Jeremia
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Het woord, dat Jahweh tot Jeremias richtte!
1Ο λόγος ὁ γενόμενος παρὰ Κυρίου πρὸς Ἱερεμίαν λέγων·
2Sta op, en ga naar het huis van den pottenbakker beneden; daar zal Ik u mijn opdracht doen horen.
2ἀνάστηθι, καὶ κατάβηθι εἰς οἶκον τοῦ κεραμέως, καὶ ἐκεῖ ἀκούσῃ τοὺς λόγους μου.
3Ik ging naar beneden naar het huis van den pottenbakker. Deze was juist bezig, een pot te draaien op de dubbele schijf.
3καὶ κατέβην εἰς τὸν οἶκον τοῦ κεραμέως, καὶ ἰδοὺ αὐτὸς ἐποίει ἔργον ἐπὶ τῶν λίθων·
4Maar de pot, die de pottenbakker uit leem wilde maken, mislukte onder zijn hand; toen begon de pottenbakker opnieuw en maakte er een andere pot van, juist als hij wilde.
4καὶ ἔπεσε τὸ ἀγγεῖον, ὃ αὐτὸς ἐποίει ἐν ταῖς χερσὶν αὐτοῦ, καὶ πάλιν αὐτὸς ἐποίησεν αὐτὸ ἀγγεῖον ἕτερον, καθὼς ἤρεσεν ἐνώπιον αὐτοῦ τοῦ ποιῆσαι.
5Nu werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
5καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρός με λέγων·
6Zou Ik niet als deze pottenbakker met u kunnen handelen, huis van Israël, spreekt Jahweh? Waarachtig, als leem in de hand van den pottenbakker zijt gij in mijn handen, huis van Israël!
6εἰ καθὼς ὁ κεραμεὺς οὗτος οὐ δυνήσομαι τοῦ ποιῆσαι ὑμᾶς, οἶκος Ἰσραήλ; ἰδοὺ ὡς ὁ πηλὸς τοῦ κεραμέως ὑμεῖς ἐστε ἐν ταῖς χερσί μου.
7Het éne ogenblik besluit Ik, een volk en een rijk uit te roeien, omver te werpen en te vernielen;
7πέρας λαλήσω ἐπὶ ἔθνος ἢ ἐπὶ βασιλείαν τοῦ ἐξᾶραι αὐτοὺς καὶ τοῦ ἀπολλύειν,
8maar als het volk, tegen wien Ik dit besluit heb getroffen, zich van zijn boosheid bekeert, dan heb Ik weer spijt over het onheil, dat Ik het wilde berokkenen.
8καὶ ἐπιστραφῇ τὸ ἔθνος ἐκεῖνο ἀπὸ πάντων τῶν κακῶν αὐτῶν, καὶ μετανοήσω περὶ τῶν κακῶν, ὧν ἐλογισάμην τοῦ ποιῆσαι αὐτοῖς.
9Het andere ogenblik besluit Ik, een volk en een rijk op te bouwen en te planten;
9καὶ πέρας λαλήσω ἐπὶ ἔθνος καὶ βασιλείαν τοῦ ἀνοικοδομεῖσθαι καὶ τοῦ καταφυτεύεσθαι,
10Maar als het kwaad doet in mijn ogen en naar Mij niet wil horen, dan heb Ik spijt van het goede, dat Ik besloten had, het te doen.
10καὶ ποιήσωσι τὰ πονηρὰ ἐναντίον μου τοῦ μὴ ἀκούειν τῆς φωνῆς μου, καὶ μετανοήσω περὶ τῶν ἀγαθῶν, ὧν ἐλάλησα τοῦ ποιῆσαι αὐτοῖς.
11Welnu dan, zegt tot de mannen van Juda en de bewoners van Jerusalem: Zo spreekt Jahweh! Zie, Ik ben een onheil tegen u aan het kneden, en zit een plan tegen u te vormen; keert allen dus terug van uw boze weg, en verbetert uw handel en wandel.
11καὶ νῦν εἰπὸν πρὸς ἄνδρας Ἰούδα καὶ πρὸς τοὺς κατοικοῦντας Ἱερουσαλήμ· ἰδοὺ ἐγὼ πλάσσω ἐφ' ὑμᾶς κακὰ καὶ λογίζομαι ἐφ' ὑμᾶς λογισμόν· ἀποστραφήτω δὴ ἕκαστος ἀπὸ ὁδοῦ αὐτοῦ τῆς πονηρᾶς, καὶ καλλίονα ποιήσατε τά ἐπιτηδεύματα ὑμῶν.
12Maar ze zeggen: Vergeefse moeite! We willen onze eigen zin blijven doen, en allemaal ons afgestompt, boos hart blijven volgen.
12καὶ εἶπαν· ἀνδριούμεθα, ὅτι ὀπίσω τῶν ἀποστροφῶν ἡμῶν πορευσόμεθα καὶ ἕκαστος τὰ ἀρεστά τῆς καρδίας αὐτοῦ τῆς πονηρᾶς ποιήσομεν.
13Daarom spreekt Jahweh: Vraagt het de volken, Wie ooit zo iets heeft gehoord? Iets huiveringwekkends Heeft de jonkvrouw van Israël bedreven!
13διὰ τοῦτο τάδε λέγει Κύριος· ἐρωτήσατε δὴ ἐν ἔθνεσι· τίς ἤκουσε τοιαῦτα φρικτά, ἃ ἐποίησε σφόδρα παρθένος Ἰσραήλ;
14Smelt ooit van de machtige spitsen De Libanon-sneeuw; Drogen ooit haar bruisende, Kille en ruisende wateren op?
