Jeremia 32
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Het woord, dat door Jahweh tot Jeremias gericht werd in het tiende jaar van Sedekias, koning van Juda, en het achttiende jaar van Nabukodonosor.
1ΟΥΤΩΣ εἶπε Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραήλ· λαβὲ τὸ ποτήριον τοῦ οἴνου τοῦ ἀκράτου τούτου ἐκ χειρός μου καὶ ποτιεῖς πάντα τὰ ἔθνη, πρὸς ἃ ἐγὼ ἀποστέλλω σε πρὸς αὐτούς,
2Het was in de tijd, dat het leger van den koning van Babel Jerusalem belegerde, en dat de profeet Jeremias in hechtenis zat in de gevangen-hof van het paleis van den koning van Juda.
2καὶ πίονται καὶ ἐξεμοῦνται καὶ ἐκμανήσονται ἀπὸ προσώπου τῆς μαχαίρας, ἧς ἐγὼ ἀποστέλλω ἀνὰ μέσον αὐτῶν.
3Want Sedekias, de koning van Juda, had hem gevangen gezet, en hem beschuldigd: Waarom hebt ge geprofeteerd: Zo spreekt Jahweh! Zie, Ik lever deze stad in de macht van den koning van Babel, en die neemt haar in.
3καὶ ἔλαβον τὸ ποτήριον ἐκ χειρὸς Κυρίου καὶ ἐπότισα τὰ ἔθνη, πρὸς ἃ ἀπέστειλέ με Κύριος ἐπ' αὐτά,
4En Sedekias, de koning van Juda, zal niet ontsnappen aan de Chaldeën, maar hij zal aan den koning van Babel worden overgeleverd, van mond tot mond met hem spreken, en hem zien van oog tot oog.
4τὴν Ἱερουσαλὴμ καὶ τὰς πόλεις Ἰούδα καὶ βασιλεῖς Ἰούδα καὶ ἄρχοντας αὐτοῦ τοῦ θεῖναι αὐτὰς εἰς ἐρήμωσιν καὶ εἰς ἄβατον καὶ εἰς συριγμὸν
5Sedekias zal door hem naar Babel worden gebracht, en daar blijven, totdat Ik naar hem zal omzien, is de godsspraak van Jahweh. En wanneer gij tegen de Chaldeën wilt vechten, zult ge het niet winnen!
5καὶ τὸν Φαραὼ βασιλέα Αἰγύπτου καὶ τοὺς παῖδας αὐτοῦ καὶ τοὺς μεγιστᾶνας αὐτοῦ
6Jeremias dan sprak: Ik heb een woord van Jahweh ontvangen:
6καὶ πάντα τὸν λαὸν αὐτοῦ καὶ πάντας τοὺς συμμείκτους καὶ πάντας τοὺς βασιλεῖς ἀλλοφύλων, τὴν Ἀσκάλωνα καὶ τὴν Γάζαν καὶ τὴν Ἀκκάρων καὶ τὸ ἐπίλοιπον Ἀζώτου
7Zie, Chanamel, de zoon van uw oom Sjalloem, komt naar u toe met het aanbod: Koop van mij de akker in Anatot; want als goël hebt ge recht op de koop.
7καὶ τὴν Ἰδουμαίαν καὶ τὴν Μωαβῖτιν καὶ τοὺς υἱοὺς Ἀμμὼν
8Mijn neef Chanamel kwam inderdaad naar mij toe in de gevangen-hof, zoals Jahweh gezegd had, en hij sprak tot mij: Koop van mij de akker in Anatot in het land van Benjamin, want gij hebt er erfrecht op en recht van goël; koop hem derhalve. Nu begreep ik, wat Jahweh bedoeld had.
8καὶ βασιλεῖς Τύρου καὶ βασιλεῖς Σιδῶνος καὶ βασιλεῖς τοὺς ἐν τῷ πέραν τῆς θαλάσσης
9Ik kocht dus de akker in Anatot van Chanamel, mijn neef, en woog hem het geld, ter waarde van zeventien zilversikkels af.
