Jeremia 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
1І надійшло слово Господнє до мене, говорючи:
2Ga, en roep het Jerusalem toe: Zo spreekt Jahweh! Ik denk terug aan de liefde uwer jeugd, Aan de min van uw bruidstijd, Toen ge Mij in de woestijn zijt gevolgd, In een onbebouwd land.
2Ійди, скажи голосно в уші дочцї Ерусалимській: Так говорить Господь: Я згадую про дружбу в молодощах твоїх, про любов твою, як ти ще була невістою, як пійшла єси за мною в пустиню, в землю незасїяну.
3Toen was Israël nog Jahweh’s heilig bezit, De eersteling van zijn oogst; Allen die er van aten, moesten het boeten, Rampen zouden hen treffen, spreekt Jahweh!
3Посьвячен був Ізраїль Господеві, як первоплід його; хто нї схотїв пожерати його, набірався гріха, накликав халепу на себе, говорить Господь.
4Hoort dan het woord van Jahweh, Huis van Jakob En alle geslachten van Israëls huis:
4Слухайте ж слова Господнього, доме Яковів і всї родини дому Ізрайлевого!
5Zo spreekt Jahweh! Wat onrecht hebben uw vaderen in Mij wel ontdekt, Dat ze Mij hebben verlaten, Om nietigheden te volgen, En zelf een niet te worden?
5Так говорить Господь: Яку кривду знайшли в менї батьки ваші, що відцурались мене й пійшли за марнотою та й зледащіли?
6Ze vroegen niet meer: Waar is Jahweh toch, Die ons uit Egypteland voerde, En ons geleid heeft door de woestijn? Een land van steppe en ravijnen, Een land van dorheid en donker, Een land, waar niemand doorheen trekt, Waar niemand wil wonen.
6І не сказали собі: Де Господь, що вивів нас із землї Египецької, водив нас по пустинї, по землї пустій та бездорожній, по землї образу смертнього, по якій нїхто не ходив, анї жила в нїй людина?
7Ik heb u in een land van tuinen gebracht, Om er de heerlijkste vruchten te eten; Maar na uw intocht hebt ge mijn land verpest, Mijn erfdeel tot een gruwel gemaakt.
7І я вас увів у землю плодющу, щоб ви живились її вроджаєм і добром її; а ви ввійшли та й зʼогидили землю мою, й зробили гидотою наслїддє моє.
8Zelfs de priesters vroegen niet meer: Waar is Jahweh toch? Die de wet moesten handhaven, kenden Mij niet, De leiders werden Mij ontrouw. De profeten voorspelden in den naam van den Báal, En liepen machteloze afgoden na.
8Сьвященники не питали: Де Господь? і законники не хотїли знати мене; пастирі одпали від мене, а пророки пророкували в імя Баала, і ходили слїдом за тими, що не здолїють помагати.
9Daarom zal Ik u richten, zegt Jahweh, En de kinderen van uw zonen nog straffen.
9Тим то я буду правуватись із вами, говорить Господь, та ще й з дїтьми дїтей ваших судити мусь.
10Gaat naar de eilanden der Kittiërs kijken, Zendt boden naar Kédar; Onderzoekt het nauwkeurig, En ziet, of zo iets ooit is gebeurd!
10Бо пійдїте лиш на острови Хиттимські та придивітесь, пошлїть у Кедар і розпитайте пильно та упевнїтесь, чи таке бувало коли там?
11Heeft ooit een volk zijn goden verruild; En dat zijn niet eens goden! Maar mijn volk heeft zijn Glorie verruild, Voor machteloze afgoden.
11Чи перемінив коли котрий народ боги свої, хоч то не боги; мій же нарід проміняв славу свою на таке, що не здолїє помогти!
12Hemelen, huivert er van, Beeft en verstart van ontzetting, Is de godsspraak van Jahweh: Mijn volk heeft een dubbele misdaad begaan!
12Здивуйтеся сьому, небеса, задрожіть і злякайтесь, говорить Господь.
13Mij hebben ze durven verlaten, Mij, de bron van levende wateren: Om zich gebarsten putten te slaan, Die geen water kunnen houden.
13Двояке бо ледарство вчинив нарід мій: мене, криницю води живої, покинули, а повирубували собі дїраві колодязї, що не держать води.
