Jeremia 32
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord, dat door Jahweh tot Jeremias gericht werd in het tiende jaar van Sedekias, koning van Juda, en het achttiende jaar van Nabukodonosor.
1Слово, що надійшло до Еремії від Господа в десятому роцї Седекіїному, царя Юдейського, — се був вісїмнайцятий рік Навуходонозорів.
2Het was in de tijd, dat het leger van den koning van Babel Jerusalem belegerde, en dat de profeet Jeremias in hechtenis zat in de gevangen-hof van het paleis van den koning van Juda.
2Тодї військо царя Вавилонського, облягало Ерусалим, а пророк Еремія седїв запертий в сторожовому дворі коло палати царя Юдейського.
3Want Sedekias, de koning van Juda, had hem gevangen gezet, en hem beschuldigd: Waarom hebt ge geprofeteerd: Zo spreekt Jahweh! Zie, Ik lever deze stad in de macht van den koning van Babel, en die neemt haar in.
3А посадив його туди Седекія, царь Юдейський, докоряючи йому: На що пророкуєш та говориш: так каже Господь: ось, я оддаю се місто на поталу цареві Вавилонському, й він звоює його;
4En Sedekias, de koning van Juda, zal niet ontsnappen aan de Chaldeën, maar hij zal aan den koning van Babel worden overgeleverd, van mond tot mond met hem spreken, en hem zien van oog tot oog.
4Та й Седекія, царь Юдейський, не уйде рук у Халдеїв, а буде певно подан цареві Вавилонському на поталу, й розмовляти ме з ним устами до уст, і очі його будуть глядїти в очі йому;
5Sedekias zal door hem naar Babel worden gebracht, en daar blijven, totdat Ik naar hem zal omzien, is de godsspraak van Jahweh. En wanneer gij tegen de Chaldeën wilt vechten, zult ge het niet winnen!
5І поведе він Седекію в Вавилон, і пробувати ме він там, аж докіль не навідаюсь до його, говорить Господь; і як будете воювати з Халдеями, не пощастить вам. —
6Jeremias dan sprak: Ik heb een woord van Jahweh ontvangen:
6І сказав Еремія: Таке слово Господнє надійшло до мене:
7Zie, Chanamel, de zoon van uw oom Sjalloem, komt naar u toe met het aanbod: Koop van mij de akker in Anatot; want als goël hebt ge recht op de koop.
7Ось, ійде до тебе Анамеїл Саллуменко, син дядька твого, сказати тобі: Купи моє поле в Анатотї, бо по праву родинньому тобі можна купити його.
8Mijn neef Chanamel kwam inderdaad naar mij toe in de gevangen-hof, zoals Jahweh gezegd had, en hij sprak tot mij: Koop van mij de akker in Anatot in het land van Benjamin, want gij hebt er erfrecht op en recht van goël; koop hem derhalve. Nu begreep ik, wat Jahweh bedoeld had.
8І прийшов мій небіж Анамеїл, по слову Господньому, до мене у сторожовий двір, та й каже менї: Купи моє поле в Анатотї, що в землї Беняминовій, бо за тобою й право наслїднє і право викупу; — купи його собі. Тодї я зрозумів, що се справдї було слово Господнє.
9Ik kocht dus de akker in Anatot van Chanamel, mijn neef, en woog hem het geld, ter waarde van zeventien zilversikkels af.
9І купив я поле в Анамеїла, сина дядька мого, й одважив йому сїмнайцять срібних секлів.
10Ik schreef het contract, verzegelde het onder getuigen, en woog het geld op de weegschaal af.
10Тодї списав я купну вгоду, приложив печать, покликав на те сьвідків та й одважив гроші на вазї.
