Jeremia
Chapter 12
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Jahweh, Gij zijt te rechtvaardig, om met U te twisten; Toch leg ik U een rechtsvraag voor: Waarom hebben de goddelozen geluk, Leven al de trouwelozen in vrede?
1Праведним останеш ти, Господи, як би я хотїв судитись із тобою, а все таки буду я говорити до тебе про правосуд: чом се щаститься безбожним на їх дорозї, і добре дїєсь зрадливим?
2Gij hebt ze geplant; ze hebben wortel geschoten, Ze groeien, en dragen ook vrucht: Toch waart Gij enkel dichtbij in hun mond, Maar ver van hun hart.
2Ти понасаджував їх, і вони позакоренювались; ростуть і плодяться. Ти близько в них на устах, та далеко од серця їх.
3Jahweh, Gij kent en doorschouwt mij, Gij toetst mijn gezindheid voor U: Sleep ze dus weg als schapen ter slachting, Bestem ze voor de dag van de dood!
3Мене ж Господи, ти знаєш, бачиш наскрізь і вивідуєш серце моє, яке воно до тебе. Відлучи їх, як вівцї на заріз, і наготуй їх на день убивання.
4Hoelang zal het land blijven treuren, En al het veldgewas kwijnen, Zullen vee en vogels vergaan om de boosheid van zijn bewoners? Ze durven nog zeggen: Hij zal ons einde niet zien!
4Чи довго ще сумувати ме земля та сохнути ме зело на всїх полях? Через ледарство тих, що живуть на їй, зникає зьвірина й птаство; вони бо провадять: Він і не побачить, що з нами буде.
5Als u de wedloop met voetgangers afmat, Hoe houdt ge de paarden dan bij; En als ge u niet veilig voelt in een vredig land, Wat doet ge dan in het kreupelhout van de Jordaan?
5Коли ти втїкав перед пішими та й утомився, як же втїкати меш навзаводи з комонником? і коли тілько здавалось тобі, що ти безпечен в затишній країнї, то що чинити меш, як розбурхається Йордань?
6Want zelfs uw broeders en het huis van uw vader Zijn u ontrouw geworden, en schreeuwen u na; Vertrouw ze dus niet, Al spreken ze u nog zo vriendelijk toe!
6Бо й браттє твоє й дом отця твого, — й вони зрадливі проти тебе, й вони кричать голосно вслїд за тобою. Не йми їм віри, хоч би й прихильно до тебе говорили.
7Ik heb mijn huis al verlaten, Mijn erfdeel verstoten, Mijn zielsgeliefde overgeleverd In de hand van haar vijanden.
7Покинув я дом мій, відцуравсь од наслїддя мого; що менї було найлюбійше, подав на поталу ворогам моїм.
8Mijn erfdeel is tegen Mij opgestaan Als een leeuw in het woud; Het brulde Mij tegen, En daarom ging Ik het haten.
8Наслїддє моє зробилось менї (ворогом), мов той лев у гаю, бо підняло голос свій проти мене; за те ж я й ненавидїв його.
9Mijn erfdeel is in mijn oog een bonte vogel geworden, Van alle kanten door roofvogels omringd. Op, drijft de wilde beesten samen, Haalt ze bijeen, om het op te slokken.
9Власність моя зробилась менї пестроперим птахом, що на його напали з усїх боків хижі птицї. Ой збігайся ж, усе полеве зьвіррє; ходїть, пожерайте його!
10Een bende herders heeft mijn wijngaard vernield, Mijn erfdeel vertrapt, Mijn kostelijke akker In een woeste steppe veranderd.
10Гурт пастухів показили виноградник мій, дїленицю мою витоптали ногами; любу дїленицю, мою зробили порожним степом, —
11Ze hebben er een woestijn van gemaakt, Treurend en eenzaam voor mijn aanschijn; Het hele land ligt verwoest, Niemand, die er zich om bekommert.
11Зробили її пусткою, й плаче вона в запустїнню передо мною; вся земля спустошена, а нема чоловіка, хто б приймав се до серця.
12Over alle toppen der steppe Zijn de rovers gekomen; Want het zwaard van Jahweh verslindt aan het ééne einde, En tot het andere eind van het land is geen sterveling veilig.
12На всї гори в пустинї понабігали пустошники, бо меч Господень пожерає все від конця до конця землї: нема рятунку нїодній людинї.
13Ze hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid, Zich vruchteloos afgesloofd; Nu staan ze beschaamd om hun oogst Door Jahweh’s ziedende toorn.
13Сїяли вони пшеницю, а пожали тернину; потомились без пожитку; соромити метесь вашого вроджаю через палаючий гнїв Господень.
14Zo spreekt Jahweh: Al mijn boze buren, die mijn erfdeel hebben aangerand, Dat Ik Israël, mijn volk, had geschonken: Zie, Ik ruk ze weg van hun grond, En het huis van Juda uit hun midden.
14Так говорить Господь про всїх злющих сусїдів моїх, що нападають на пай, котрий я дав у державу моїм людям, Ізраїлеві: Ось, я повириваю їх із їх землї, а дом Юдин вирву зпосеред них.
15Maar als Ik ze heb weggerukt, Zal Ik Mij weer hunner ontfermen; Dan breng Ik ze allen terug naar hun erfdeel, Allen weer terug naar hun eigen land.
15Опісля ж, повиривавши їх, змилосерджусь до них і поверну їх додому, кожного в його державу й кожного в його країну.
16En als zij de wegen van mijn volk leren kennen, Bij mijn Naam leren zweren: “Bij het leven van Jahweh!” Zoals ze mijn volk bij Báal leerden zweren: Dan krijgen ze een plaats in de kring van mijn volk.
16І коли вони навчаться ходити дорогами людей моїх, клястись моїм імям: „Так певно, як живе Господь‟, як се вони навчили моїх людей клястись Баалом, — то осядуться серед люду мого.
17Maar zo ze niet willen horen, Zal Ik dit volk vernielen, Vernielen en verdelgen: Is de godsspraak van Jahweh!
17Коли ж не слухати муть, то я викореню до щаду той народ, говорить Господь.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.