Jeremia 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Trekt door Jerusalems straten, Kijkt rond en ziet uit; Zoekt op zijn pleinen, of ge iemand kunt vinden, Nog één die gerechtigheid wil, En waarachtigheid zoekt: Dan zou Ik het sparen!
1ΠΕΡΙΔΡΑΜΕΤΕ ἐν ταῖς ὁδοῖς Ἱερουσαλὴμ καὶ ἴδετε καὶ γνῶτε καὶ ζητήσατε ἐν ταῖς πλατείαις αὐτῆς, ἐὰν εὕρητε ἄνδρα, εἰ ἔστι ποιῶν κρίμα καὶ ζητῶν πίστιν, καὶ ἵλεως ἔσομαι αὐτοῖς, λέγει Κύριος.
2Maar al zeggen ze: “Bij het leven van Jahweh!” ze zweren vals!
2ζῇ Κύριος, λέγουσι· διὰ τοῦτο οὐκ ἐν ψεύδεσιν ὀμνύουσι;
3Jahweh, Gij wilt toch waarachtigheid zien? Gij hebt ze geslagen, maar ze sidderen niet; Gij hebt ze vernield, maar ze willen niet leren. Ze verharden hun voorhoofd erger nog dan een kei, En weigeren, zich te bekeren.
3Κύριε, οἱ ὀφθαλμοί σου εἰς πίστιν· ἐμαστίγωσας αὐτούς, καὶ οὐκ ἐπόνεσαν, συνετέλεσας αὐτούς, καὶ οὐκ ἠθέλησαν δέξασθαι παιδείαν· ἐστερέωσαν τὰ πρόσωπα αὐτῶν ὑπὲρ πέτραν καὶ οὐκ ἠθέλησαν ἐπιστραφῆναι.
4Ik dacht: Het zijn de kleinen alleen, die zo dwaas zijn, Omdat ze Jahweh’s weg niet kennen, de dienst van hun God;
4καὶ ἐγὼ εἶπα· ἴσως πτωχοί εἰσι, διότι οὐκ ἐδυνάσθησαν, ὅτι οὐκ ἔγνωσαν ὁδὸν Κυρίου καὶ κρίσιν Θεοῦ·
5Ik zal tot de groten gaan spreken, Want zij kennen Jahweh’s weg, de dienst van hun God. Maar ze hebben allemaal samen het juk verbroken, De banden aan flarden gescheurd.
5πορεύσομαι πρὸς τοὺς ἁδροὺς καὶ λαλήσω αὐτοῖς, ὅτι αὐτοὶ ἐπέγνωσαν ὁδὸν Κυρίου καὶ κρίσιν Θεοῦ· καὶ ἰδοὺ ὁμοθυμαδὸν συνέτριψαν ζυγόν, διέρρηξαν δεσμούς.
6Daarom vermoordt hen de leeuw uit het woud, Verslindt hen de wolf uit de steppe, Loert de panter bij hun steden, Wie er uitgaat, wordt verscheurd. Want hun zonden zijn talrijk, Hun afval ontstellend.
6διὰ τοῦτο ἔπαισεν αὐτοὺς λέων ἐκ τοῦ δρυμοῦ, καὶ λύκος ἕως τῶν οἰκιῶν ὠλόθρευσεν αὐτούς, καὶ πάρδαλις ἐγρηγόρησεν ἐπὶ τὰς πόλεις αὐτῶν· πάντες οἱ ἐκπορευόμενοι ἀπ' αὐτῶν θηρευθήσονται, ὅτι ἐπλήθυναν ἀσεβείας αὐτῶν, ἴσχυσαν ἐν ταῖς ἀποστροφαῖς αὐτῶν.
7Hoe zou Ik u dit alles vergeven: Uw zonen verlaten Mij, zweren bij al wat geen god is. Ik heb ze verzadigd, zij breken hun trouw, En zwermen naar de bordelen:
7ποίᾳ τούτων ἵλεως γένωμαί σοι; οἱ υἱοί σου ἐγκατέλιπόν με καὶ ὤμνυον ἐν τοῖς οὐκ οὖσι θεοῖς· καὶ ἐχόρτασα αὐτοὺς καὶ ἐμοιχῶντο καὶ ἐν οἴκοις πορνῶν κατέλυον.
8Allemaal vette, geile hengsten, Hinnekend achter de vrouw van een ander.
8ἵπποι θηλυμανεῖς ἐγενήθησαν, ἕκαστος ἐπὶ τὴν γυναῖκα τοῦ πλησίον αὐτοῦ ἐχρεμέτιζον.
9Zou Ik zo iets niet straffen, spreekt Jahweh; Op zulk een volk Mij niet wreken?
9μὴ ἐπὶ τούτοις οὐκ ἐπισκέψομαι; λέγει Κύριος. ἢ ἐν ἔθνει τοιούτῳ οὐκ ἐκδικήσει ἡ ψυχή μου;
10Klimt zijn wijnbergen op en gaat ze vernielen, Maar verwoest ze niet voor altoos; Rukt af zijn ranken, Want ze behoren Jahweh niet toe.
