Jeremia
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord, dat Jahweh tot Jeremias richtte!
1Слово, що надійшло до Еремії від Господа:
2Sta op, en ga naar het huis van den pottenbakker beneden; daar zal Ik u mijn opdracht doen horen.
2Устань та йди в домівку до ганчаря; там я дам тобі почути слово моє.
3Ik ging naar beneden naar het huis van den pottenbakker. Deze was juist bezig, een pot te draaien op de dubbele schijf.
3І пійшов я в домівку до ганчаря, і застав його за ганчарською роботою на кружалї.
4Maar de pot, die de pottenbakker uit leem wilde maken, mislukte onder zijn hand; toen begon de pottenbakker opnieuw en maakte er een andere pot van, juist als hij wilde.
4І зопсувалась посудина, що саме лїпив її з глини, в руцї в його; й зробив він знов із неї другу посудину, як сам схотїв.
5Nu werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
5І надійшло до мене слово Господнє таке:
6Zou Ik niet als deze pottenbakker met u kunnen handelen, huis van Israël, spreekt Jahweh? Waarachtig, als leem in de hand van den pottenbakker zijt gij in mijn handen, huis van Israël!
6Чи не можу ж я вчинити з вами, доме Ізраїля, так, як сей ганчарь? сказав Господь. Ось, чим глина в руцї в ганчаря, тим і ви в мене в руцї, доме Ізрайлїв.
7Het éne ogenblik besluit Ik, een volk en een rijk uit te roeien, omver te werpen en te vernielen;
7Часом погрожу я якому народові або царству, що викореню його, сокрушу, погублю;
8maar als het volk, tegen wien Ik dit besluit heb getroffen, zich van zijn boosheid bekeert, dan heb Ik weer spijt over het onheil, dat Ik het wilde berokkenen.
8Як же обернеться той народ, що я погрожував йому, та покине ледарство своє, то я одкладаю те лихо, яке задумав йому заподїяти.
9Het andere ogenblik besluit Ik, een volk en een rijk op te bouwen en te planten;
9Часом же проречу якому народові чи царству підняти його вгору й утвердити;
10Maar als het kwaad doet in mijn ogen en naar Mij niet wil horen, dan heb Ik spijt van het goede, dat Ik besloten had, het te doen.
10Він же стане коїти зло перед очима в мене й не слухати заповіту мого, — от я й відміню те добро, яким хотїв надїлити його.
11Welnu dan, zegt tot de mannen van Juda en de bewoners van Jerusalem: Zo spreekt Jahweh! Zie, Ik ben een onheil tegen u aan het kneden, en zit een plan tegen u te vormen; keert allen dus terug van uw boze weg, en verbetert uw handel en wandel.
11Оце ж скажи мужам Юдиним і осадникам Ерусалимським: Так говорить Господь: Ось, я приготовив і задумав проти вас лихо; навертайтесь же кожний од злої дороги вашої і простуйте путї ваші й поступки ваші.
12Maar ze zeggen: Vergeefse moeite! We willen onze eigen zin blijven doen, en allemaal ons afgestompt, boos hart blijven volgen.
12Вони ж кажуть: Не надїйся; ми ходити мем своїм робом і будемо ходити упрямо за нашим ледачим серцем.
13Daarom spreekt Jahweh: Vraagt het de volken, Wie ooit zo iets heeft gehoord? Iets huiveringwekkends Heeft de jonkvrouw van Israël bedreven!
13Тим же то ось як говорить Господь: Поспитайте між народами, чи хто чував коли таке? (давна) дїва Ізрайлева вчинила страшенне дїло.
14Smelt ooit van de machtige spitsen De Libanon-sneeuw; Drogen ooit haar bruisende, Kille en ruisende wateren op?
14Чи покидає снїг високу скелю Ливанську? чи зсякають із других місць текучі холодні води?
15Maar mijn volk heeft Mij vergeten, Voor waangoden wierook gebrand. Die hebben ze op hun wegen doen struikelen, Op de oeroude banen, Zodat ze zijpaden gaan, En ongeëffende wegen.
15Мої ж люде покинули мене; кадять марнотам, спотикнулись на дорогах своїх, покинули давнезні дороги, щоб блукати стежками по бездоріжжях, —
16Zo maakten ze hun land tot een steppe, Tot bespotting voor eeuwig; Wie er doorheen trekt, verstomt, Schudt meewarig het hoofd.
16Щоби зробити свою землю пострахом, повсячасним сьміховищем, так що хто переходити ме нею, здивується й похитає головою своєю.
17Als een oostenwind Zal Ik ze voor hun vijand verstrooien; Ik zal ze met de nek bezien, niet met het gelaat, Op de dag van hun nood!
17Наче восточнім вітром розвію людей сих перед ворогом; плечима, не лицем обернусь до них при лихій годинї.
18Toen zeiden zij: Komt, laat ons een aanslag tegen Jeremias beramen: “Neen, den priester is de wet niet ontnomen, Den wijze de raad niet, Den profeet niet het Godswoord!” Vooruit, laten we hem doden voor zo’n taal, En niet luisteren naar zijn woorden!
18А вони сказали: „Нумо, вчинїмо змовини проти Еремії; бо й без него не щезне закон у сьвященника й порада в мудрого й слово в пророка; нумо лишень, побиймо його язиком; не будемо прислуховатись словам його.‟
19Jahweh, luister Gij dan naar mij, En hoor wat mijn bestrijders zeggen.
19Зглянься, Господи, на мене та почуй речі моїх противників!
20Mag men dan goed met kwaad vergelden, Dat ze mij een kuil mogen graven? Gedenk toch, dat ik bij U voor hen stond te pleiten, Om uw gramschap van hen af te wenden.
20Чи годиться ж віддячувати злом за добро? а вони менї яму копають. Спогадай, що я все стояв перед тобою, благаючи добра їм, аби гнїв твій од них одвернути.
21Geef dus hun kinderen prijs aan de honger, En lever ze uit aan het zwaard; Laat hun vrouwen kinderloos blijven, En weduwen worden, Hun mannen sterven aan de pest, Hun jongens sneuvelen door het zwaard!
21Оце ж ти певно оддаси синів їх на голоднечу й самих їх подаси на поталу мечу, — щоб їх жени були бездїтницями та вдовицями, щоб чоловіки померли мором, а молодики полягли в бою від меча.
22Laat het krijgsgehuil Uit hun huizen weerklinken, Wanneer Gij benden van rovers Onverwacht op hen afstuurt; Want ze hebben een kuil gegraven, om mij te vangen, En strikken voor mijn voeten gezet.
22Із домівок їх буде чути крик, бо ти несподївано приведеш ватаги на них; за те що вони копають яму, щоб мене піймати, і розставляють потай сїтї на мої ноги.
23Maar Jahweh, Gij kent alle moordplannen, Die ze tegen mij smeden. Vergeef ze dus hun misdaad niet, En wis hun zonden niet uit voor uw aanschijn; Stort ze neer voor uw aanschijn, Reken met hen af in de tijd van uw gramschap!
23Ти ж, Господи, знаєш усї їх задуми проти мене; не прости ж неправедностї їх, і гріхи їх не змивай перед лицем твоїм; нехай вони поваляться перед тобою; вчини з ними по правдї в часї гнїву твого.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.