Jeremia
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
1ΚΑΙ εἶπε· τάδε λέγει Κύριος· ἐμνήσθην ἐλέους νεότητός σου καὶ ἀγάπης τελειώσεώς σου τοῦ ἐξακολουθῆσαί σε τῷ ἁγίῳ Ἰσραήλ, λέγει Κύριος
2Ga, en roep het Jerusalem toe: Zo spreekt Jahweh! Ik denk terug aan de liefde uwer jeugd, Aan de min van uw bruidstijd, Toen ge Mij in de woestijn zijt gevolgd, In een onbebouwd land.
no verse 2 in this text
3Toen was Israël nog Jahweh’s heilig bezit, De eersteling van zijn oogst; Allen die er van aten, moesten het boeten, Rampen zouden hen treffen, spreekt Jahweh!
3ἅγιος Ἰσραήλ· τῷ Κυρίῳ ἀρχὴ γεννημάτων αὐτοῦ· πάντες οἱ ἔσθοντες αὐτὸν πλημμελήσουσι, κακὰ ἥξει ἐπ' αὐτούς, φησὶ Κύριος.
4Hoort dan het woord van Jahweh, Huis van Jakob En alle geslachten van Israëls huis:
4ἀκούσατε λόγον Κυρίου, οἶκος Ἰακώβ, καὶ πᾶσα πατριὰ οἴκου Ἰσραήλ.
5Zo spreekt Jahweh! Wat onrecht hebben uw vaderen in Mij wel ontdekt, Dat ze Mij hebben verlaten, Om nietigheden te volgen, En zelf een niet te worden?
5τάδε λέγει Κύριος· τί εὕροσαν οἱ πατέρες ὑμῶν ἐν ἐμοὶ πλημμέλημα, ὅτι ἀπέστησαν μακρὰν ἀπ' ἐμοῦ καὶ ἐπορεύθησαν ὀπίσω τῶν ματαίων καὶ ἐματαιώθησαν;
6Ze vroegen niet meer: Waar is Jahweh toch, Die ons uit Egypteland voerde, En ons geleid heeft door de woestijn? Een land van steppe en ravijnen, Een land van dorheid en donker, Een land, waar niemand doorheen trekt, Waar niemand wil wonen.
6καὶ οὐκ εἶπαν· ποῦ ἐστι Κύριος ὁ ἀναγαγὼν ἡμᾶς ἐκ γῆς Αἰγύπτου, ὁ καθοδηγήσας ἡμᾶς ἐν τῇ ἐρήμῳ, ἐν γῇ ἀπείρῳ καὶ ἀβάτῳ, ἐν γῇ ἀνύδρῳ καὶ ἀκάρπῳ, ἐν γῇ, ᾗ οὐ διώδευσεν ἐν αὐτῇ ἀνὴρ οὐθὲν καὶ οὐ κατῴκησεν ἐκεῖ υἱὸς ἀνθρώπου;
7Ik heb u in een land van tuinen gebracht, Om er de heerlijkste vruchten te eten; Maar na uw intocht hebt ge mijn land verpest, Mijn erfdeel tot een gruwel gemaakt.
7καὶ ἤγαγον ὑμᾶς εἰς τὸν Κάρμηλον τοῦ φαγεῖν ὑμᾶς τοὺς καρποὺς αὐτοῦ καὶ τὰ ἀγαθὰ αὐτοῦ· καὶ εἰσήλθατε καὶ ἐμιάνατε τὴν γῆν μου καὶ τὴν κληρονομίαν μου ἔθεσθε εἰς βδέλυγμα.
8Zelfs de priesters vroegen niet meer: Waar is Jahweh toch? Die de wet moesten handhaven, kenden Mij niet, De leiders werden Mij ontrouw. De profeten voorspelden in den naam van den Báal, En liepen machteloze afgoden na.
8οἱ ἱερεῖς οὐκ εἶπαν· ποῦ ἐστι Κύριος; καὶ οἱ ἀντεχόμενοι τοῦ νόμου οὐκ ἠπίσταντό με, καὶ οἱ ποιμένες ἠσέβουν εἰς ἐμέ, καὶ οἱ προφῆται ἐπροφήτευον τῇ Βάαλ καὶ ὀπίσω ἀνωφελοῦς ἐπορεύθησαν.
9Daarom zal Ik u richten, zegt Jahweh, En de kinderen van uw zonen nog straffen.
9διὰ τοῦτο ἔτι κριθήσομαι πρὸς ὑμᾶς λέγει Κύριος, καὶ πρὸς τοὺς υἱοὺς τῶν υἱῶν ὑμῶν κριθήσομαι.
10Gaat naar de eilanden der Kittiërs kijken, Zendt boden naar Kédar; Onderzoekt het nauwkeurig, En ziet, of zo iets ooit is gebeurd!