14Israël was toch geen knecht, Hij was toch geen slaaf? Waarom is hij dan een prooi geworden
14Чи то ж Ізраїль раб, або домівник у раба? Чом же се він зробився невольником?
15Waarover leeuwen briesen en brullen. Men heeft zijn land tot een steppe gemaakt, Zijn steden verwoest en ontvolkt;
15(отсе бо) Зарикали проти його леви, дали голос із себе, і зробили його землю пустинею; городи його пущено на пожар, обезлюджено.
16Ja, de mannen van Nof en Tachpanches Hebben uw schedel kaal gegraasd.
16Та й сини Мемфиса й Тафни пообгризали аж тїмя у тебе.
17Hebt ge dit u zelf niet berokkend, Door Mij te verlaten, Toen Ik u nog wilde leiden, Spreekt Jahweh, uw God?
17Чи не тим же наробив ти таке собі, що покинув Господа, Бога твого, тодї, як він був провідником твоїм?
18Wat hadt ge dan naar Egypte te lopen, Om water uit de Nijl te drinken; Wat hadt ge naar Assjoer te gaan, Om water uit de Eufraat te slurpen?
18А й тепер — за чим тобі дорога в Египет, пити воду з Нилу? або за чим тобі дорога в Ассирию, пити воду з її ріки?
19Neen, het was uw misdaad, die u sloeg, En uw afval, die u bestrafte; Opdat ge zoudt weten en inzien, hoe kwaad en bitter het is, Jahweh, uw God te verlaten! Maar ge vreest Mij niet meer, Spreekt de Heer, Jahweh der heirscharen!
19Безбожність твоя буде тобі карою, й зрада твоя — докором тобі, щоб ти спізнав і зрозумів, яке се лихо, і як гірка се річ, що ти покинув Господа, Бога твого, й що нема в тебе страху мого, говорить Господь, Бог Саваот.
20Want lang reeds hebt gij uw juk verbroken, Uw banden verscheurd. Ge hebt gezegd: Ik wil U niet dienen! Maar op iedere hoge heuvel, En onder elke groene boom Zijt ge gaan liggen als een deerne!
20Бо з давних давен ломив я ярмо твоє, розривав ужевки твої, й ти мовляв: не буду служити ідолам; а між тим блудував єси на кожному високому горбі й під кожним гілястим деревом.
21Ik had u geplant als een edele wijnstok, Van het zuiverste ras: Hoe zijt ge dan tot bocht verbasterd, Een wilde wingerd?
21Я насадив тебе, як добірну виноградину, — як найчистїйше насїннє; як же се ти перемінилась у мене в дикий відросток чужої виноградини?
22Al zoudt ge u wassen met loog, Met zeep, zoveel ge maar wilt, Vuil blijft uw schuld in mijn ogen: Is de godsspraak van Jahweh, den Heer!
22Тим то хоч би ти вимилась милом, і вживала багато соли, то безбожність твоя все явна менї, говорить Господь.
23Hoe durft ge zeggen: Ik ben niet bezoedeld, Ik liep de Báals niet na; Kijk maar eens naar uw gedoe in het Dal, Denk terug aan wat ge daar hebt gedaan! Vlugge kameel, die steeds heen en weer draaft,
23Як се ти можеш казати: Не поганила я себе, не бігала за Баалом? Подивись на твої слїди в долинї; споглянь, що коїла єси, легконога ти верблюдице, крутячись манівцями твоїми, —
24Wilde ezelin, aan de steppe gewend, Die in haar geilheid naar lucht snapt: Wie tempert haar bronst? Wie haar wil vangen, hoeft zich niet te vermoeien, In haar bronsttijd vindt men ze wel:
24Ослицю дику, що звикла пустопаш степувати, коли в гарячому бажаннї вітер в себе втягає, — хто здолїє впинити? Всї, що її шукають, не втомляться: в її погульньому місяцї вони знайдуть її.
25Pas op, dat ge uw voeten niet doorloopt, Dat uw keel niet verdroogt! Maar ge antwoordt: ‘t Is onmogelijk; ‘t is tevergeefs; Want ik houd van de vreemden, Hèn loop ik na!
