Jeremia
Chapter 14
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Het woord, dat Jahweh tot Jeremias richtte naar aanleiding van de droogte:
1ΕΠΕΝΘΗΣΕΝ ἡ Ἰουδαία, καὶ αἱ πύλαι αὐτῆς ἐκενώθησαν καὶ ἐσκοτώθησαν ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ ἡ κραυγὴ τῆς Ἱερουσαλὴμ ἀνέβη.
2Juda treurt, Zijn poorten versmachten, En liggen in rouw op de grond. Een jammerklacht stijgt uit Jerusalem op!
no verse 2 in this text
3De rijken zenden hun knechten om water, Ze gaan naar de putten, maar vinden het niet. Met lege kruiken keren ze terug, Beschaamd en verlegen, het hoofd bedekt.
3καὶ οἱ μεγιστᾶνες αὐτῆς ἀπέστειλαν τοὺς νεωτέρους αὐτῶν ἐφ' ὕδωρ· ἤλθοσαν ἐπὶ τὰ φρέατα καὶ οὐχ εὕροσαν ὕδωρ καὶ ἀπέστρεψαν τὰ ἀγγεῖα αὐτῶν κενά.
4De akkerbouw is gestaakt, Want op het veld valt geen regen; Beschaamd staan de boeren, En bedekken hun hoofd.
4καὶ τὰ ἔργα τῆς γῆς ἐξέλιπεν, ὅτι οὐκ ἦν ὑετός· ᾐσχύνθησαν οἱ γεωργοί, ἐπεκάλυψαν τὰς κεφαλὰς αὐτῶν.
5Ja, zelfs de hinde op het veld, Die haar jong heeft geworpen; Laat het in de steek, Omdat er geen gras is.
5καὶ ἔλαφοι ἐν ἀγρῷ ἔτεκον καὶ ἐγκατέλιπον, ὅτι οὐκ ἦν βοτάνη.
6De wilde ezels staan op de klippen, Naar lucht te happen als jakhalzen; Hun ogen versmachten, Omdat er geen groen is.
6ὄνοι ἄγριοι ἔστησαν ἐπὶ νάπας· εἵλκυσαν ἄνεμον, ἐξέλιπον οἱ ὀφθαλμοὶ αὐτῶν, ὅτι οὐκ ἦν χόρτος ἀπὸ λαοῦ ἀδικίας.
7Al klagen onze zonden ons aan, Ach Jahweh, geef uitkomst terwille van uw Naam! Ja, talloos zijn onze schulden, Waarmee wij tegen U hebben misdaan:
7εἰ αἱ ἁμαρτίαι ἡμῶν ἀντέστησαν ἡμῖν, Κύριε, ποίησον ἡμῖν ἕνεκέν σου, ὅτι πολλαὶ αἱ ἁμαρτίαι ἡμῶν ἐναντίον σου, ὅτι σοὶ ἡμάρτομεν.
8Tegen Jahweh, Israëls Hoop, Zijn Redder in tijden van nood! Waarom zoudt Gij als een vreemdeling zijn in het land, Als een reiziger, die alleen overnacht?
8ὑπομονὴ Ἰσραήλ, Κύριε, καὶ σῴζεις ἐν καιρῷ κακῶν· ἱνατί ἐγενήθης ὡσεὶ πάροικος ἐπὶ τῆς γῆς καὶ ὡς αὐτόχθων ἐκκλίνων εἰς κατάλυμα;
9Waarom zoudt Gij staan als een hulpeloos man, Als een held, die de kracht mist tot redding? Gij zijt toch in ons midden, o Jahweh; Wij dragen uw Naam: verlaat ons niet!
9μὴ ἔσῃ ὥσπερ ἄνθρωπος ὑπνῶν ἢ ὡς ἀνὴρ οὐ δυνάμενος σῴζειν; καὶ σὺ ἐν ἡμῖν εἶ, Κύριε, καὶ τὸ ὄνομά σου ἐπικέκληται ἐφ' ἡμᾶς· μὴ ἐπιλάθῃ ἡμῶν.