10διότι διέλθετε εἰς νήσους Χεττιεὶμ καὶ ἴδετε, καὶ εἰς Κηδὰρ ἀποστείλατε καὶ νοήσατε σφόδρα, καὶ ἴδετε εἰ γέγονε τοιαῦτα.
11Heeft ooit een volk zijn goden verruild; En dat zijn niet eens goden! Maar mijn volk heeft zijn Glorie verruild, Voor machteloze afgoden.
11εἰ ἀλλάξωνται ἔθνη θεοὺς αὐτῶν· καὶ οὗτοι οὐκ εἰσὶ θεοί. ὁ δὲ λαός μου ἠλλάξατο τὴν δόξαν αὐτοῦ, ἐξ ἧς οὐκ ὠφεληθήσονται.
12Hemelen, huivert er van, Beeft en verstart van ontzetting, Is de godsspraak van Jahweh: Mijn volk heeft een dubbele misdaad begaan!
12ἐξέστη ὁ οὐρανὸς ἐπὶ τούτῳ καὶ ἔφριξεν ἐπὶ πλεῖον σφόδρα, λέγει Κύριος.
13Mij hebben ze durven verlaten, Mij, de bron van levende wateren: Om zich gebarsten putten te slaan, Die geen water kunnen houden.
13ὅτι δύο καὶ πονηρὰ ἐποίησεν ὁ λαός μου· ἐμὲ ἐγκατέλιπον πηγὴν ὕδατος ζωῆς, καὶ ὤρυξαν ἑαυτοῖς λάκκους συντετριμμένους, οἳ οὐ δυνήσονται ὕδωρ συνέχειν.
14Israël was toch geen knecht, Hij was toch geen slaaf? Waarom is hij dan een prooi geworden
14Μὴ δοῦλός ἐστιν Ἰσραὴλ ἢ οἰκογενής ἐστι; διατί εἰς προνομὴν ἐγένετο;
15Waarover leeuwen briesen en brullen. Men heeft zijn land tot een steppe gemaakt, Zijn steden verwoest en ontvolkt;
15ἐπ' αὐτὸν ὠρύοντο λέοντες καὶ ἔδωκαν τὴν φωνὴν αὐτῶν, οἳ ἔταξαν τὴν γῆν αὐτοῦ εἰς ἔρημον, καὶ αἱ πόλεις αὐτοῦ κατεσκάφησαν παρὰ τὸ μὴ κατοικεῖσθαι.
16Ja, de mannen van Nof en Tachpanches Hebben uw schedel kaal gegraasd.
16καὶ υἱοὶ Μέμφεως καὶ Τάφνας ἔγνωσάν σε καὶ κατέπαιζόν σου.
17Hebt ge dit u zelf niet berokkend, Door Mij te verlaten, Toen Ik u nog wilde leiden, Spreekt Jahweh, uw God?
17οὐχὶ ταῦτα ἐποίησέ σοι τὸ καταλιπεῖν σε ἐμέ; λέγει Κύριος ὁ Θεός σου.
18Wat hadt ge dan naar Egypte te lopen, Om water uit de Nijl te drinken; Wat hadt ge naar Assjoer te gaan, Om water uit de Eufraat te slurpen?
18καὶ νῦν τί σοι καὶ τῇ ὁδῷ Αἰγύπτου τοῦ πιεῖν ὕδωρ Γηῶν; καὶ τί σοι καὶ τῇ ὁδῷ Ἀσσυρίων τοῦ πιεῖν ὕδωρ ποταμῶν;
19Neen, het was uw misdaad, die u sloeg, En uw afval, die u bestrafte; Opdat ge zoudt weten en inzien, hoe kwaad en bitter het is, Jahweh, uw God te verlaten! Maar ge vreest Mij niet meer, Spreekt de Heer, Jahweh der heirscharen!
19παιδεύσει σε ἡ ἀποστασία σου, καὶ ἡ κακία σου ἐλέγξει σε· καὶ γνῶθι καὶ ἰδέ, ὅτι πικρόν σοι τὸ καταλιπεῖν σε ἐμέ, λέγει Κύριος ὁ Θεός σου· καὶ οὐκ εὐδόκησα ἐπὶ σοί, λέγει Κύριος ὁ Θεός σου.
20Want lang reeds hebt gij uw juk verbroken, Uw banden verscheurd. Ge hebt gezegd: Ik wil U niet dienen! Maar op iedere hoge heuvel, En onder elke groene boom Zijt ge gaan liggen als een deerne!
