Ezechiel
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
1A palavra do SENHOR veio a mim novamente, dizendo:
2Hoe komt ge er toe, bij u op Israëls grond dit puntdicht aan te halen: “De vaderen eten zure druiven, maar de kinderen krijgen er stroeve tanden van”?
2“O que vocês querem dizer, ao usarem este provérbio a respeito da terra de Israel, dizendo: ‘Os pais comeram uvas verdes, e os dentes dos filhos ficaram embotados’?
3Zowaar Ik leef, zegt Jahweh, de Heer: laat niemand van u dit spotwoord nog ooit in Israël gebruiken!
3“Tão certo como eu vivo”, diz o Senhor DEUS, “vocês não usarão mais este provérbio em Israel.
4Zie, alle mensen zijn voor Mij gelijk, vader en zoon zijn voor Mij gelijk; alleen de mens die zondigt, zal sterven!
4Eis que todas as almas são minhas; como a alma do pai, assim também a alma do filho é minha. A alma que pecar, essa morrerá.
5Gesteld, dat iemand een rechtvaardige is: hij handelt naar wet en recht;
5“Mas se um homem for justo, e fizer o que é lícito e reto,
6op de bergen houdt hij geen offermaal, naar de schandgoden van Israëls huis slaat hij zijn ogen niet op; hij onteert de vrouw van zijn medemens niet, hij heeft geen gemeenschap met een vrouw in haar stonden;
6e não tiver comido nos montes, não tiver levantado os seus olhos para os ídolos da casa de Israel, não tiver contaminado a mulher do seu próximo, não tiver se chegado a uma mulher em sua impureza,
7hij zet niemand af, het onderpand, dat men hem afstond, geeft hij eerlijk terug; hij eigent zich andermans goed niet toe, deelt zijn voedsel met den hongerige en verschaft den naakte kleding;
7e não tiver oprimido a ninguém, mas tiver restituído ao devedor o seu penhor, não tiver cometido roubo, tiver dado o seu pão ao faminto, e tiver coberto o nu com roupas;
8hij leent niet uit op woekerrente, en eist geen toeslag; hij onthoudt zich van onrecht, en doet eerlijk uitspraak tussen twee partijen;
8aquele que não tiver emprestado com juros, não tiver recebido usura, que tiver desviado a sua mão da iniquidade, tiver executado verdadeira justiça entre homem e homem,
9hij leeft naar mijn voorschriften, en onderhoudt stipt mijn geboden: zo iemand is rechtvaardig; hij zal zeker in leven blijven, zegt Jahweh, de Heer.
9tiver andado nos meus estatutos, e tiver guardado as minhas ordenanças, para agir com verdade; ele é justo, ele certamente viverá”, diz o Senhor DEUS.
10Maar nu verwekt hij een onverlaat van een zoon, die bloed vergiet, en die, ofschoon hij zelf dit alles vermeed, in een of ander punt misdoet:
10“Se ele gerar um filho que seja ladrão, que derrame sangue, e que faça qualquer uma destas coisas,
11doordat hij wèl op de bergen een offermaal houdt, en de vrouw van zijn evenmens onteert;
11ou que não faça nenhuma daquelas coisas mas tiver comido nos santuários dos montes e contaminado a mulher do seu próximo,
12den misdeelde en den behoeftige afzet, zich andermans goed toeëigent, een onderpand niet teruggeeft, en naar de schandgoden zijn ogen opslaat; die gruwelen bedrijft,
12tiver oprimido o pobre e o necessitado, tiver cometido roubo, não tiver restituído o penhor, e tiver levantado os seus olhos para os ídolos, tiver cometido abominação,
13op woekerrente uitleent en toeslag eist: zal die in leven blijven? Neen, hij heeft al die wandaden bedreven, dus zal hij zeker sterven; zijn bloed komt op hem neer.
13tiver emprestado com juros, e tiver recebido usura do pobre, ele então viverá? Ele não viverá. Ele fez todas estas abominações. Ele certamente morrerá. O seu sangue estará sobre ele.
14Maar nu verwekt hij een zoon, die al het kwaad aanschouwt, dat zijn vader gedaan heeft, maar daarvan afschrikt en dat kwaad niet navolgt:
14“Agora, eis que, se ele gerar um filho que veja todos os pecados que seu pai cometeu, e tema, e não faça o mesmo,
15die op de bergen geen offermaal houdt, zijn ogen niet opslaat naar de schandgoden van het volk van Israël; de vrouw van zijn evenmens niet onteert,
15que não tiver comido nos montes, não tiver levantado os seus olhos para os ídolos da casa de Israel, não tiver contaminado a mulher do seu próximo,
16niemand afzet, geen onderpand eist, zich andermans goed niet toeëigent; zijn voedsel met den hongerige deelt en den naakte kleding verschaft;
16não tiver oprimido a ninguém, não tiver exigido penhor, não tiver cometido roubo, mas tiver dado o seu pão ao faminto, e tiver coberto o nu com roupas;
17zijn hand van onrecht afhoudt, geen woekerrente of toeslag verlangt, mijn geboden onderhoudt en naar mijn voorschriften leeft: zo iemand zal om de schuld van zijn vader niet sterven; hij zal zeker in leven blijven.
17que tiver desviado a sua mão do pobre, que não tiver recebido juros ou usura, tiver executado as minhas ordenanças, tiver andado nos meus estatutos; ele não morrerá pela iniquidade de seu pai. Ele certamente viverá.