11Daarna nam ik het koopcontract, zowel het verzegelde met voorwaarden en waarborgen, als het open contract,
11І взяв я купну запись запечатану, після закону й устави, і запись відкриту,
12en gaf het aan Baruk, den zoon van Neri-ja, zoon van Machseja, in tegenwoordigheid van mijn neef Chanamel, van de getuigen, die het koopcontract ondertekend hadden, en van al de Joden, die zich in de gevangen-hof bevonden.
12Та й передав тую купну запись Барухові Нирієнкові Маассеєнкові перед моїм родичем Анамеїлом і при сьвідках, що підписали тую купну запись, при всїх Юдеях, що седїли в сторожовому дворі,
13En in het bijzijn van allen gaf ik Baruk bevel:
13І наказав Барухові прилюдно:
14Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Neem deze oorkonden, het verzegelde koopcontract zowel als het open, en sluit ze in een klei-omhulsel, opdat ze lange tijd goed blijven.
14Так говорить Господь сил небесних, Бог Ізраїля: Возьми сї записї, сю запечатану купну запись і сю відкриту купну запись, та й зложи в глиняну посудину, щоб вони там могли передержатись довгий час.
15Want zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Eens zullen er weer huizen, akkers en wijngaarden in dit land worden gekocht!
15Так бо говорить Господь Саваот, Бог Ізрайлїв: Будуть колись ізнов купуватись доми й поля й виноградники в сїй землї.
16Maar toen ik het koopcontract aan Baruk, den zoon van Neri-ja, had overgereikt, begon ik tot Jahweh te bidden:
16І, передавши Барухові Нирієнкові, купну запись, помоливсь я так до Господа:
17Ach Jahweh, mijn Heer! Gij zijt het, die hemel en aarde hebt geschapen door uw grote kracht en gespierde arm: geen wonder is voor U te groot.
17Ой Господи Боже! Ти сотворив небо й землю великою силою твоєю й простягнутою рукою твоєю: в тебе нема нїчого неможливого;
18Gij zijt het, die aan duizenden genade bewijst, maar die ook de schuld van de vaderen in de schoot van hun nageslacht uitbetaalt: grote en sterke God, die Jahweh der heirscharen wordt genoemd.
18Ти подаєш милость тисячам і відплачуєш батькївські гріхи в нутро дїтям по них; Ти, Боже великий і могучий, що ймя тобі Господь сил небесних.
19Gij, die groot in beleid zijt en machtig in werken, wiens ogen steeds zijn geopend voor alle wegen van de kinderen der mensen, om iedereen zijn gedrag te vergelden en de vrucht van zijn werken.
19Великий ти в замірах і потужний в дїлах; твої очі бачні на всї стежки в людських дїтей, щоб платити кожному по його ходах і по плодах учинків його;
20Gij, die tekenen en wonderen deedt in het land van Egypte, en tot heden toe U een Naam hebt gemaakt in Israël en onder de mensen, zoals die thans is bekend.
20Ти, що творив знамення й чудеса потужною рукою й чудеса в Египтї, та й по сей день твориш ув Ізраїлї і на всїх людях, й прославив своє імя по сей день;
21Gij hebt Israël, uw volk, uit het land van Egypte geleid met tekenen en wonderen, met sterke hand, gespierde arm en geweldige schrik.
21Ти вивів людей твоїх, Ізраїля, з землї Египецької при знаменах й чудесах, потужною рукою й простягнутою правицею і при страсї великім,
22Gij hebt hun dit land gegeven, dat Gij hun vaderen onder ede hadt beloofd: een land, dat druipt van melk en honing.
22І дав їм сю землю, що її дати клявся батькам їх, — землю, текущу молоком і медом!
23Maar toen zij er waren gekomen, en het in bezit hadden genomen, luisterden ze niet naar uw stem, leefden ze niet naar uw wet, en volbrachten ze niets van wat Gij hun bevolen hadt; daarom hebt Gij al deze rampen over hen uitgestort.
23Вони ввійшли й взяли її в державу, та не слухали заповідей твоїх, і не ходили робом законів твоїх, не чинили того, що їм заповідав єси, і за те ти вдарив їх усїм лихолїттєм сим.