25Здержуй ноги твої, щоб не витоптували обуви, не давай горлу твому томитись спрагою. Ти ж кажеш: Не надїйсь, нї! бо я вподобала собі чужих (богів), так і бігати му слїдом за ними.
26Zoals een dief, die betrapt wordt, zich schaamt, Wordt het huis van Israël te schande: Zij met hun koningen en vorsten, Met hun priesters en hun profeten.
26Як уловлений злодїй буває посоромлений, так осоромив себе дом Ізраїля вкупі з царями своїми, з князями своїми, сьвященниками й пророками своїми, —
27Die tot een stuk hout durven zeggen: Gij zijt mijn vader; Tot een blok steen: Gij hebt mij verwekt; Die Mij de nek toekeren, niet hun gelaat; Die enkel in tijden van rampspoed roepen: Op, ons te hulp!
27Ті, що мовляли до деревяного образу: Ти отець мій, а до каменя: Ти зродив мене! повернулись бо вони до мене плечима, а не лицем. Як же бідувати муть, тодї кликати муть: „Устань, рятуй нас!‟
28Waar zijn toch uw goden, die gij u hebt gemaakt: Laat ze opstaan, als ze u kunnen helpen in tijden van nood. Want even talrijk als uw steden, Zijn uw goden, o Juda!
28Де ж твої боги, що понароблював собі? нехай вони повстають, коли зможуть помогти тобі в бідї твоїй, бо ж скілько в тебе городів, стілько й богів у тебе, Юдо.
29Hoe durft ge nog over Mij klagen: Ge zijt Mij allen ontrouw geworden, spreekt Jahweh!
29Чого ж вам перечитись зо мною? ви ж усї согрішили проти мене, — говорить Господь.
30Tevergeefs heb Ik uw vaders geslagen, Gij hebt er niets uit geleerd. Het zwaard heeft uw profeten verslonden Als een verscheurende leeuw;
30Шкода було менї побивати синів ваших: кара не врозумила їх; меч ваш пожерав і пророків ваших, як лев вигублюючий.
31Broed, dat ge zijt, Hebt ge ooit naar het woord van Jahweh geluisterd? Ben Ik voor Israël een woestijn geweest, Of een land van akelig donker? Waarom zegt dan mijn volk: We lopen weg, We komen niet bij U terug?
31Ой ти роде! послухайте лиш слова Господнього: Чи то ж я та був пустинею Ізрайлеві, або мрячною землею? Чого ж се мої люде говорять: маємо свою волю, не вернемо вже до тебе?!
32Vergeet een meisje haar opschik, Een bruid soms haar gordel? Maar Mij heeft mijn volk wèl vergeten, Sinds onafzienbare tijden.
32Чи забуває ж коли дївчина свої прикраси, молода княгиня — наряди свої? а нарід мій забув мене — безлїч уже днїв тому.
33Hoe goed verstaat ge het toch, Naar liefde te zoeken, En daarom uw wandel Aan misdaad te wennen!
33Як метко ти прямуєш стежками твоїми, шукаючи любови! Ти ж і до проступків скривляла дороги твої.
34Ja, aan uw handen kleeft bloed, Het leven van onschuldige kleinen: Ik heb ze niet in de groeve gevonden, Maar overal onder de eiken.
34Ба й на полах ув одежі твоїй видко кров безвинних бідолах, що не заставала їх на розбишацтві.
35En dan durft ge nog zeggen: Ik ben onschuldig; Zijn gramschap is van mij weg! Hier ben Ik, om u te kastijden, Omdat ge nog zegt: Ik hèb niet gezondigd!
35А проте таки мовляєш: „невинна я, так певно ж і гнїв його одвернеться од мене‟. Оце ж я буду судитись із тобою за те, що кажеш: „Я не согрішила.‟
36Waarom maakt ge zo’n haast, Om van weg te veranderen: Ook Egypte zal u beschamen, Zoals Assjoer het deed!
36Про що ж ти много блукаєш, змінюючи путь твою? Ти ж так само заведешся на Египтї, як помилилась на Ассириї;
37Ook vandaar komt ge terug Met het hoofd in uw handen; Want Jahweh heeft uw stut verstoten, Daar zult ge geen vreugd aan beleven!
37І звідти вийдеш, зложивши руки на голову, бо Господь відопхнув тих, що на їх уповала єси, й не пощастить тобі з ними.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.