Jeremia
Chapter 31
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1In die tijd, is de godsspraak van Jahweh, Zal Ik voor Israëls stammen een God zijn, En zij zullen mijn volk zijn, spreekt Jahweh.
1Того часу, говорить Господь, буду я Богом усїм родам Ізрайлевим, а вони будуть моїм народом.
2In de steppe vindt het volk weer genade, Dat door het zwaard bleef gespaard: Israël, op weg naar zijn rust.
2Так бо говорить Господь: Нарід, що уйшов від меча, знайшов милосердє в пустинї; ійду дати супокій Ізрайлеві.
3Reeds uit de verte treedt Jahweh het tegen: Met een eeuwige liefde heb Ik u lief; Daarom neem Ik genadig u aan, en bouw u weer op.
3Здавна явився менї Господь, і сказав: віковічною любовю полюбив я тебе, тим і розпростер над тобою ласку мою.
4Jonkvrouw van Israël, gij wordt herbouwd; Weer zult gij u tooien met pauken, Opgaan in vrolijke reien!
4Та й тепер відновлю тебе, і станеш обновлена, ти, дївице Ізрайлева; знов будеш красуватись з бубнами твоїми, виступаючи в веселому хороводї;
5Weer zult ge wijngaarden planten op Samaria’s bergen, En die ze planten, zullen er de vruchten van oogsten.
5Знов понасаджуєш виноградники по Самарийських узгіррях; виноградарі, що будуть їх насаджувати, будуть самі й користуватись ними.
6Ja, de dag zal komen, dat de wachters Op Efraïms bergen roepen: Komt, laat ons opgaan naar Sion, Naar Jahweh, onzen God!
6І прийде день, коли сторожі покликати муть по горах Ефраїмових: Уставайте, пійдемо на Сион, до Господа, Бога нашого!
7Want zo spreekt Jahweh: Jubelt van vreugd over Jakob, Juicht over den heerser der volken; Verkondigt het blijde, en roept het uit Jahweh heeft zijn volk verlost, Al wat van Israël bleef gespaard!
7Так бо говорить Господь: Висьпівуйте, радісно про Якова, викликайте перед головою народів; хвалїте голосно й промовляйте: Спасай, Господи, нарід твій, останок Ізраїля!
8Zie, Ik leid ze terug Uit het land van het noorden, En breng ze bijeen van de grenzen der aarde: Met blinden en lammen in hun kring, Met zwangere en barende vrouwen: In machtige drommen keren ze terug!
8Ось, я приведу їх із північньої землї й позбіраю з усїх країн земних, — слїпий і кривий, вагітна й породїля разом із ними, — велика громада вернеться сюди.
9Wenend schrijden ze voort, Maar troostend zal Ik ze leiden, En ze naar de waterbeken brengen Langs effen wegen, waarop ze niet struikelen; Want Ik zal Israël een vader, Efraïm zal mijn eerstgeborene zijn.
9З плачем ійшли вони, а я поведу їх у радощах; вести му поблизь потоків по рівній дорозї; на нїй вони не спотикнуться; бо я — отцем Ізраїлеві, а Ефраїм — первенець мій.
10Volkeren, hoort het woord van Jahweh, Verkondigt het op verre kusten: Die Israël verstrooide, verzamelt het weer, En hoedt ze, als een herder zijn kudde!
10Почуйте, народи, слово Господнє, й вістїть його островам далеким, і кажіть: Той, що розсїяв Ізраїля, той і збірає його, та й стерегти ме його, як пастир стадо своє.
11Waarachtig, Jahweh heeft Jakob verlost, Hem uit de greep van zijn overwinnaar bevrijd.
11Викупить бо Господь Якова й вибавить його з руки в того, що був дужший од него.
12Juichend bereiken ze de toppen van Sion, Stralend van vreugde om de goedheid van Jahweh. Om het koren, de most en de olie, Om de schapen en runderen. Hun ziel is als een bevloeide tuin, Ze zullen nooit meer versmachten.
12І прийдуть й будуть веселитись на горах Сионових, і збігатись на дари Господнї, на пшеницю, вино й олїю, до ягнят і волів, і душа їх буде, мов добре напоєний водою сад, і не будуть дознавати спраги.
13Dan zullen de meisjes dansen van vreugde, Jongemannen in de kring van grijsaards; Dan zal Ik hun rouw in vreugde veranderen, Ze troosten en verblijden, omdat hun kommer voorbij is;
13Тодї дївиця веселити меться в хороводї, а з нею й молодики й дїди, й поверну печаль їх у радощі, й втїшу й звеселю їх по їх тузї.
14De priesters zal Ik vette offers in overvloed geven, Mijn volk zal zwelgen van mijn goedheid, spreekt Jahweh!