24Zie, nu liggen de belegeringswallen al om de stad, om haar in te nemen; en door zwaard, honger en pest staat de stad op het punt, in de handen der Chaldeën te vallen, die haar belegeren. Waarmee Gij gedreigd hebt, wordt nu voltrokken: Gij ziet het toch zelf.
24Ось, облогові вали сягають аж до городу, щоб звоювати його; ось, притиснене мечем, голоднечею й моровою пошестю, подається місто в руки Халдеям, що його облягли; те, що ти говорив, те й спевнюється, як ти сам бачиш.
25En terwijl de stad in de macht der Chaldeën wordt overgeleverd, zegt Gij mij nog, Jahweh, mijn Heer: Koop u de akker voor geld, en neem er getuigen bij!
25А ти, Господи Боже, сказав менї: Купи собі поле за гроші та возьми сьвідків, тим часом як місто попадається в руки Халдеям!
26Toen werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
26І надійшло слово Господнє до Еремії таке:
27Waarachtig. Ik ben Jahweh, de God van alle vlees; is er voor Mij een wonder te groot?
27Ось, я — Господь, Бог усякого тїла, то ж у мене та було б що неможливе?
28Daarom spreekt Jahweh: Zie, Ik lever deze stad in de handen der Chaldeën, en in de hand van Nabukodonosor, den koning van Babel; die neemt haar in.
28Тим же то так говорить Господь: От, я оддаю се місто Халдеям на поталу й в руки Навуходонозорові, цареві Вавилонському, й він звоює його,
29De Chaldeën, die deze stad belegeren, komen er in, en zullen deze stad in vlammen doen opgaan, en ook de huizen verbranden, waar men op het dak aan Báal wierook heeft gebrand, en plengoffers voor vreemde goden heeft uitgegoten, om Mij te tarten.
29І Халдеї, що облягають його, вломляться й запалять місто й спалять його й доми, що на їх кришах приношено кадило Баалові та приносили ливні жертви чужим богам, щоб доводити мене до гнїву.
30Waarachtig, de zonen van Israël en Juda hebben van hun prilste jeugd af nog nooit iets anders gedaan, dan wat kwaad is in mijn ogen; Israëls kinderen hebben Mij enkel getart door hun eigen maaksels, is de godsspraak van Jahweh.
30Бо сини Ізраїля та сини Юдинї вже змолоду тілько зло чинили перед очима в мене; сини Ізраїля хиба тілько що гнївили мене виробами рук своїх, говорить Господь.
31Ja, van de dag, dat deze stad werd gebouwd, tot heden toe, heeft zij mijn toorn en gramschap geprikkeld, zodat Ik ze verwerpen moet uit mijn aanschijn,
31Хиба тілько на гнїв менї та на досаду мою стояло се місто з того часу, як його збудовано, та й по сей день, щоб я відкинув його од лиця мого
32om al het kwaad, dat de zonen van Israël en Juda hebben bedreven, om Mij te tarten: zijzelf met hun koningen en aanvoerders, met hun priesters en profeten, de mannen van Juda en Jerusalems burgers.
32За все ледарство синів Ізрайлевих і синів Юдиних, що вони в гнїв менї коїли, — вони, царі їх, князї їх, сьвященники їх і пророки їх, і громадські мужі Ізраїлські й осадники Ерусалимські.
33Ze hebben Mij de nek toegekeerd, niet het gelaat; en ofschoon Ik ze de les heb gelezen van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat, hebben ze toch niet willen horen, zich niet laten gezeggen.
33Обернулись вони плечима до мене, а не лицем, та хоч я учив їх, учив від досьвітків, то вони не хотїли науки приймати.
34Ze hebben hun gruwelen gezet tot in de tempel, waarover mijn Naam is uitgeroepen, om die te bezoedelen;
34Ба й у храму, що його названо моїм імям, поставили вони гидоти свої і споганили його.
