Jeremia 44
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Het woord, dat tot Jeremias gericht werd voor al de Judeërs, die in Egypte woonden: in Migdol, Tachpanches, Nof en in het land Patros!
1ΚΑΙ ἐβασίλευσε Σεδεκίας υἱὸς Ἰωσία ἀντὶ Ἰωακείμ, ὃν ἐβασίλευσε Ναβουχοδονόσορ βασιλεύειν τοῦ Ἰούδα·
2Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Gij hebt al de rampen aanschouwd, die Ik over Jerusalem en over alle steden van Juda gebracht heb. Thans liggen ze in puin, en er is niemand, die er nog woont:
2καὶ οὐκ ἤκουσαν αὐτὸς καὶ οἱ παῖδες αὐτοῦ καὶ ὁ λαὸς τῆς γῆς τοὺς λόγους Κυρίου, οὓς ἐλάλησεν ἐν χειρὶ Ἱερεμίου.
3om de boosheid, die ze begingen, Mij te tarten, wierook te branden en vreemde goden te dienen, die zij niet kenden, en gij en uw vaderen evenmin.
3καὶ ἀπέστειλεν ὁ βασιλεὺς Σεδεκίας τὸν Ἰωάχαλ υἱὸν Σελεμίου καὶ τὸν Σοφονίαν υἱὸν Μαασαίου τὸν ἱερέα πρὸς Ἱερεμίαν λέγων· πρόσευξαι δὴ περὶ ἡμῶν πρὸς Κύριον.
4Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat heb Ik u al mijn dienaars, de profeten, gezonden, die u vermaanden: Bedrijft die gruwel toch niet, die Ik haat!
4καὶ Ἱερεμίας ἦλθε καὶ διῆλθε διὰ μέσου τῆς πόλεως, καὶ οὐκ ἔδωκαν αὐτὸν εἰς τὸν οἶκον τῆς φυλακῆς.
5Maar ze hebben niet gehoord, niet willen luisteren, om zich van hun boosheid te bekeren, en geen wierook voor vreemde goden te branden.
5καὶ δύναμις Φαραὼ ἐξῆλθεν ἐξ Αἰγύπτου, καὶ ἤκουσαν οἱ Χαλδαῖοι τὴν ἀκοὴν αὐτῶν καὶ ἀνέβησαν ἀπὸ Ἱερουσαλήμ.
6Toen barstte mijn grimmige toorn los, en laaide op in de steden van Juda en in Jerusalems straten: en zij werden een eenzame puinhoop, zoals ze heden nog zijn.
6καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς Ἱερεμίαν λέγων·
7En nu spreekt Jahweh, de God der heirscharen, Israëls God: Waarom wilt ge uzelf toch zo’n groot onheil berokkenen, en uit Juda mannen, vrouwen, kinderen en zuigelingen verdelgen, zodat er niemand van u overblijft?
7οὕτως εἶπε Κύριος· οὕτως ἐρεῖς πρὸς βασιλέα Ἰούδα τὸν ἀποστείλαντα πρὸς σὲ τοῦ ἐκζητῆσαί με· ἰδοὺ δύναμις Φαραὼ ἡ ἐξελθοῦσα ὑμῖν εἰς βοήθειαν ἀποστρέψουσιν εἰς γῆν Αἰγύπτου,
8Waarom Mij tarten door eigen maaksels, voor vreemde goden wierook branden in het land van Egypte, waar ge kwaamt wonen, en zo uzelf uitroeien, tot een vloek maken en spot onder alle volken der aarde?
8καὶ ἀναστρέψουσιν αὐτοὶ οἱ Χαλδαῖοι, καὶ πολεμήσουσιν ἐπὶ τὴν πόλιν ταύτην καὶ συλλήψονται αὐτὴν καὶ καύσουσιν αὐτὴν ἐν πυρί.
9Zijt ge de zonden van uw vaderen dan al vergeten, de zonden van Juda’s koningen en die van uw leiders, uw eigen zonden en die van uw vrouwen, die bedreven zijn in het land van Juda en op Jerusalems straten?
9ὅτι οὕτως εἶπε Κύριος· μὴ ὑπολάβητε ταῖς ψυχαῖς ὑμῶν λέγοντες· ἀποτρέχοντες ἀπελεύσονται ἀφ' ἡμῶν οἱ Χαλδαῖοι, ὅτι οὐ μὴ ἀπέλθωσι·
10Neen, ze hebben zich niet vermorzeld tot op de dag van vandaag; ze hebben geen vrees gekend, niet naar mijn wetten en geboden geleefd, die Ik u en uw vaderen had gegeven.