14І нагодую душі сьвященників товщею, а люд мій засититься добром моїм, говорить Господь.
15Zo spreekt Jahweh: Een jammerklacht wordt in Rama gehoord, Een bitter geween: Rachel schreit om haar zonen, Ze wil zich niet laten troosten, Want haar kinderen zijn niet meer.
15Ще ж так говорить Господь: Чути голосїннє аж у Рамі, наріканнє й риданнє; Рахиль плаче по своїх дїтях і не хоче розважитись, бо їх уже нема.
16Zo spreekt Jahweh: Houd op met schreien, En droog uw tranen, Want er is troost voor uw tobben, spreekt Jahweh: Ze keren terug uit het land van den vijand;
16От же так говорить Господь: Перестань плакати-голосити, й нехай очі твої не проливають сльоз, є бо плата за труд твій, говорить Господь: вернуться вони з землї ворожої.
17Er is hoop voor de toekomst, spreekt Jahweh, De kinderen keren terug naar hun grond.
17Є ще надїя на твою будущину, говорить Господь: дїти твої вернуться додому в гряницї свої.
18Ik heb toch gehoord, Hoe Efraïm klaagt: Gij hebt mij streng getuchtigd Als een ongetemd rund. Ach, breng mij tot inkeer, ik wil mij bekeren, Gij zijt toch Jahweh, mijn God!
18Чув я плач Ефраїма: Скарав єси мене, — я скараний, мов той бик неосвоєний; верни мене, й вернуся, ти бо Господь, Бог мій.
19Ja, na mijn afval, Kreeg ik berouw; En toen ik het inzag, Sloeg ik mij de heupen. Nu bloos ik van schaamte, Want ik boet de schanddaden van mijn jeugd.
19Коли ти навертав мене, то я каявся; коли врозумляв мене, — я бився по стегнах; я соромився і стидався, бо двигав безчесть молодощів моїх.
20Is Efraïm dan mijn lievelingszoon, Mijn troetelkind, Dat zo gauw Ik hem dreig, Ik hem aanstonds gedenk? Is daarom mijn hart over hem zo ontroerd, En moet Ik Mij zijner ontfermen, spreekt Jahweh?
20Чи не дорогий ж в мене син Ефраїм? чи не люба він дитина в мене? Скілько бо раз заговорю про його, все я любо згадую його; моє внутро зворушується над ним; змилосерджуся над ним, говорить Господь.
21Richt u mijlpalen op, Zet u wegwijzers neer; Let op het pad, Op de weg, die ge gaat. Jonkvrouw van Israël, keer terug, Hier terug naar uw steden!
21Постав собі дороговкази, повкопуй стовпи, оберни серце твоє на дорогу, що нею ходила; вертай, дїво Ізрайлева, вертайся в сї городи твої.
22Hoe lang zult ge talmen, Ontrouwe dochter! Waarachtig een nieuw geslacht Schept Jahweh op aarde: De vrouw keert terug Tot haar man!
22Докіль тобі блукати, ти, зрадлива дочко? Ось, Господь сотворив щось нове на землї: женщина обгорне мужа.
23Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Weer zal men zeggen In het land en de steden van Juda, Wanneer Ik hun weer geluk heb geschonken: Jahweh zegene u, Zetel van Gerechtigheid, Heilige Berg!
23Так говорить Господь сил небесних, Бог Ізрайлїв: Наперед уже, як завертати му полонян, будуть говорити в землї Юдиній й по його містах такі слова: Благослови тебе, Господи, пробутку справедливостї, горо сьвята!
24Dan zal Juda daar wonen met al zijn steden, Met landbouwers en herders der kudde;
24І оселиться на нїй Юда вкупі з усїма містами своїми, хлїбороби й чабани.
25Die uitgeput zijn zal Ik verkwikken, Al de versmachtenden laven:
25Напою бо душу багнущу, й кожну голодуючу душу нагодую.
26Dan waak Ik op, en blik om Mij heen, Mijn slaap is voorbij!
26В тім я прокинувся і подивився, і сон мій був такий солодкий.
27Zie, de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh: Dat Ik het huis van Israël En het huis van Juda bestrooi Met het zaad van mensen En het zaad van vee.
27Ось надходить час, говорить Господь — що засїю дом Ізраїля і дом Юди насїннєм людським і насїннєм скота.
28En zoals Ik op hen heb gelet, Om uit te roeien en te verdelgen, Te verwoesten, te vernielen en onheil te brengen: Zo zal Ik ook op hen letten, Om op te bouwen en te planten, Is de godsspraak van Jahweh!
