Jeremia 45
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord, dat de profeet Jeremias tot Baruk sprak, den zoon van Neri-ja, toen deze in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, deze woorden volgens mondelinge opgave van Jeremias te boek had gesteld.
1Слово, яке сказав пророк Еремія до Варуха Нирієнка, як сей списав слова з уст Ереміїних у книгу — в четвертому роцї Йоакима Йосієнка, царя Юдейського:
2Zo spreekt Jahweh, Israëls God, over u, Baruk!
2Так говорить Господь, Бог Ізрайлїв, про тебе, Варуху:
3Gij zegt: Wee mij! Want Jahweh hoopt nog smart op mijn jammer; Ik ben uitgeput van mijn zuchten, En rust vind ik niet!
3Ти нарікаєш: Ой горе менї, смуток на смуток причиняє менї Господь; я впадаю на силах від зітхання, й не знаходжу спокою.
4Dit moet ge hem zeggen: Zo spreekt Jahweh! Zie, wat Ik gebouwd heb, breek Ik weer af, Wat Ik geplant heb, ruk Ik uit! Zo handel Ik met heel de aarde:
4Ось як скажи йому: Так говорить Господь: Дивись, що я збудував, те розвалюю, що понасаджував, викоренюю скрізь по тій землї.
5En gij zoudt grote dingen vragen? Verlang ze toch niet! Zie, wat Ik gebouwd heb, breek Ik weer af, Is de godsspraak van Jahweh! Maar u geef Ik lijfsbehoud tot uw buit, Op alle plaatsen, waar ge ook gaat!
5А ти бажаєш собі щось великого? Не бажай; я бо пошлю лихо на всяке тїло, говорить Господь; — тобі ж дам, замість здобичі, життє твоє на всякому місцї, куди повернешся.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.