10καὶ ἐὰν πατάξητε πᾶσαν δύναμιν τῶν Χαλδαίων τοὺς πολεμοῦντας ὑμᾶς, καὶ καταλειφθῶσί τινες ἐκκεκεντημένοι ἕκαστος ἐν τῷ τόπῳ αὐτοῦ, οὗτοι ἀναστήσονται καὶ καύσουσι τὴν πόλιν ταύτην ἐν πυρί.
11Daarom spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Zie, Ik heb besloten, u kwaad te berokkenen, en heel Juda te vernielen.
11Καὶ ἐγένετο ὅτε ἀνέβη ἡ δύναμις τῶν Χαλδαίων ἀπὸ Ἱερουσαλὴμ ἀπὸ προσώπου τῆς δυνάμεως Φαραώ,
12Wat van Juda bleef gespaard, roei Ik uit: allen, die hun eigen wil hebben doorgezet, om naar Egypte te trekken, en daar te gaan wonen. Allen komen ze in Egypteland om; ze zullen vallen door het zwaard, van honger bezwijken; van klein tot groot zullen ze sterven door het zwaard en de honger; ze worden een vloek en een afschrik, een verwensing en spot.
12ἐξῆλθεν Ἱερεμίας ἀπὸ Ἱερουσαλὴμ τοῦ πορευθῆναι εἰς γῆν Βενιαμὶν τοῦ ἀγοράσαι ἐκεῖθεν ἐν μέσῳ τοῦ λαοῦ.
13Ik ga Mij wreken op hen, die in Egypteland wonen, zoals Ik Mij op Jerusalem heb gewroken door zwaard, door honger en pest.
13καὶ ἐγένετο αὐτὸς ἐν πύλῃ Βενιαμίν, καὶ ἐκεῖ ἄνθρωπος, παρ' ᾧ κατέλυε, Σαρουΐα υἱὸς Σελεμίου, υἱοῦ Ἀνανίου, καὶ συνέλαβε τὸν Ἱερεμίαν λέγων· πρὸς τοὺς Χαλδαίους σὺ φεύγεις;
14Van allen, die in Juda bleven gespaard, en in het land van Egypte kwamen wonen, zal niemand ontkomen, niemand ontsnappen, om weer naar het land van Juda te gaan, ofschoon ze er naar zullen snakken, daar terug te keren en te wonen. Neen, ze keren niet terug, behalve enkele vluchtelingen!
14καὶ εἶπε· ψεῦδος, οὐκ εἰς τοὺς Χαλδαίους ἐγὼ φεύγω. καὶ οὐκ εἰσήκουσεν αὐτοῦ καὶ συνέλαβε Σαρουΐα τὸν Ἱερεμίαν καὶ εἰσήγαγεν αὐτὸν πρὸς τοὺς ἄρχοντας.
15Maar al de mannen, die wisten, dat hun vrouwen voor vreemde goden wierook brandden, en alle vrouwen, die in grote groepen tegenwoordig waren, en al het volk, dat in Patros woonde in het land van Egypte, riepen Jeremias toe:
15καὶ ἐπικράνθησαν οἱ ἄρχοντες ἐπὶ Ἱερεμίαν καὶ ἐπάταξαν αὐτὸν καὶ ἀπέστειλαν αὐτὸν εἰς τὴν οἰκίαν Ἰωνάθαν τοῦ γραμματέως, ὅτι ταύτην ἐποίησαν εἰς οἰκίαν φυλακῆς.
16We luisteren toch niet naar het woord, dat ge in de Naam van Jahweh tot ons spreekt!
16καὶ ἦλθεν Ἱερεμίας εἰς οἰκίαν τοῦ λάκκου καὶ εἰς τὴν χερὲθ καὶ ἐκάθισεν ἐκεῖ ἡμέρας πολλάς·
17Neen, wij willen enkel doen, wat we hebben beloofd, en wierook branden voor de Koningin des Hemels en haar plengoffers brengen, zoals wijzelf, onze vaders, onze koningen en aanvoerders in de steden van Juda en op Jerusalems straten hebben gedaan. Toen hadden we brood in overvloed, waren we gelukkig, en kenden geen rampen.
17καὶ ἀπέστειλε Σεδεκίας καὶ ἐκάλεσεν αὐτόν, καὶ ἠρώτα αὐτὸν ὁ βασιλεὺς κρυφαίως εἰπεῖν, εἰ ἔστιν ὁ λόγος παρὰ Κυρίου, καὶ εἶπεν· ἔστιν· εἰς χεῖρας βασιλέως Βαβυλῶνος παραδοθήσῃ.
18Maar sinds we hebben opgehouden, wierook te branden voor de Koningin des hemels en haar plengoffers te brengen, hebben we aan alles gebrek, en sterven we door het zwaard en de honger.
