Pjalm 123
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I KIN jarada wo n komui, me kotikot nanla n .
1Een bedevaartslied. Tot U hef ik mijn ogen omhoog, Tot U, die troont in de hemel!
2Kila n , duen maj en ladu kan kin kilekila n lim en ar jaumaj akan, o duen maj en lidu kan kin kilekila n a jaumaj li, iduen maj at kin ariri Ieowa at Kol, a lao kotin maki o n kit.
2Zie, als de ogen van slaven op de hand hunner meesters, En het oog der slavin op de hand van haar gebiedster: Zo zijn ònze ogen op Jahweh gericht, Onzen God, totdat Hij Zich onzer erbarmt.
3Mai n Ieowa, kom kotin maki o n , kotin maki o n kit! Two kit me dir en namenok.
3Ontferm U onzer, o Jahweh. Ach, erbarm U over ons! Want we zijn met hoon overkropt,
4Monio n i toutouki en me jued akan ar mamale kin kit o en me aklapalap akan ar kanamenok kin kit.
4En onze ziel is er zat van: Door de spot van de snoevers, Door de smaad van de trotsen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.