Ezechiel 39
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Mensenkind, ge moet over Gog profeteren en zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Ik kom naar u toe, Gog, grootvorst van Mésjek en Toebal.
1“Você, filho do homem, profetize contra Gogue, e diga: 'Assim diz o Senhor DEUS: “Eis que eu sou contra você, Gogue, príncipe de Rôs, Meseque e Tubal.
2Ik lok u mee, drijf u voort, laat u oprukken uit het hoge noorden, en u op de bergen van Israël komen.
2Eu o farei dar meia-volta, o conduzirei e o farei subir dos confins do norte; e o trarei sobre os montes de Israel.
3Daar sla Ik u de boog uit de linkerhand, en laat uw pijlen uit uw rechterhand vallen.
3Golpearei o seu arco para que caia da sua mão esquerda, e farei as suas flechas caírem da sua mão direita.
4Op de bergen van Israël zult ge neerstorten, met al de troepen en de talrijke volken die met u zijn: aan gieren, vogels van allerlei slag en aan de wilde dieren geef Ik u te vreten.
4Você cairá sobre os montes de Israel, você, e todas as suas hordas, e os povos que estão com você. Eu o darei às aves de rapina de toda espécie e aos animais do campo para ser devorado.
5Plat op de grond zult ge vallen; want Ik heb het gezegd, spreekt Jahweh, de Heer!
5Você cairá em campo aberto, pois eu falei”, diz o Senhor DEUS.
6Ik ga brand stichten in Magog, en bij hen die zich op de eilanden veilig wanen; zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
6“Enviarei fogo sobre Magogue e sobre aqueles que habitam seguros nas ilhas. Então eles saberão que eu sou o SENHOR.
7Maar onder mijn volk Israël zal Ik mijn heilige Naam openbaren, zal mijn heilige Naam nimmer meer worden ontwijd. Zo zullen de volken erkennen, dat Ik Jahweh ben, Israëls Heilige.
7“'“Tornarei conhecido o meu santo nome no meio do meu povo Israel. Não permitirei que o meu santo nome seja profanado nunca mais. Então as nações saberão que eu sou o SENHOR, o Santo em Israel.
8Waarachtig, het komt, het gaat gebeuren, zegt Jahweh, de Heer; dit is de dag, waarvan Ik gesproken heb!
8Eis que vem, e se cumprirá”, diz o Senhor DEUS. “Este é o dia do qual tenho falado.
9Dan trekt de bevolking van Israëls steden naar buiten, om de brand te steken in het wapentuig, in schild en rondas, in bogen en pijlen, in knotsen en speren. Zeven jaar lang zullen ze daarvan stoken,
9“'“Aqueles que habitam nas cidades de Israel sairão e farão fogo com as armas e as queimarão, tanto os escudos quanto os broquéis, os arcos e as flechas, as maças de guerra e as lanças, e farão fogo com elas durante sete anos;
10zodat ze geen bomen van het land hoeven weg te halen of uit de bossen te kappen; want het wapentuig kunnen ze stoken. Zo zullen ze beroven, die hèn wilden beroven, en plunderen, die hèn wilden plunderen.
10de modo que não pegarão lenha do campo, nem cortarão das florestas; pois farão fogo com as armas. Eles saquearão aqueles que os saquearam, e roubarão aqueles que os roubaram”, diz o Senhor DEUS.
11Dan zal Ik aan Gog een beruchte plaats als graf in Israël geven: het Doortrekkersdal, dat oostelijk van de zee ligt, en dat die doortrekkers zal insperren. Daar zal men Gog met al zijn drommen begraven, en men zal het noemen: Dal van Gogs drommen.
11“'“Acontecerá naquele dia que darei a Gogue um lugar para sepultamento em Israel, o vale dos viajantes, a leste do mar; e isso bloqueará o caminho dos que passam. Ali sepultarão Gogue e toda a sua multidão, e o chamarão de 'O vale de Hamom-Gogue'.
12Zeven maanden lang zal het huis van Israël met hun begrafenis bezig blijven, om het land te zuiveren,
12“'“A casa de Israel os estará sepultando durante sete meses, para que possam purificar a terra.
13en de hele bevolking van het land zal doodgraverswerk doen; dat zal hun tot ere strekken op de dag, dat Ik Mij verheerlijk, zegt Jahweh, de Heer.
13Sim, todo o povo da terra os sepultará; e eles se tornarão famosos no dia em que eu for glorificado”, diz o Senhor DEUS.
14Men zal mannen aanstellen, met de opdracht het land te doorkruisen, en de doortrekkers op te zoeken, die nog op het open veld bleven liggen. Na die zeven maanden gaan ze op zoek, om het land te reinigen.
14“'“Eles separarão homens de emprego contínuo que passarão pela terra. Aqueles que passarem irão com os que sepultam os que restarem sobre a superfície da terra, para purificá-la. Ao fim de sete meses, eles farão a busca.
15Als zij dan het land doorkruisen, en iemand van hen ziet een mensenbeen liggen, dan zal hij er een teken naast plaatsen, totdat de doodgravers het in het dal van Gogs drommen begraven.