10ἀνάβητε ἐπὶ τοὺς προμαχῶνας αὐτῆς καὶ κατασκάψατε, συντέλειαν δὲ μὴ ποιήσητε· ὑπολίπεσθε τὰ ὑποστηρίγματα αὐτῆς, ὅτι τοῦ Κυρίου εἰσίν.
11Want het huis van Israël is Mij ontrouw geworden, Met het huis van Juda, spreekt Jahweh!
11ὅτι ἀθετῶν ἠθέτησεν εἰς ἐμέ, λέγει Κύριος, οἶκος Ἰσραὴλ καὶ οἶκος Ἰούδα.
12Ze hebben tegen Jahweh gelogen, Gezegd: Hij doet immers niets; Over ons komt geen onheil, Wij zullen zwaard noch honger aanschouwen!
12ἐψεύσατο τῷ Κυρίῳ αὐτῶν καὶ εἶπαν· οὐκ ἔστι ταῦτα· οὐχ ἥξει ἐφ' ἡμᾶς κακά, καὶ μάχαιραν καὶ λιμὸν οὐκ ὀψόμεθα·
13De profeten zijn lucht; Ze hebben geen godsspraak: het zal hunzelf overkomen!
13οἱ προφῆται ἡμῶν ἦσαν εἰς ἄνεμον, καὶ λόγος Κυρίου οὐχ ὑπῆρχεν ἐν αὐτοῖς· οὕτως ἔσται αὐτοῖς.
14Daarom spreekt Jahweh der heirscharen: Omdat zijl zulke woorden spreken, Maak Ik mijn woorden in uw mond tot een vuur, En dit volk tot brandhout, dat het verteert!
14διὰ τοῦτο τάδε λέγει Κύριος παντοκράτωρ· ἀνθ' ὧν ἐλαλήσατε τὸ ρῆμα τοῦτο, ἰδοὺ ἐγὼ δέδωκα τοὺς λόγους μου εἰς τὸ στόμα σου πῦρ καὶ τὸν λαὸν τοῦτον ξύλα, καὶ καταφάγεται αὐτούς.
15Zie, Ik laat uit de verte een volk op u los, Huis van Israël: is de godsspraak van Jahweh! Een onverwoestbaar volk, Een eeuwenoud volk, Een volk, waarvan ge de taal niet kent, En de spraak niet verstaat.
15ἰδοὺ ἐγὼ ἐπάγω ἐφ' ὑμᾶς ἔθνος πόρρωθεν, οἶκος Ἰσραήλ, λέγει Κύριος, ἔθνος οὗ οὐκ ἀκούσει τῆς φωνῆς τῆς γλώσσης αὐτοῦ·
16Zijn strot gelijkt op een open graf, Het is een leger van helden:
16πάντες ἰσχυροὶ καὶ κατέδονται τὸν θερισμὸν ὑμῶν
17Het verslindt uw oogst en uw brood, Het verslindt uw zonen en dochters; Het verslindt uw kudde en vee, Het verslindt uw wingerd en vijg. Het verwoest uw vestingen, Waarop ge vertrouwt, Te vuur en te zwaard:
17καὶ τοὺς ἄρτους ὑμῶν καὶ κατέδονται τοὺς υἱοὺς ὑμῶν καὶ τὰς θυγατέρας ὑμῶν καὶ κατέδονται τὰ πρόβατα ὑμῶν καὶ τοὺς μόσχους ὑμῶν καὶ κατέδονται τοὺς ἀμπελῶνας ὑμῶν καὶ τοὺς συκῶνας ὑμῶν καὶ τοὺς ἐλαιῶνας ὑμῶν· καὶ ἀλοήσουσι τὰς πόλεις τὰς ὀχυρὰς ὑμῶν, ἐφ' αἷς ὑμεῖς πεποίθατε ἐπ' αὐταῖς, ἐν ρομφαίᾳ.
18Al zal Ik dan ook in die dagen U niet voor immer verdelgen: Is de godsspraak van Jahweh!
18καὶ ἔσται ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις, λέγει Κύριος ὁ Θεός σου, οὐ μὴ ποιήσω ὑμᾶς εἰς συντέλειαν.
19Maar als ze dan vragen: Waarom heeft Jahweh, onze God, ons dit alles gedaan? Dan zult ge hun zeggen: Zoals ge Mij hebt verlaten, En vreemde goden in uw land hebt gediend, Moet ge vreemden dienen in een land, dat het uwe niet is!
19καὶ ἔσται ὅταν εἴπητε· τίνος ἕνεκεν ἐποίησε Κύριος ὁ Θεὸς ἡμῶν ἡμῖν πάντα ταῦτα; καὶ ἐρεῖς αὐτοῖς· ἀνθ' ὧν ἐδουλεύσατε θεοῖς ἀλλοτρίοις ἐν τῇ γῇ ὑμῶν, οὕτως δουλεύσετε ἀλλοτρίοις ἐν τῇ γῇ οὐχ ὑμῶν.