10Maar zo spreekt Jahweh over dit volk: Ze hielden zoveel van losbandig leven. En rusteloos waren hun voeten. Maar nu houdt Jahweh niet langer van hen, Maar gedenkt Hij hun schuld, En vergeldt Hij hun zonden.
10οὕτως λέγει Κύριος τῷ λαῷ τούτῳ· ἠγάπησαν κινεῖν πόδας αὐτῶν καὶ οὐκ ἐφείσαντο, καὶ ὁ Θεὸς οὐκ εὐδόκησεν ἐν αὐτοῖς· νῦν μνησθήσεται τῆς ἀδικίας αὐτῶν.
11En Jahweh zeide tot mij: Smeek geen genade voor dit volk!
11καὶ εἶπε Κύριος πρός με· μὴ προσεύχου περὶ τοῦ λαοῦ τούτου εἰς ἀγαθά·
12Al vasten ze ook: Ik luister niet naar hun bidden; Al dragen ze brandoffers op, Of spijsoffers: Ik wil ze niet meer! Neen, met zwaard en honger en pest Maak Ik ze af!
12ὅτι ἐὰν νηστεύσωσιν, οὐκ εἰσακούσομαι τῆς δεήσεως αὐτῶν, καὶ ἐὰν προσενέγκωσιν ὁλοκαυτώματα καὶ θυσίας, οὐκ εὐδοκήσω ἐν αὐτοῖς, ὅτι ἐν μαχαίρᾳ καὶ ἐν λιμῷ καί ἐν θανάτῳ ἐγὼ συντελέσω αὐτούς.
13Ik zeide: Ach Jahweh, mijn Heer! Zie, de profeten zeggen hun toch: Geen zwaard zult ge zien, Geen hongersnood lijden; Maar Ik zal u bestendige vrede geven In deze plaats!
13καὶ εἶπα· ὦ Κύριε, ἰδοὺ οἱ προφῆται αὐτῶν προφητεύουσι καὶ λέγουσιν· οὐκ ὄψεσθε μάχαιραν, οὐδὲ λιμὸς ἔσται ἐν ὑμῖν, ὅτι ἀλήθειαν καὶ εἰρήνην δώσω ἐπὶ τῆς γῆς καὶ ἐν τῷ τόπῳ τούτῳ.
14Maar Jahweh zeide tot mij: Leugens voorspellen ze in mijn Naam, die profeten! Ik zond ze niet, heb hun geen opdracht gegeven, En tot hen niet gesproken. Leugen-visioenen, waan-orakels, En eigen verzinsels: Dat profeteren ze u!
14καὶ εἶπε Κύριος πρός με· ψευδῆ οἱ προφῆται προφητεύουσιν ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου, οὐκ ἀπέστειλα αὐτοὺς καὶ οὐκ ἐνετειλάμην αὐτοῖς καὶ οὐκ ἐλάλησα πρὸς αὐτούς· ὅτι ὁράσεις ψευδεῖς καὶ μαντείας καὶ οἰωνίσματα καὶ προαιρέσεις καρδίας αὐτῶν αὐτοὶ προφητεύουσιν ὑμῖν.
15Daarom spreekt Jahweh over die profeten: Die in mijn Naam profeteren, Al zond Ik ze niet; En die durven zeggen, Geen zwaard en geen honger teistert dit land: Door het zwaard en de honger zullen ze sterven, Die leugen-profeten!
15διὰ τοῦτο τάδε λέγει Κύριος περὶ τῶν προφητῶν τῶν προφητευόντων ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου ψευδῆ, καὶ ἐγὼ οὐκ ἀπέστειλα αὐτούς, οἳ λέγουσι· μάχαιρα καὶ λιμὸς οὐκ ἔσται ἐπὶ τῆς γῆς ταύτης· ἐν θανάτῳ νοσερῷ ἀποθανοῦνται καὶ ἐν λιμῷ συντελεσθήσονται οἱ προφῆται
16En het volk, waarvoor zij profeteren, Zal in Jerusalems straten worden geworpen Door de hongersnood en het zwaard, En niemand zal het begraven. Op hen, op hun vrouwen, hun zonen en dochters, Stort Ik hun eigen boosheid uit!