15Aqueles que buscarem pela terra passarão; e quando alguém vir um osso humano, colocará um sinal junto a ele, até que os coveiros o tenham sepultado no vale de Hamom-Gogue.
16Zo zal men het land reinigen.
16Hamoná também será o nome de uma cidade. Assim eles purificarão a terra.”'
17Mensenkind: zo spreekt Jahweh, de Heer! Dan moet ge roepen tot de vogels van allerlei slag en tot alle wilde dieren: Komt hier bij elkaar; verzamelt u van alle kanten rond het offer, dat Ik voor u heb klaargemaakt: een reuzen-offer op de bergen van Israël; daar kunt ge vlees vreten en bloed gaan slurpen.
17“Você, filho do homem, assim diz o Senhor DEUS: 'Fale às aves de toda espécie, e a todos os animais do campo: “Reúnam-se e venham; ajuntem-se de todos os lados para o meu sacrifício que sacrifico por vocês, um grande sacrifício sobre os montes de Israel, para que comam carne e bebam sangue.
18Vlees van helden kunt ge vreten, en bloed van de prinsen der aarde slurpen: van rammen en bokken, hamels en varren, allemaal mestvee van Basjan.
18Vocês comerão a carne dos poderosos e beberão o sangue dos príncipes da terra, de carneiros, de cordeiros, de bodes e de touros, todos eles animais gordos de Basã.
19Van het offer, dat Ik voor u heb klaargemaakt, kunt ge vet schrokken tot het u tegenstaat, bloed slurpen tot ge er zat van wordt.
19Vocês comerão gordura até se fartarem, e beberão sangue até se embriagarem, do meu sacrifício que sacrifiquei por vocês.
20Aan mijn tafel kunt ge u zat eten aan paarden en ruiters, helden en allerlei krijgsvolk, zegt Jahweh, de Heer.
20Vocês se fartarão à minha mesa com cavalos e cavaleiros, com homens poderosos e com todos os homens de guerra”, diz o Senhor DEUS.'
21Zo zal Ik mijn heerlijkheid aan de volken tonen, zullen alle volken het vonnis aanschouwen dat Ik voltrek, en de hand die Ik op hen laat drukken.
21“Estabelecerei a minha glória entre as nações. Então todas as nações verão o meu juízo que executei, e a minha mão que coloquei sobre elas.
22Zo zal ook het huis van Israël erkennen, dat Ik, Jahweh, hun God ben eens en voor al!
22Assim a casa de Israel saberá que eu sou o SENHOR, o seu Deus, daquele dia em diante.
23Dan zullen alle volken inzien, dat het huis van Israël door eigen schuld werd verbannen; dat Ik mijn gelaat voor hen heb verborgen, en hen heb overgeleverd in de macht van hun vijanden; en dat ze allen getroffen zijn door het zwaard, omdat zij Mij ontrouw waren;
23As nações saberão que a casa de Israel foi para o cativeiro por causa da sua iniquidade, porque eles transgrediram contra mim, e eu escondi deles o meu rosto; por isso eu os entreguei nas mãos dos seus adversários, e todos eles caíram à espada.
24dat Ik hen naar hun onreinheid en hun wandaden heb behandeld, en mijn gelaat voor hen heb verborgen.
24Eu os tratei de acordo com a sua impureza e de acordo com as suas transgressões. Eu escondi deles o meu rosto.
25Waarachtig, zegt Jahweh, de Heer: eenmaal zal Ik Jakob gelukkig maken, Mij over heel het huis van Israël erbarmen, en ijveren voor mijn heilige Naam.
25“Portanto, assim diz o Senhor DEUS: 'Agora eu reverterei o cativeiro de Jacó e terei misericórdia de toda a casa de Israel. Terei zelo pelo meu santo nome.
26Als zij rustig op hun eigen grond zullen wonen, en er niemand is die hen opschrikt, dan zullen ze hun schande vergeten en al de trouweloosheid, waarmee ze van Mij zijn afgevallen.
26Eles esquecerão a sua vergonha e todas as suas transgressões pelas quais transgrediram contra mim, quando habitarem seguros na sua terra. Ninguém os fará ter medo
27Als Ik ze uit de volken heb weggevoerd, en ze bijeen heb gebracht uit de landen van hun vijanden, zal Ik door hen voor de ogen van talrijke volken mijn heiligheid tonen.
27quando eu os tiver trazido de volta dentre os povos, os tiver ajuntado das terras dos seus inimigos, e me mostrar santo entre eles à vista de muitas nações.
28Dan zullen ze erkennen, dat Ik, Jahweh, hun God ben, die hen wel naar de volken verbande, maar die ze naar hun eigen grond heeft teruggebracht en daar niemand heeft achtergelaten.
28Eles saberão que eu sou o SENHOR, o seu Deus, porquanto os fiz ir para o cativeiro entre as nações, e os ajuntei na sua própria terra. Então não deixarei mais nenhum deles cativo.
29Nooit meer zal Ik mijn gelaat voor hen verbergen, omdat Ik mijn geest heb uitgestort over Israëls huis: is de godsspraak van Jahweh, den Heer!
29Não esconderei mais deles o meu rosto, pois derramei o meu Espírito sobre a casa de Israel', diz o Senhor DEUS.”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.