28І як пильно я назирав їх, щоб викоренити й збурити, вигубити й повалити та притискати, — так назирати му їх, щоб їх одбудовати й понасаджати, говорить Господь.
29In die dagen zegt men niet meer: De vaders eten onrijpe druiven, De tanden der kinderen worden er stroef van!
29У ті часи не будуть уже докоряти: Отцї їли скислий виноград, а в синів на зубах оскома,
30Neen, iedereen sterft om zijn eigen misdaad de dood: Die onrijpe druiven eet, Krijgt zelf stroeve tanden.
30Нї, кожне вмірати буде за свій власний переступ, та хто їв скислий виноград, у того й оскома на зубах буде.
31Zie, de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh, Dat Ik een verbond zal sluiten Met Israëls huis En het huis van Juda: Een nieuw verbond!
31Ось, надходить час, — говорить Господь, що вчиню нову вмову з домом Ізрайлевим і з домом Юдиним,
32Niet als het verbond, dat Ik met hun vaderen sloot, Toen Ik ze bij de hand heb gevat, Om ze uit Egypte te leiden: Mijn verbond, dat ze hebben verbroken, Zodat Ik een afschuw van hen kreeg, Is de godsspraak van Jahweh!
32Не такий завіт, який я з їх отцями вчинив, коли взяв був їх за руку, щоб вивести з Египту; той завіт вони поламали, хоч я все зоставався їм вірним, говорить Господь.
33Maar dit is het verbond, dat Ik sluit Met Israëls huis na deze dagen, spreekt Jahweh: Ik zal mijn wet in hun boezem leggen, Ik zal ze schrijven op hun hart; En Ik zal hun God, Zij zullen mijn volk zijn!
33Нї, ось який завіт учиню я в той час з домом Ізрайлевим, говорить Господь: вложу закон мій у внутро їм, і напишу його на серцї їх, і буду Богом їх, а вони будуть людьми моїми.
34Dan behoeven ze elkander niet meer te leren, De een tot den ander niet te zeggen: Leert Jahweh kennen. Neen, dan zullen zij allen Mij kennen, Kleinen en groten, spreekt Jahweh; Want dan zal Ik ze hun misdaad vergeven, Hun zonde niet langer gedenken.
34Потім уже не будуть навчати одно одного, чи брат брата й казати: Познайте Господа; самі бо знати муть мене від найменшого до найбільшого, говорить Господь, бо я прощу провини їх і не згадувати му вже гріхів їх.
35Zo spreekt Jahweh, Die de zon heeft geplaatst tot een licht overdag, De maan en de sterren tot een licht in de nacht, Die de zee beroert, Dat haar golven bruisen: Jahweh der heirscharen is zijn Naam!
35Так говорить Господь, той що дав сонце, щоб сьвітило в день, і впорядкував місяця й зорі, щоб сьвітили в ночі, — той що зворушує море, що воно аж реве филями своїми, — Господь небесних сил імя його: —
36Wanneer ooit deze wetten Voor mijn aangezicht wankelen, Is de godsspraak van Jahweh: Dan houdt het zaad van Israël op, Een volk voor mijn aanschijn te zijn Voor altijd en immer!
36Як порядок сей передо мною перестане, говорить Господь, то й потомки Ізраїля перестануть бути моїм народом.
37Zo spreekt Jahweh: Zo waar als de hemelen daarboven niet worden gemeten, De grondvesten der aarde beneden niet worden gepeild, Evenmin zal Ik heel Israëls geslacht verwerpen Om al wat ze hebben misdaan, Is de godsspraak van Jahweh!
37Так говорить Господь: Коли можна виміряти небо вгорі, або вислїдити основи земні внизу, то й я одкину усе потомство Ізраїля за все те, що вони чинили, говорить Господь.
38Zie, de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh, Dat de stad ter ere van Jahweh zal worden herbouwd, Van de toren Chananel tot de Hoekpoort;
38Ось, надходить час, говорить Господь, що одбудують ізнов город на славу Господеві від башти Анамеїлевої до углових воріт,
39Dan loopt het meetsnoer verder tot de heuvel van Gareb, En het keert zich naar Goa.
39І простягнуть землемірського шнура далїй до узгірря Гариб, і обійдуть ним Гоат.
40En het hele dal met lijken en as, Alle dodenakkers tot de Kedron-beek, Tot de hoek van de Paardenpoort in het oosten, Zullen aan Jahweh worden gewijd; Ze zullen niet worden verwoest of vernield, In eeuwigheid niet!
40І вся долина трупова й попелева й всї поля до Кедрон-потока, до угла кінської брами ʼд сходові сонця, будуть сьвяті Господеві. Не буде він розвалений й не розпадеться по віки.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.