20Verkondigt het in het huis van Jakob, En meldt het in Juda:
20ἀναγγείλατε ταῦτα εἰς τὸν οἶκον Ἰακώβ, καὶ ἀκουσθήτω ἐν τῷ οἴκῳ Ἰούδα.
21Hoort dit eens goed, Gij dwaas en harteloos volk, Dat ogen heeft, maar niet ziet, Dat oren heeft, maar niet hoort.
21ἀκούσατε δὴ ταῦτα, λαὸς μωρὸς καὶ ἀκάρδιος, ὀφθαλμοὶ αὐτοῖς καὶ οὐ βλέπουσιν, ὦτα αὐτοῖς καὶ οὐκ ἀκούουσι.
22Mij wilt ge niet vrezen, zegt Jahweh; Voor mijn aanschijn niet beven? Ik, die de duinen gezet heb als grens voor de zee, Een slagboom voor eeuwig, die ze niet overschrijdt; Al klotsen haar golven, ze blijven onmachtig, Hoe ze ook stormen, ze slaan er niet over.
22μὴ ἐμὲ οὐ φοβηθήσεσθε; λέγει Κύριος, ἢ ἀπὸ προσώπου μου οὐκ εὐλαβηθήσεσθε; τὸν τάξαντα ἄμμον ὅριον τῇ θαλάσσῃ, πρόσταγμα αἰώνιον, καὶ οὐχ ὑπερβήσεται αὐτό, καὶ ταραχθήσεται καὶ οὐ δυνήσεται, καὶ ἠχήσουσι τὰ κύματα αὐτῆς καὶ οὐχ ὑπερβήσεται αὐτό.
23Maar dit volk heeft een bandeloos en onhandelbaar hart; Ze vallen maar af, en lopen maar weg.
23τῷ δὲ λαῷ τούτῳ ἐγενήθη καρδία ἀνήκοος καὶ ἀπειθής, καὶ ἐξέκλιναν καὶ ἀπήλθοσαν·
24Ze denken niet eens bij zichzelf: Laat ons Jahweh toch vrezen, onzen God, Die ons regen schenkt op zijn tijd, in herfst en in lente, Die ons trouw vaste weken brengt voor de oogst.
24καὶ οὐκ εἶπον ἐν τῇ καρδίᾳ αὐτῶν· φοβηθῶμεν δὴ Κύριον τὸν Θεὸν ἡμῶν, τὸν διδόντα ἡμῖν ὑετὸν πρώϊμον καὶ ὄψιμον κατὰ καιρὸν πληρώσεως προστάγματος θερισμοῦ καὶ ἐφύλαξεν ἡμῖν.
25Uw misdaden hebben dit alles verstoord, Uw zonden u van die gunsten beroofd!
25αἱ ἀνομίαι ὑμῶν ἐξέκλιναν ταῦτα, καὶ αἱ ἁμαρτίαι ὑμῶν ἀπέστησαν τὰ ἀγαθὰ ἀφ' ὑμῶν·
26Want er zijn schurken onder mijn volk, Die in hinderlaag liggen, als vogelaars loeren; Die strikken zetten, Om mensen te vangen.
26ὅτι εὑρέθησαν ἐν τῷ λαῷ μου ἀσεβεῖς καὶ παγίδας ἔστησαν τοῦ διαφθεῖραι ἄνδρας καὶ συνελαμβάνοσαν.
27Als een mand vol vogels, Zijn hun huizen gepropt met oneerlijk goed. Zo zijn ze machtig en rijk geworden,
27ὡς παγὶς ἐφεσταμένη πλήρης πετεινῶν, οὕτως οἱ οἶκοι αὐτῶν πλήρεις δόλου· διὰ τοῦτο ἐμεγαλύνθησαν καὶ ἐπλούτησαν·
28En glimmen van vet; De boosheid puilt van hen uit Ze kennen geen recht. Voor de wezen pleiten ze niet, Ze nemen het niet voor de armen op!
28καὶ παρέβησαν κρίσιν, οὐκ ἔκριναν κρίσιν ὀρφανοῦ καὶ κρίσιν χήρας οὐκ ἐκρίνοσαν.
29En zou Ik dit alles niet straffen: Is de godsspraak van Jahweh; Op zulk een volk Mij niet willen wreken?
29μὴ ἐπὶ τούτοις οὐκ ἐπισκέψομαι; λέγει Κύριος, ἢ ἐν ἔθνει τῷ τοιούτῳ οὐκ ἐκδικήσει ἡ ψυχή μου;
30Ontzettende en gruwelijke dingen Gebeuren er in het land:
30ἔκστασις καὶ φρικτὰ ἐγενήθη ἐπὶ τῆς γῆς.
31De profeten profeteren maar leugens, De priesters regeren voor hun eigen belang. Zo heeft mijn volk het gewild; Maar wat zult ge doen, als het einde komt?
31οἱ προφῆται προφητεύουσιν ἄδικα, καὶ οἱ ἱερεῖς ἐπεκρότησαν ταῖς χερσὶν αὐτῶν, καὶ ὁ λαός μου ἠγάπησεν οὕτως· καὶ τί ποιήσετε εἰς τὰ μετὰ ταῦτα;
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.