертівнього мясива не їсть і очей до ідолів у дому Ізрайлевому не зводить, жени свого ближнього не поганить та й до своєї жінки в часї її нечистоти не пригортається;
7hij zet niemand af, het onderpand, dat men hem afstond, geeft hij eerlijk terug; hij eigent zich andermans goed niet toe, deelt zijn voedsel met den hongerige en verschaft den naakte kleding;
7Нїкого не тїснить; застав свойму довжникові вертає; нїякого насилування не чинить; свого хлїба голодному подає й нагого одїжжю вкриває;
8hij leent niet uit op woekerrente, en eist geen toeslag; hij onthoudt zich van onrecht, en doet eerlijk uitspraak tussen twee partijen;
8На лихву не позичає й приросту не бере; від ледарства руку свою далеко держить і в справах між чоловіком а чоловіком суд справедливий вирікає;
9hij leeft naar mijn voorschriften, en onderhoudt stipt mijn geboden: zo iemand is rechtvaardig; hij zal zeker in leven blijven, zegt Jahweh, de Heer.
9Хто ходить у заповідях моїх і постанов моїх щиро додержує, — той прав, і певно буде жити, говорить Господь Бог.
10Maar nu verwekt hij een onverlaat van een zoon, die bloed vergiet, en die, ofschoon hij zelf dit alles vermeed, in een of ander punt misdoet:
10Як же появить сина розбишаку, що проливає кров і чинить се або те,
11doordat hij wèl op de bergen een offermaal houdt, en de vrouw van zijn evenmens onteert;
11Чого батько не чинив: їсть мясиво жертівне на горах і жену свого ближнього поганить;
12den misdeelde en den behoeftige afzet, zich andermans goed toeëigent, een onderpand niet teruggeeft, en naar de schandgoden zijn ogen opslaat; die gruwelen bedrijft,
12Нуждаря і вбогого тїснить; насилу видирає; заставу не вертає й зводить очі до ідолів; коїть гидоти;
13op woekerrente uitleent en toeslag eist: zal die in leven blijven? Neen, hij heeft al die wandaden bedreven, dus zal hij zeker sterven; zijn bloed komt op hem neer.
13Позичає на лихву й бере приріст, — чи ж такому жити? Нї, він не буде жити. Хто всї цї мерзоти коїть, такому напевно буде за кару смерть; кров його на йому буде.
14Maar nu verwekt hij een zoon, die al het kwaad aanschouwt, dat zijn vader gedaan heeft, maar daarvan afschrikt en dat kwaad niet navolgt:
14Коли ж хто появить сина, й син бачить всї переступи батькові, сам же їх не чинить,
15die op de bergen geen offermaal houdt, zijn ogen niet opslaat naar de schandgoden van het volk van Israël; de vrouw van zijn evenmens niet onteert,
15На горах жертовного не їсть, до ідолів, що в Ізраїлї, не знімає очей своїх; жени ближнього свого не поганить;
16niemand afzet, geen onderpand eist, zich andermans goed niet toeëigent; zijn voedsel met den hongerige deelt en den naakte kleding verschaft;
16Другого не тїснить, заставу не бере й насилу не видирає; подає голодному хлїба свого й вкриває нагого одїжжю;
17zijn hand van onrecht afhoudt, geen woekerrente of toeslag verlangt, mijn geboden onderhoudt en naar mijn voorschriften leeft: zo iemand zal om de schuld van zijn vader niet sterven; hij zal zeker in leven blijven.
17Держить руку свою далеко від кривди, не бере лихви й користї; певнить мої прикази та й ходить дорогою заповідей моїх, — такий не вмре за батьківські провини; нї, він буде жити.
18Maar zijn vader, die een afzetter was, andermans goed in beslag nam, en onder mijn volk onbehoorlijke dingen deed, die is om zijn schuld terecht gestorven.
18Батько ж його, за те що безсердечно тїснив, рабував брата свого, та чинив усяке лихо посеред земляків своїх, — він мусить умерти за свою провину.
19Ge zegt: “Waarom boet dan de zoon niet voor de schuld van zijn vader?” Welnu, de zoon heeft toch naar wet en recht gehandeld, en al mijn voorschriften stipt onderhouden; hij zal zeker in leven blijven!
19Ви скажете: Чом же не переносить син кари за провини батькові? Тим, що син поступає по закону й по правдї, усї мої заповідання певнить і їх додержує, — тим він і жити ме.
20Alleen de mens, die zondigt, zal sterven; het kind hoeft niet te lijden onder de schuld van den vader, en de vader hoeft niet te boeten voor de schuld van het kind. Neen, den rechtvaardige wordt zijn deugd vergolden, den zondaar zijn ondeugd.