9καὶ τὴν Δαιδὰν καὶ τὴν Θαιμὰν καὶ τὴν Ρῶς καὶ πᾶν περικεκαρμένον κατὰ πρόσωπον αὐτοῦ
10Ik schreef het contract, verzegelde het onder getuigen, en woog het geld op de weegschaal af.
10καὶ πάντας τοὺς συμμείκτους τοὺς καταλύοντας ἐν τῇ ἐρήμῳ
11Daarna nam ik het koopcontract, zowel het verzegelde met voorwaarden en waarborgen, als het open contract,
11καὶ πάντας βασιλεῖς Αἰλὰμ καὶ πάντας βασιλεῖς Περσῶν
12en gaf het aan Baruk, den zoon van Neri-ja, zoon van Machseja, in tegenwoordigheid van mijn neef Chanamel, van de getuigen, die het koopcontract ondertekend hadden, en van al de Joden, die zich in de gevangen-hof bevonden.
12καὶ πάντας βασιλεῖς ἀπὸ ἀπηλιώτου τοὺς πόρρω καὶ τοὺς ἐγγύς, ἕκαστον πρὸς τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ, καὶ πάσας βασιλείας τὰς ἐπὶ προσώπου τῆς γῆς.
13En in het bijzijn van allen gaf ik Baruk bevel:
13καὶ ἐρεῖς αὐτοῖς· οὕτως εἶπε Κύριος παντοκράτωρ· πίετε καὶ μεθύσθητε καὶ ἐξεμέσετε καὶ πεσεῖσθε καὶ οὐ μὴ ἀναστῆτε ἀπὸ προσώπου τῆς μαχαίρας, ἧς ἐγὼ ἀποστέλλω ἀνὰ μέσον ὑμῶν.
14Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Neem deze oorkonden, het verzegelde koopcontract zowel als het open, en sluit ze in een klei-omhulsel, opdat ze lange tijd goed blijven.
14καὶ ἔσται ὅταν μὴ βούλωνται δέξασθαι τὸ ποτήριον ἐκ τῆς χειρός σου ὥστε πιεῖν, καὶ ἐρεῖς· οὕτως εἶπε Κύριος· πιόντες πίεσθε·
15Want zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Eens zullen er weer huizen, akkers en wijngaarden in dit land worden gekocht!
15ὅτι ἐν πόλει, ἐν ᾗ ὠνομάσθη τὸ ὄνομά μου ἐπ' αὐτήν, ἐγὼ ἄρχομαι κακῶσαι, καὶ ὑμεῖς καθάρσει οὐ μὴ καθαρισθῆτε, ὅτι μάχαιραν ἐγὼ καλῶ ἐπὶ πάντας τοὺς καθημένους ἐπὶ τῆς γῆς.
16Maar toen ik het koopcontract aan Baruk, den zoon van Neri-ja, had overgereikt, begon ik tot Jahweh te bidden:
16καὶ σὺ προφητεύσεις ἐπ' αὐτοὺς τοὺς λόγους τούτους καὶ ἐρεῖς· Κύριος ἀφ' ὑψηλοῦ χρηματιεῖ, ἀπὸ τοῦ ἁγίου αὐτοῦ δώσει φωνὴν αὐτοῦ, λόγον χρηματιεῖ ἐπὶ τοῦ τόπου αὐτοῦ, καὶ αἰδὰδ ὥσπερ τρυγῶντες ἀποκριθήσονται· καὶ ἐπὶ καθημένους τὴν γῆν ἥκει ὄλεθρος
17Ach Jahweh, mijn Heer! Gij zijt het, die hemel en aarde hebt geschapen door uw grote kracht en gespierde arm: geen wonder is voor U te groot.
17ἐπὶ μέρος τῆς γῆς, ὅτι κρίσις τῷ Κυρίῳ ἐν τοῖς ἔθνεσι, κρίνεται αὐτὸς πρὸς πᾶσαν σάρκα, οἱ δὲ ἀσεβεῖς ἐδόθησαν εἰς μάχαιραν, λέγει Κύριος.