35ze hebben offerhoogten voor Báal gebouwd in het Ben-Hinnom-dal, om hun zonen en dochters te verbranden ter ere van Molok; dat had Ik hun toch zeker niet bevolen, en het was Mij niet in de gedachte gekomen, dat zij zulke gruwelen zouden bedrijven, en Juda tot zonde zouden verleiden.
35Вони позаводили висоти Баалові в долинї синів Енномових, щоб переводити через огонь сини свої й дочки свої в честь Молохові, чого я не приказував їм, та що менї й на думку не приходило, щоб вони коїли таку гидоту та Юду до гріха приводили.
36Maar nu spreekt Jahweh, Israëls God over deze stad, waarvan gij zegt, dat ze door zwaard, honger en pest in de macht van den koning van Babel is overgeleverd:
36А все ж таки нинї, так говорить Господь, Бог Ізраїля, про се місто, що ви про його провадите: Мечем і голоднечею й моровою пошестю оддається се місто на поталу цареві Вавилонському, —
37Zie, Ik breng ze uit alle landen bijeen, waarheen Ik ze in mijn toorn, mijn gramschap en grote woede ga verstrooien; Ik breng ze terug naar deze plaats, en zal ze er veilig doen wonen.
37Ось, я позбіраю їх знов із усїх земель, куди їх повиганяв у мойму гнїву й палкій яростї моїй і великій досадї та й верну на се місце, і дам їм жити в безпецї.
38Dan zullen zij mijn volk, en Ik zal hun God zijn;
38Тодї будуть вони моїм народом, я ж буду їх Богом.
39Ik maak ze één van hart en één van zin, om Mij voor immer te vrezen, tot heil van zichzelf en van hun kinderen na hen.
39І дам їм одно серце й одну путь, щоб вони по всяк час боялись мене на добро їм самим і на добро їх дїтям по них.
40Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten: dat Ik nooit zal ophouden, hun goed te doen; en dat Ik de vrees voor Mij in hun hart zal leggen, om nooit meer van Mij af te wijken.
40І вчиню з ними вічний завіт, що не одвернусь од них із моїми добродїйствами, й дам їм у серце страх передо мною, щоб не відвертались від мене.
41Dan zal Ik er een genot in vinden, hun goed te doen, en ze stevig in dit land te planten, met heel mijn hart en heel mijn ziel.
41І буду втїшатись ними, даючи їм добродїйства, й насаджу їх у сїй землї щиро, від усього серця й від усієї душі моєї.
42Want zo spreekt Jahweh: Zoals Ik al deze grote rampen over dit volk heb gebracht, zo zal Ik over hen ook al het goede doen komen, wat Ik hun nu beloof.
42Так бо говорить Господь: Як послав я на сей нарід усе те тяжке лихолїттє, так посилати му їм усї блага, що їм обітував.
43Er zullen weer akkers worden gekocht in dit land, waarvan ge zegt, dat het een wildernis is, zonder mensen en vee, overgeleverd in de macht der Chaldeën.
43І куповати муть ізнов поле в сїй землї, що про неї кажете: Се пустиня без людей і без скота; вона подана Халдеям на поталу;
44Men zal weer akkers kopen voor geld, oorkonden schrijven en onder getuigen verzegelen in het land van Benjamin, rondom Jerusalem, in de steden van Juda, in de steden van het bergland, van de vlakte en van de Négeb. Waarachtig, Ik zal ze weer gelukkig maken, is de godsspraak van Jahweh!
44І куповати муть поля за гроші, й записувати їх у книги, й печатати й приберати сьвідків — у землї Беняминовій і в околицях Ерусалимських, і по містах Юдиних, і по містах нагірніх і по містах подільських і по городах полуденних; бо я заверну їх назад із полону, говорить Господь.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.