20ὅτι ἀπ' αἰῶνος συνέτριψας τὸν ζυγόν σου, διέσπασας τοὺς δεσμούς σου καὶ εἶπας· οὐ δουλεύσω σοι, ἀλλὰ πορεύσομαι ἐπὶ πάντα βουνὸν ὑψηλὸν καὶ ὑποκάτω παντὸς ξύλου κατασκίου, ἐκεῖ διαχυθήσομαι ἐν τῇ πορνείᾳ μου.
21Ik had u geplant als een edele wijnstok, Van het zuiverste ras: Hoe zijt ge dan tot bocht verbasterd, Een wilde wingerd?
21ἐγὼ δὲ ἐφύτευσά σε ἄμπελον καρποφόρον πᾶσαν ἀληθινήν· πῶς ἐστράφης εἰς πικρίαν, ἡ ἄμπελος ἡ ἀλλοτρία;
22Al zoudt ge u wassen met loog, Met zeep, zoveel ge maar wilt, Vuil blijft uw schuld in mijn ogen: Is de godsspraak van Jahweh, den Heer!
22ἐὰν ἀποπλύνῃ ἐν νίτρῳ καὶ πληθύνῃς σεαυτῇ πόαν, κεκηλίδωσαι ἐν ταῖς ἀδικίαις σου ἐναντίον ἐμοῦ, λέγει Κύριος.
23Hoe durft ge zeggen: Ik ben niet bezoedeld, Ik liep de Báals niet na; Kijk maar eens naar uw gedoe in het Dal, Denk terug aan wat ge daar hebt gedaan! Vlugge kameel, die steeds heen en weer draaft,
23πῶς ἐρεῖς· οὐκ ἐμιάνθην καὶ ὀπίσω τῆς Βάαλ οὐκ ἐπορεύθην; ἰδὲ τὰς ὁδούς σου ἐν τῷ πολυανδρίῳ καὶ γνῶθι τί ἐποίησας. ὀψὲ φωνὴ αὐτῆς ὠλόλυξε,
24Wilde ezelin, aan de steppe gewend, Die in haar geilheid naar lucht snapt: Wie tempert haar bronst? Wie haar wil vangen, hoeft zich niet te vermoeien, In haar bronsttijd vindt men ze wel:
24τὰς ὁδοὺς αὐτῆς ἐπλάτυνεν ἐφ' ὕδατα ἐρήμου, ἐν ἐπιθυμίαις ψυχῆς αὐτῆς ἐπνευματοφορεῖτο, παρεδόθη· τίς ἐπιστρέψει αὐτήν; πάντες οἱ ζητοῦντες αὐτὴν οὐ κοπιάσουσιν, ἐν τῇ ταπεινώσει αὐτῆς εὑρήσουσιν αὐτήν.
25Pas op, dat ge uw voeten niet doorloopt, Dat uw keel niet verdroogt! Maar ge antwoordt: ‘t Is onmogelijk; ‘t is tevergeefs; Want ik houd van de vreemden, Hèn loop ik na!
25ἀπόστρεψον τὸν πόδα σου ἀπὸ ὁδοῦ τραχείας καὶ τὸν φάρυγγά σου ἀπὸ δίψους. ἡ δὲ εἶπεν· ἀνδριοῦμαι· ὅτι ἠγαπήκει ἀλλοτρίους καὶ ὀπίσω αὐτῶν ἐπορεύετο.
26Zoals een dief, die betrapt wordt, zich schaamt, Wordt het huis van Israël te schande: Zij met hun koningen en vorsten, Met hun priesters en hun profeten.
26ὡς αἰσχύνη κλέπτου ὅταν ἁλῷ, οὕτως αἰσχυνθήσονται οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ, αὐτοὶ καὶ οἱ βασιλεῖς αὐτῶν καὶ οἱ ἄρχοντες αὐτῶν καὶ οἱ ἱερεῖς αὐτῶν καὶ οἱ προφῆται αὐτῶν.
27Die tot een stuk hout durven zeggen: Gij zijt mijn vader; Tot een blok steen: Gij hebt mij verwekt; Die Mij de nek toekeren, niet hun gelaat; Die enkel in tijden van rampspoed roepen: Op, ons te hulp!
27τῷ ξύλῳ εἶπαν, ὅτι πατήρ μου εἶ σύ, καὶ τῷ λίθῳ· σὺ ἐγέννησάς με, καὶ ἔστρεψαν ἐπ' ἐμὲ νῶτα καὶ οὐ πρόσωπα αὐτῶν· καὶ ἐν τῷ καιρῷ τῶν κακῶν αὐτῶν ἐροῦσιν· ἀνάστα καὶ σῶσον ἡμᾶς.
28Waar zijn toch uw goden, die gij u hebt gemaakt: Laat ze opstaan, als ze u kunnen helpen in tijden van nood. Want even talrijk als uw steden, Zijn uw goden, o Juda!