18Gij zijt het, die aan duizenden genade bewijst, maar die ook de schuld van de vaderen in de schoot van hun nageslacht uitbetaalt: grote en sterke God, die Jahweh der heirscharen wordt genoemd.
18οὕτως εἶπε Κύριος· ἰδοὺ κακὰ ἔρχεται ἀπὸ ἔθνους ἐπὶ ἔθνος, καὶ λαῖλαψ μεγάλη ἐκπορεύεται ἀπ' ἐσχάτου τῆς γῆς.
19Gij, die groot in beleid zijt en machtig in werken, wiens ogen steeds zijn geopend voor alle wegen van de kinderen der mensen, om iedereen zijn gedrag te vergelden en de vrucht van zijn werken.
19καὶ ἔσονται τραυματίαι ὑπὸ Κυρίου ἐν ἡμέρᾳ Κυρίου, ἐκ μέρους τῆς γῆς, καὶ ἕως εἰς μέρος τῆς γῆς· οὐ μὴ κατορυγῶσιν, εἰς κόπρια ἐπὶ προσώπου τῆς γῆς ἔσονται.
20Gij, die tekenen en wonderen deedt in het land van Egypte, en tot heden toe U een Naam hebt gemaakt in Israël en onder de mensen, zoals die thans is bekend.
20ἀλαλάξατε, ποιμένες, καὶ κεκράξατε· καὶ κόπτεσθε οἱ κριοὶ τῶν προβάτων, ὅτι ἐπληρώθησαν αἱ ἡμέραι ὑμῶν εἰς σφαγήν, καὶ πεσεῖσθε ὥσπερ οἱ κριοὶ οἱ ἐκλεκτοί·
21Gij hebt Israël, uw volk, uit het land van Egypte geleid met tekenen en wonderen, met sterke hand, gespierde arm en geweldige schrik.
21καὶ ἀπολεῖται φυγὴ ἀπὸ τῶν ποιμένων καὶ σωτηρία ἀπὸ τῶν κριῶν τῶν προβάτων.
22Gij hebt hun dit land gegeven, dat Gij hun vaderen onder ede hadt beloofd: een land, dat druipt van melk en honing.
22φωνὴ κραυγῆς τῶν ποιμένων καὶ ἀλαλαγμὸς τῶν προβάτων καὶ τῶν κριῶν, ὅτι ὠλόθρευσε Κύριος τὰ βοσκήματα αὐτῶν,
23Maar toen zij er waren gekomen, en het in bezit hadden genomen, luisterden ze niet naar uw stem, leefden ze niet naar uw wet, en volbrachten ze niets van wat Gij hun bevolen hadt; daarom hebt Gij al deze rampen over hen uitgestort.
23καὶ παύσεται τὰ κατάλοιπα τῆς εἰρήνης ἀπὸ προσώπου ὀργῆς θυμοῦ μου.
24Zie, nu liggen de belegeringswallen al om de stad, om haar in te nemen; en door zwaard, honger en pest staat de stad op het punt, in de handen der Chaldeën te vallen, die haar belegeren. Waarmee Gij gedreigd hebt, wordt nu voltrokken: Gij ziet het toch zelf.
24ἐγκατέλιπεν ὥσπερ λέων κατάλειμμα αὐτοῦ, ὅτι ἐγενήθη ἡ γῆ αὐτῶν εἰς ἄβατον ἀπὸ προσώπου τῆς μαχαίρας τῆς μεγάλης.
