Pjalm 19
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1LAN pokon kin kajokajoi duen li n an en Kot o aude pan la n kin katitiki dodok en lim a kan.
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. De hemelen verhalen de glorie van God, Het firmament verkondigt het werk zijner handen;
2Ran eu kin kajokajoi o n eu ran o po n eu kin padaki o n eu po n .
2De dag roept het toe aan de andere dag, En de nacht meldt het weer aan de nacht.
3Jota kaparok o jota lepen lokaia, ari jo, n il a kin peido.
3Geen taal en geen woorden, Hun stem hoort men niet;
4O a loua padak lel o n jap karoj, o a kaparok lel imwin jappa. A kotin wiai o n katipin im pwal eu pan la n ;
4Toch galmen over heel de aarde hun klanken, Tot aan de grenzen der wereld hun tonen.
5O a kin pedoi ja n nan a pera dueta ol kamod amen, o kin pereperen dueta ol kamod amen ni a ta n wei pon al o.
5Hij heeft voor de zon een tent opgeslagen In het midden der zee; Ze is als een bruidegom, die uit de bruidskamer treedt, Stralend van vreugd als een held, die zijn loopbaan begint.
6A dakada ni eu imwin la n ap ta n ala n imwin teio, o jota me kak rir ja n mon karakar a.
6Haar opgang is aan het eind van de hemel, Haar kringloop tot aan het andere eind; Niets blijft verborgen Voor haar gloed.
7Kapu n en Ieowa me unjok o kin kainjenemauiala n en en aramaj akan. Kadede en Ieowa me melel o kin kaloleko n la me lolepon.
7Jahweh’s wet is volmaakt: een verkwikking der ziel; Jahweh’s gebod betrouwbaar: een wijsheid voor eenvoudigen;
8Kujoned en Ieowa me pu n o kin kaperenda mo n io n en aramaj. Kujoned en Ieowa me makelekel o kamarainiada maj en aramaj.
8Jahweh’s bevelen rechtvaardig: een vreugd voor het hart; Jahweh’s voorschrift onberispelijk: een licht voor de ogen;
9Lomwin Ieowa me min o kin duedueta. Majan en Ieowa kan me melel, o pu n kaualap.
9Jahweh’s woord zonder smet: voor eeuwig bestendig; Jahweh’s oordelen waarheid: alle rechtvaardig!
10Irail me kajampwal ja n kold o kold li n an toto, o iau ja n onik o onik kajampwal.
10Kostbaarder zijn ze dan goud en edel metaal; Zoeter dan honing en zeem uit de raten.
11Ir me pil kin katamanda japwilim omui ladu, o me kin kapwai ir ada, ar katin me lapalap.
11Ook uw dienaar weet ze naar waarde te schatten: Wie ze trouw onderhoudt, wordt rijk beloond.
12Ij me kak aja duen toto en a japu n ? Kom kotin lapwada dip ai me rir akan.
12Maar wie kan al zijn fouten kennen? Vergeef mij ook, die ik me niet ben bewust.
13Pil perewei ja n japwilim omui ladu me aklapalap, pwe ren der kaloe ia di, i ap pan pu n ala, o pan makelekel ja n dip lapalap kokolata.
13Maar behoed ook uw dienaar voor zelfoverschatting; Laat die niet over mij heersen! Dan zal ik altijd smetteloos blijven, En rein van grote zonden;
14Kom kotin kupura kaparok en au ai o lokolokaia en mo n io n I mo ’mui, Ieowa ai paipalap o ai jaundor.
14Dan zal het woord van mijn mond U behagen, Met het gepeins van mijn hart, o Jahweh, mijn Rots en Redder!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.