18καὶ εἶπεν Ἱερεμίας τῷ βασιλεῖ· τί ἠδίκησά σε καὶ τοὺς παῖδάς σου καὶ τὸν λαὸν τοῦτον, ὅτι σὺ δίδως με εἰς οἰκίαν φυλακῆς;
19En de vrouwen riepen: Zeker, ook wij hebben wierook gebrand voor de Koningin des hemels en haar plengoffers gebracht; maar we hebben haar toch zeker geen koeken gebakken met haar beeld er op, en haar geen plengoffers gebracht, zonder dat onze mannen het wisten!
19καὶ ποῦ εἰσιν οἱ προφῆται ὑμῶν οἱ προφητεύσαντες ὑμῖν λέγοντες· ὅτι οὐ μὴ ἔλθῃ βασιλεὺς Βαβυλῶνος ἐπὶ τὴν γῆν ταύτην;
20Toen sprak Jeremias tot heel het volk, tot de mannen en vrouwen, tot allen die hem van antwoord hadden gediend:
20καὶ νῦν, κύριε βασιλεῦ, πεσέτω τὸ ἔλεός μου κατὰ πρόσωπόν σου, καὶ τί ἀποστρέφεις με εἰς οἰκίαν Ἰωνάθαν τοῦ γραμματέως καὶ οὐ μὴ ἀποθάνω ἐκεῖ;
21Is het juist niet de wierook geweest, die gij in de steden van Juda en op Jerusalems straten hebt gebrand, gij, uw vaders, uw koningen, uw aanvoerders en het gewone volk: is het niet de wierook geweest, waaraan Jahweh gedacht heeft, en die Hem ter harte is gegaan?
21καὶ συνέταξεν ὁ βασιλεὺς καὶ ἐνεβάλοσαν αὐτὸν εἰς οἰκίαν τῆς φυλακῆς καὶ ἐδίδοσαν αὐτῷ ἄρτον ἕνα τῆς ἡμέρας ἔξωθεν οὗ πέσσουσιν, ἕως ἐξέλιπον οἱ ἄρτοι ἐκ τῆς πόλεως. καὶ ἐκάθισεν Ἱερεμίας ἐν τῇ αὐλῇ τῆς φυλακῆς.
22Niet langer kon Jahweh uw zondig gedoe nog verdragen, niet langer de gruwelen, die gij bedreeft. Zo is uw land een puinhoop geworden, een gevloekte wildernis zonder bewoners, zoals het heden nog is!
no verse 22 in this text
23Omdat ge wierook hebt gebrand en tegen Jahweh hebt gezondigd, omdat ge naar de stem van Jahweh niet hebt geluisterd, en naar zijn wetten, geboden en voorschriften niet hebt geleefd, daarom heeft u dit onheil getroffen, zoals het nu voortwoedt.
no verse 23 in this text
24En tot al die vrouwen ging Jeremias verder: Luistert naar Jahweh’s woord!
no verse 24 in this text
25Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Gij vrouwen, gij hebt het beloofd met uw mond, en met uw handen vervuld: Wij willen onze beloften volbrengen, die wij hebben afgelegd, om voor de Koningin des hemels wierook te branden en haar plengoffers te brengen. Volbrengt uw geloften dan maar, en doet wat ge beloofd hebt!
no verse 25 in this text
26Hoort derhalve het woord van Jahweh, heel Juda, dat in Egypteland woont! Zie, Ik zweer bij mijn machtige Naam, spreekt Jahweh: In heel Egypte zal nooit meer mijn Naam door iemand van Juda op de lippen worden genomen, en nooit meer zal worden gezegd: Bij het leven van Jahweh, den Heer!
no verse 26 in this text
27Ja, Ik blijf wakker, om over hen onheil te brengen, geen zegen. De mannen van Juda, die in Egypteland wonen, zullen omkomen door het zwaard en de honger, totdat ze allen zijn uitgeroeid.
no verse 27 in this text
28En de weinigen, die aan het zwaard nog ontkomen, zullen uit Egypte trekken naar het land van Juda! Dan zullen allen, die in Juda bleven gespaard en in Egypte zijn komen wonen, weten, wiens woord wordt vervuld, dat van Mij of van hen!
no verse 28 in this text
29En dit zal u het teken zijn, is de godsspraak van Jahweh, dat Ik Mij in deze plaats op u zal wreken, en waaraan gij zult weten, dat mijn bedreigingen tegen u worden vervuld.
no verse 29 in this text
30Zo spreekt Jahweh: Zie, Ik lever den Farao Chofra, den koning van Egypte, in de macht van zijn vijand en van hen, die zijn leven belagen, zoals Ik Sedekias, den koning van Juda, aan zijn vijand heb overgeleverd: aan Nabukodonosor, den koning van Babel, die zijn leven belaagde!
no verse 30 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.