25En terwijl de stad in de macht der Chaldeën wordt overgeleverd, zegt Gij mij nog, Jahweh, mijn Heer: Koop u de akker voor geld, en neem er getuigen bij!
no verse 25 in this text
26Toen werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
no verse 26 in this text
27Waarachtig. Ik ben Jahweh, de God van alle vlees; is er voor Mij een wonder te groot?
no verse 27 in this text
28Daarom spreekt Jahweh: Zie, Ik lever deze stad in de handen der Chaldeën, en in de hand van Nabukodonosor, den koning van Babel; die neemt haar in.
no verse 28 in this text
29De Chaldeën, die deze stad belegeren, komen er in, en zullen deze stad in vlammen doen opgaan, en ook de huizen verbranden, waar men op het dak aan Báal wierook heeft gebrand, en plengoffers voor vreemde goden heeft uitgegoten, om Mij te tarten.
no verse 29 in this text
30Waarachtig, de zonen van Israël en Juda hebben van hun prilste jeugd af nog nooit iets anders gedaan, dan wat kwaad is in mijn ogen; Israëls kinderen hebben Mij enkel getart door hun eigen maaksels, is de godsspraak van Jahweh.
no verse 30 in this text
31Ja, van de dag, dat deze stad werd gebouwd, tot heden toe, heeft zij mijn toorn en gramschap geprikkeld, zodat Ik ze verwerpen moet uit mijn aanschijn,
no verse 31 in this text
32om al het kwaad, dat de zonen van Israël en Juda hebben bedreven, om Mij te tarten: zijzelf met hun koningen en aanvoerders, met hun priesters en profeten, de mannen van Juda en Jerusalems burgers.
no verse 32 in this text
33Ze hebben Mij de nek toegekeerd, niet het gelaat; en ofschoon Ik ze de les heb gelezen van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat, hebben ze toch niet willen horen, zich niet laten gezeggen.
no verse 33 in this text
34Ze hebben hun gruwelen gezet tot in de tempel, waarover mijn Naam is uitgeroepen, om die te bezoedelen;
no verse 34 in this text
35ze hebben offerhoogten voor Báal gebouwd in het Ben-Hinnom-dal, om hun zonen en dochters te verbranden ter ere van Molok; dat had Ik hun toch zeker niet bevolen, en het was Mij niet in de gedachte gekomen, dat zij zulke gruwelen zouden bedrijven, en Juda tot zonde zouden verleiden.
no verse 35 in this text
36Maar nu spreekt Jahweh, Israëls God over deze stad, waarvan gij zegt, dat ze door zwaard, honger en pest in de macht van den koning van Babel is overgeleverd:
no verse 36 in this text
37Zie, Ik breng ze uit alle landen bijeen, waarheen Ik ze in mijn toorn, mijn gramschap en grote woede ga verstrooien; Ik breng ze terug naar deze plaats, en zal ze er veilig doen wonen.
no verse 37 in this text
38Dan zullen zij mijn volk, en Ik zal hun God zijn;
no verse 38 in this text
39Ik maak ze één van hart en één van zin, om Mij voor immer te vrezen, tot heil van zichzelf en van hun kinderen na hen.
no verse 39 in this text
40Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten: dat Ik nooit zal ophouden, hun goed te doen; en dat Ik de vrees voor Mij in hun hart zal leggen, om nooit meer van Mij af te wijken.
no verse 40 in this text
41Dan zal Ik er een genot in vinden, hun goed te doen, en ze stevig in dit land te planten, met heel mijn hart en heel mijn ziel.
no verse 41 in this text
42Want zo spreekt Jahweh: Zoals Ik al deze grote rampen over dit volk heb gebracht, zo zal Ik over hen ook al het goede doen komen, wat Ik hun nu beloof.
no verse 42 in this text
43Er zullen weer akkers worden gekocht in dit land, waarvan ge zegt, dat het een wildernis is, zonder mensen en vee, overgeleverd in de macht der Chaldeën.
no verse 43 in this text
44Men zal weer akkers kopen voor geld, oorkonden schrijven en onder getuigen verzegelen in het land van Benjamin, rondom Jerusalem, in de steden van Juda, in de steden van het bergland, van de vlakte en van de Négeb. Waarachtig, Ik zal ze weer gelukkig maken, is de godsspraak van Jahweh!
no verse 44 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.