20Та душа, що грішить, та й вмерти мусить. Син за вину батькову не буде одвічати, а батько не буде двигати вини синової. Праведність праведного зостанеться на йому, та й безбожність безбожного на йому буде.
21En wanneer een slecht mens zich bekeert van zijn zondig verleden, mijn voorschriften gaat onderhouden, en naar wet en recht handelt: zo iemand zal zeker in leven blijven; hij zal niet sterven.
21Ба й безбожник, як одвернеться од усїх гріхів своїх, які творив, і буде певнити всї мої постанови, й усе чинити по закону й по справедливостї, буде жити, не вмре.
22Van zijn vroegere wandaden zal hem niets toegerekend worden, maar omwille van zijn rechtschapen gedrag zal hij in leven blijven.
22Усї проступки його, що їх коїв, не будуть пригадуватись йому; по своїй праведностї, що буде чинити, він жити буде.
23Of zou Ik behagen scheppen in de dood van een zondaar, zegt Jahweh, de Heer; en niet veel liever zien, dat hij zijn wandel verbetert, en leeft?
23Хиба ж менї безбожникова смерть люба, говорить Господь, — а не те, щоб він вернувся з дороги своєї та й жив?
24Maar als een rechtvaardige zijn deugd verlaat, en zich even slecht gaat gedragen als de zondaar, zal zo iemand dan in leven blijven? Neen, op zijn rechtschapen verleden zal niet worden gelet; maar hij zal sterven tot straf voor zijn ontrouw, en om de zonden, die hij bedrijft.
24Коли ж би праведник одступив од своєї праведностї і жив неправедно, та коїв усї ті гидоти, що беззаконник творить, то — чи ж йому жити? Нї, не спогадаються йому всї його праведні вчинки, що він чинив, а за беззаконство своє, що його творить, і за гріхи свої, якими грішить, мусить він умерти.
25Ge zegt misschien: Dan is de weg des Heren niet recht! Luister toch, huis van Israël: Is mijn weg niet recht? Neen, úw wegen zijn krom!
25Коли ж скажете: Несправедлива путь Господня, — то послухай, ти, доме Ізраїля! Чи то ж моя путь несправедлива? Чи скорше не ваші дороги неправедні?
26Als een rechtvaardige zijn deugd verlaat, en slecht gaat leven, dan sterft hij toch om het kwaad, dat hij doet.
26Та ж коли праведник відступає од своєї праведностї і творить ледарство, то він умерає за свою неправедність, що вчинив.
27En als een zondaar zich bekeert van zijn slecht verleden, en gaat leven naar wet en recht, dan redt zo iemand zijn leven;
27Коли ж безбожник навертається од безбожностї своєї, що її коїв, та чинить суд і правду, то він навертає свою душу до життя.
28is hij tot beter inzicht gekomen, en bekeert hij zich van zijn zondig verleden, dan zal hij zeker in leven blijven en niet sterven.
28Він нарозумився і відвернувсь од усїх своїх ледачих учинків; тим і зостанеться живим, не вмре.
29En dan zegt het huis van Israël: De weg des Heren is niet recht! Zijn mijn wegen niet recht, huis van Israël? Neen, úw wegen zijn krom!
29Та й ще сьміє дом Ізраїля говорити: Не по правдї чинить Господь! Чи справдї ж бо мої путї несправедливі? чи ж то не ваші дороги неправедні?
30Waarachtig, Ik zal ieder van u naar zijn eigen gedrag oordelen, huis van Israël, zegt Jahweh, de Heer. Bekeert u dus vlug van al uw afdwalingen, dat ze geen oorzaak van schuld worden.
30Тим же то я й судити му вас, доме Ізраїля, після доріг ваших, говорить Господь Бог; покайтеся ж і відвернїтеся від усїх проступків ваших, щоб безбожність не була вам спотичкою.
31Werpt van u af de wandaden, waarmee ge u bezondigd hebt; vormt een nieuw hart en een nieuwe geest. Waarom zoudt ge sterven, huis van Israël?
31Повідкидайте від себе всї гріхи ваші, якими ви грішили, й сотворіте собі нове серце й дух новий; а тодї чого ж би вам умірати, доме Ізраїля?
32Want Ik vind geen behagen in de dood van hem, die sterft, zegt Jahweh, de Heer. Bekeert u dus en leeft!
32Менї бо не люба смерть того, хто мусить умерти, говорить Господь Бог; обернїтеся ж і жийте!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.