14μὴ ἐκλείψουσιν ἀπὸ πέτρας μαστοὶ ἢ χιὼν ἀπὸ τοῦ Λιβάνου; μὴ ἐκκλινῇ ὕδωρ βιαίως ἀνέμῳ φερόμενον;
15Maar mijn volk heeft Mij vergeten, Voor waangoden wierook gebrand. Die hebben ze op hun wegen doen struikelen, Op de oeroude banen, Zodat ze zijpaden gaan, En ongeëffende wegen.
15ὅτι ἐπελάθοντό μου ὁ λαός μου, εἰς κενὸν ἐθυμίασαν· καὶ ἀσθενήσουσιν ἐν ταῖς ὁδοῖς αὐτῶν σχοίνους αἰωνίους τοῦ ἐπιβῆναι τρίβους οὐκ ἔχοντας ὁδὸν εἰς πορείαν
16Zo maakten ze hun land tot een steppe, Tot bespotting voor eeuwig; Wie er doorheen trekt, verstomt, Schudt meewarig het hoofd.
16τοῦ τάξαι τὴν γῆν αὐτῶν εἰς ἀφανισμὸν καὶ σύριγμα αἰώνιον· πάντες οἱ διαπορευόμενοι δι' αὐτῆς ἐκστήσονται καὶ κινήσουσι τὴν κεφαλὴν αὐτῶν.
17Als een oostenwind Zal Ik ze voor hun vijand verstrooien; Ik zal ze met de nek bezien, niet met het gelaat, Op de dag van hun nood!
17ὡς ἄνεμον καύσωνα διασπερῶ αὐτοὺς κατὰ πρόσωπον ἐχθρῶν αὐτῶν, δείξω αὐτοῖς ἡμέραν ἀπωλείας αὐτῶν.
18Toen zeiden zij: Komt, laat ons een aanslag tegen Jeremias beramen: “Neen, den priester is de wet niet ontnomen, Den wijze de raad niet, Den profeet niet het Godswoord!” Vooruit, laten we hem doden voor zo’n taal, En niet luisteren naar zijn woorden!
18Καὶ εἶπαν· δεῦτε καὶ λογισώμεθα ἐπὶ Ἱερεμίαν λογισμόν, ὅτι οὐκ ἀπολεῖται νόμος ἀπὸ ἱερέως καὶ βουλὴ ἀπὸ συνετοῦ καὶ λόγος ἀπὸ προφήτου· δεῦτε καὶ πατάξωμεν αὐτὸν ἐν γλώσσῃ καὶ ἀκουσόμεθα πάντας τοὺς λόγους αὐτοῦ.
19Jahweh, luister Gij dan naar mij, En hoor wat mijn bestrijders zeggen.
19εἰσάκουσόν μου, Κύριε, καὶ εἰσάκουσον τῆς φωνῆς τοῦ δικαιώματός μου.
20Mag men dan goed met kwaad vergelden, Dat ze mij een kuil mogen graven? Gedenk toch, dat ik bij U voor hen stond te pleiten, Om uw gramschap van hen af te wenden.
20εἰ ἀνταποδίδοται ἀντὶ ἀγαθῶν κακά; ὅτι συνελάλησαν ρήματα κακὰ τῆς ψυχῆς μου καὶ τὴν κόλασιν αὐτῶν ἔκρυψάν μοι· μνήσθητι ἑστηκότος μου κατὰ πρόσωπόν σου τοῦ λαλῆσαι ὑπὲρ αὐτῶν ἀγαθά, τοῦ ἀποστρέψαι τὸν θυμόν σου ἀπ' αὐτῶν.
21Geef dus hun kinderen prijs aan de honger, En lever ze uit aan het zwaard; Laat hun vrouwen kinderloos blijven, En weduwen worden, Hun mannen sterven aan de pest, Hun jongens sneuvelen door het zwaard!
21διὰ τοῦτο δὸς τοὺς υἱοὺς αὐτῶν εἰς λιμὸν καὶ ἄθροισον αὐτοὺς εἰς χεῖρας μαχαίρας· γενέσθωσαν αἱ γυναῖκες αὐτῶν ἄτεκνοι καὶ χῆραι, καὶ οἱ ἄνδρες αὐτῶν γενέσθωσαν ἀνῃρημένοι θανάτῳ καὶ οἱ νεανίσκοι αὐτῶν πεπτωκότες μαχαίρᾳ ἐν πολέμῳ.
22Laat het krijgsgehuil Uit hun huizen weerklinken, Wanneer Gij benden van rovers Onverwacht op hen afstuurt; Want ze hebben een kuil gegraven, om mij te vangen, En strikken voor mijn voeten gezet.
22γενηθήτω κραυγὴ ἐν ταῖς οἰκίαις αὐτῶν, ἐπάξεις ἐπ' αὐτοὺς ληστὰς ἄφνω, ὅτι ἐνεχείρησαν λόγον εἰς σύλληψίν μου, καὶ παγίδας ἔκρυψαν ἐπ' ἐμέ.
23Maar Jahweh, Gij kent alle moordplannen, Die ze tegen mij smeden. Vergeef ze dus hun misdaad niet, En wis hun zonden niet uit voor uw aanschijn; Stort ze neer voor uw aanschijn, Reken met hen af in de tijd van uw gramschap!
23καὶ σύ, Κύριε, ἔγνως ἅπασαν τὴν βουλὴν αὐτῶν ἐπ' ἐμὲ εἰς θάνατον· μὴ ἀθῳώσῃς τὰς ἀδικίας αὐτῶν, καὶ τὰς ἁμαρτίας αὐτῶν ἀπὸ προσώπου σου μὴ ἐξαλείψῃς· γενέσθω ἡ ἀσθένεια αὐτῶν ἐναντίον σου, ἐν καιρῷ θυμοῦ σου ποίησον ἐν αὐτοῖς.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.