16καὶ ὁ λαός, οἷς αὐτοὶ προφητεύουσιν αὐτοῖς, καὶ ἔσονται ἐρριμμένοι ἐν ταῖς διόδοις Ἱερουσαλὴμ ἀπὸ προσώπου μαχαίρας καὶ τοῦ λιμοῦ, καὶ οὐκ ἔσται ὁ θάπτων αὐτούς, καὶ αἱ γυναῖκες αὐτῶν καὶ οἱ υἱοὶ αὐτῶν καὶ αἱ θυγατέρες αὐτῶν· καὶ ἐκχεῶ ἐπ' αὐτοὺς τὰ κακὰ αὐτῶν.
17Dit moet ge hun zeggen: Mijn ogen stromen van tranen Nacht en dag, en vinden geen rust; Want met een vreselijke ramp Is de jonkvrouw geslagen, De dochter van mijn volk Met een smartelijke wonde.
17καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτοὺς τὸν λόγον τοῦτον· καταγάγετε ἐπ' ὀφθαλμοὺς ὑμῶν δάκρυα ἡμέρας καὶ νυκτός, καὶ μὴ διαλιπέτωσαν, ὅτι συντρίμματι συνετρίβη θυγάτηρ λαοῦ μου καὶ πληγὴ ὀδυνηρὰ σφόδρα.
18Ga ik het veld in: Daar liggen ze, vermoord door het zwaard; Kom ik in de stad: Uitgemergeld door de honger; Zelfs profeet en priester Lopen radeloos rond door het land.
18ἐὰν ἐξέλθω εἰς τὸ πεδίον, καὶ ἰδοὺ τραυματίαι μαχαίρας, καὶ ἐὰν εἰσέλθω εἰς τὴν πόλιν, καὶ ἰδοὺ πόνος λιμοῦ· ὅτι ἱερεὺς καὶ προφήτης ἐπορεύθησαν εἰς γῆν, ἣν οὐκ ᾔδεισαν.
19Hebt Gij dan Juda voor altoos verworpen, Hebt Gij zo’n afkeer van Sion? Ach, waarom slaat Gij ons toch, Waarom is er geen genezing voor ons? Wij hopen op vrede: geen zegen, Op een tijd van genezing: ontzetting!
19μὴ ἀποδοκιμάζων ἀπεδοκίμασας τὸν Ἰούδαν, καὶ ἀπὸ Σιὼν ἀπέστη ἡ ψυχή σου; ἱνατί ἔπαισας ἡμᾶς, καὶ οὐκ ἔστιν ἡμῖν ἴασις; ὑπεμείναμεν εἰς εἰρήνην, καὶ οὐκ ἦν ἀγαθά· εἰς καιρὸν ἰάσεως, καὶ ἰδοὺ ταραχή.
20Ach Jahweh, wij erkennen onze misdaad, En de schuld onzer vaderen: Ja, wij hebben gezondigd tegen U!
20ἔγνωμεν, Κύριε, ἁμαρτήματα ἡμῶν, ἀδικίας πατέρων ἡμῶν, ὅτι ἡμάρτομεν ἐναντίον σου.
21Verwerp ons niet terwille van uw Naam, Geef de Zetel uwer Glorie niet prijs; Gedenk uw Verbond met ons, en verbreek het toch niet!
21κόπασον διὰ τὸ ὄνομά σου, μὴ ἀπολέσῃς θρόνον δόξης σου· μνήσθητι, μὴ διασκεδάσῃς τὴν διαθήκην σου τὴν μεθ' ἡμῶν.
22Zijn er onder de goden der heidenen, die ‘t laten regenen, Of kan de hemel soms buien geven? Zijt Gij het niet alleen, o Jahweh, onze God, Op wien wij nog hopen, Omdat Gij dit alles verricht?
22μὴ ἔστιν ἐν εἰδώλοις τῶν ἐθνῶν ὑετίζων; καὶ εἰ ὁ οὐρανὸς δώσει πλησμονὴν αὐτοῦ, οὐχὶ σὺ εἶ αὐτός; καὶ ὑπομενοῦμέν σε, Κύριε, ὅτι σὺ ἐποίησας πάντα ταῦτα.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.