18Maar zijn vader, die een afzetter was, andermans goed in beslag nam, en onder mijn volk onbehoorlijke dingen deed, die is om zijn schuld terecht gestorven.
18Quanto ao seu pai, porque oprimiu cruelmente, roubou a seu irmão, e fez o que não é bom no meio do seu povo, eis que ele morrerá na sua iniquidade.
19Ge zegt: “Waarom boet dan de zoon niet voor de schuld van zijn vader?” Welnu, de zoon heeft toch naar wet en recht gehandeld, en al mijn voorschriften stipt onderhouden; hij zal zeker in leven blijven!
19“Contudo, vocês dizem: ‘Por que o filho não leva a iniquidade do pai?’ Quando o filho tiver feito o que é lícito e reto, e tiver guardado todos os meus estatutos, e os tiver praticado, ele certamente viverá.
20Alleen de mens, die zondigt, zal sterven; het kind hoeft niet te lijden onder de schuld van den vader, en de vader hoeft niet te boeten voor de schuld van het kind. Neen, den rechtvaardige wordt zijn deugd vergolden, den zondaar zijn ondeugd.
20A alma que pecar, essa morrerá. O filho não levará a iniquidade do pai, nem o pai levará a iniquidade do filho. A justiça do justo estará sobre ele, e a impiedade do ímpio estará sobre ele.
21En wanneer een slecht mens zich bekeert van zijn zondig verleden, mijn voorschriften gaat onderhouden, en naar wet en recht handelt: zo iemand zal zeker in leven blijven; hij zal niet sterven.
21“Mas se o ímpio se converter de todos os seus pecados que cometeu, e guardar todos os meus estatutos, e fizer o que é lícito e reto, ele certamente viverá. Ele não morrerá.
22Van zijn vroegere wandaden zal hem niets toegerekend worden, maar omwille van zijn rechtschapen gedrag zal hij in leven blijven.
22Nenhuma das suas transgressões que cometeu será lembrada contra ele. Na sua justiça que praticou, ele viverá.
23Of zou Ik behagen scheppen in de dood van een zondaar, zegt Jahweh, de Heer; en niet veel liever zien, dat hij zijn wandel verbetert, en leeft?
23Tenho eu algum prazer na morte do ímpio?”, diz o Senhor DEUS, “e não antes que ele se converta do seu caminho, e viva?
24Maar als een rechtvaardige zijn deugd verlaat, en zich even slecht gaat gedragen als de zondaar, zal zo iemand dan in leven blijven? Neen, op zijn rechtschapen verleden zal niet worden gelet; maar hij zal sterven tot straf voor zijn ontrouw, en om de zonden, die hij bedrijft.
24“Mas quando o justo se desviar da sua justiça, e cometer iniquidade, e fizer conforme todas as abominações que o homem ímpio faz, ele viverá? Nenhum dos seus atos de justiça que praticou será lembrado. Na transgressão que cometeu, e no pecado que pecou, neles ele morrerá.
25Ge zegt misschien: Dan is de weg des Heren niet recht! Luister toch, huis van Israël: Is mijn weg niet recht? Neen, úw wegen zijn krom!
25“Contudo, vocês dizem: ‘O caminho do Senhor não é justo.’ Ouçam agora, casa de Israel: O meu caminho não é justo? Não são os caminhos de vocês que são injustos?
26Als een rechtvaardige zijn deugd verlaat, en slecht gaat leven, dan sterft hij toch om het kwaad, dat hij doet.
26Quando o homem justo se desviar da sua justiça, e cometer iniquidade, e morrer nela, então ele morre na sua iniquidade que cometeu.
27En als een zondaar zich bekeert van zijn slecht verleden, en gaat leven naar wet en recht, dan redt zo iemand zijn leven;
27Novamente, quando o homem ímpio se converter da sua impiedade que cometeu, e fizer o que é lícito e reto, ele preservará a sua alma em vida.
28is hij tot beter inzicht gekomen, en bekeert hij zich van zijn zondig verleden, dan zal hij zeker in leven blijven en niet sterven.
28Porque ele considera, e se converte de todas as suas transgressões que cometeu, ele certamente viverá. Ele não morrerá.
29En dan zegt het huis van Israël: De weg des Heren is niet recht! Zijn mijn wegen niet recht, huis van Israël? Neen, úw wegen zijn krom!
29Contudo, a casa de Israel diz: ‘O caminho do Senhor não é justo.’ Casa de Israel, não são os meus caminhos justos? Não são os caminhos de vocês que são injustos?
30Waarachtig, Ik zal ieder van u naar zijn eigen gedrag oordelen, huis van Israël, zegt Jahweh, de Heer. Bekeert u dus vlug van al uw afdwalingen, dat ze geen oorzaak van schuld worden.
30“Portanto, eu os julgarei, casa de Israel, cada um de acordo com os seus caminhos”, diz o Senhor DEUS. “Arrependam-se, e convertam-se de todas as suas transgressões, para que a iniquidade não seja a ruína de vocês.
31Werpt van u af de wandaden, waarmee ge u bezondigd hebt; vormt een nieuw hart en een nieuwe geest. Waarom zoudt ge sterven, huis van Israël?
31Lancem para longe de vocês todas as suas transgressões com as quais transgrediram; e criem para vocês um coração novo e um espírito novo. Pois por que vocês morreriam, casa de Israel?
32Want Ik vind geen behagen in de dood van hem, die sterft, zegt Jahweh, de Heer. Bekeert u dus en leeft!
32Pois eu não tenho prazer na morte daquele que morre”, diz o Senhor DEUS. “Portanto, convertam-se, e vivam!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.