28καὶ ποῦ εἰσιν οἱ θεοί σου, οὓς ἐποίησας σεαυτῷ; εἰ ἀναστήσονται καὶ σώσουσί σε ἐν καιρῷ τῆς κακώσεώς σου; ὅτι κατ' ἀριθμὸν τῶν πόλεών σου ἦσαν θεοί σου, Ἰούδα, καὶ κατ' ἀριθμὸν διόδων τῆς Ἱερουσαλὴμ ἔθυον τῇ Βάαλ.
29Hoe durft ge nog over Mij klagen: Ge zijt Mij allen ontrouw geworden, spreekt Jahweh!
29ἱνατί λαλεῖτε πρός με; πάντες ὑμεῖς ἠσεβήσατε καὶ πάντες ὑμεῖς ἠνομήσατε εἰς ἐμέ, λέγει Κύριος.
30Tevergeefs heb Ik uw vaders geslagen, Gij hebt er niets uit geleerd. Het zwaard heeft uw profeten verslonden Als een verscheurende leeuw;
30μάτην ἐπάταξα τὰ τέκνα ὑμῶν, παιδείαν οὐκ ἐδέξασθε· μάχαιρα κατέφαγε τοὺς προφήτας ὑμῶν ὡς λέων ὀλοθρεύων, καὶ οὐκ ἐφοβήθητε.
31Broed, dat ge zijt, Hebt ge ooit naar het woord van Jahweh geluisterd? Ben Ik voor Israël een woestijn geweest, Of een land van akelig donker? Waarom zegt dan mijn volk: We lopen weg, We komen niet bij U terug?
31ἀκούσατε λόγον Κυρίου· τάδε λέγει Κύριος· μὴ ἔρημος ἐγενόμην τῷ Ἰσραὴλ ἢ γῆ κεχερσωμένη; διατί εἶπεν ὁ λαός μου· οὐ κυριευθησόμεθα καὶ οὐχ ἥξομεν πρός σε ἔτι;
32Vergeet een meisje haar opschik, Een bruid soms haar gordel? Maar Mij heeft mijn volk wèl vergeten, Sinds onafzienbare tijden.
32μὴ ἐπιλήσεται νύμφη τὸν κόσμον αὐτῆς καὶ παρθένος τὴν στηθοδεσμίδα αὐτῆς; ὁ δὲ λαός μου ἐπελάθετό μου ἡμέρας, ὧν οὐκ ἔστιν ἀριθμός.
33Hoe goed verstaat ge het toch, Naar liefde te zoeken, En daarom uw wandel Aan misdaad te wennen!
33τί ἔτι καλὸν ἐπιτηδεύσεις ἐν ταῖς ὁδοῖς σου τοῦ ζητῆσαι ἀγάπησιν; οὐχ οὕτως· ἀλλὰ καὶ σὺ ἐπονηρεύσω τοῦ μιᾶναι τὰς ὁδούς σου.
34Ja, aan uw handen kleeft bloed, Het leven van onschuldige kleinen: Ik heb ze niet in de groeve gevonden, Maar overal onder de eiken.
34καὶ ἐν ταῖς χερσί σου εὑρέθησαν αἵματα ψυχῶν ἀθώων· οὐκ ἐν διορύγμασιν εὗρον αὐτούς, ἀλλ' ἐπὶ πάσῃ δρυΐ.
35En dan durft ge nog zeggen: Ik ben onschuldig; Zijn gramschap is van mij weg! Hier ben Ik, om u te kastijden, Omdat ge nog zegt: Ik hèb niet gezondigd!
35καὶ εἶπας· ἀθῷός εἰμι, ἀλλὰ ἀποστραφήτω ὁ θυμὸς αὐτοῦ ἀπ' ἐμοῦ. ἰδοὺ ἐγὼ κρίνομαι πρὸς σὲ ἐν τῷ λέγειν σε· οὐχ ἥμαρτον.
36Waarom maakt ge zo’n haast, Om van weg te veranderen: Ook Egypte zal u beschamen, Zoals Assjoer het deed!
36τί κατεφρόνησας σφόδρα τοῦ δευτερῶσαι τὰς ὁδούς σου; καὶ ἀπὸ Αἰγύπτου καταισχυνθήσῃ, καθὼς κατῃσχύνθης ἀπὸ Ἀσσούρ.
37Ook vandaar komt ge terug Met het hoofd in uw handen; Want Jahweh heeft uw stut verstoten, Daar zult ge geen vreugd aan beleven!
37ὅτι καὶ ἐντεῦθεν ἐξελεύσῃ, καὶ αἱ χεῖρές σου ἐπὶ τῆς κεφαλῆς σου· ὅτι ἀπώσατο Κύριος τὴν ἐλπίδα σου, καὶ οὐκ εὐοδωθήσῃ ἐν αὐτῇ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.