Jeremia 40
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord, dat door Jahweh tot Jeremias werd gericht, nadat Neboe-Zaradan, het hoofd van de lijfwacht, hem uit Rama had laten vertrekken, waar hij hem in boeien had aangetroffen te midden der ballingen van Jerusalem en Juda, die naar Babel werden gebracht.
1Слово, що надійшло від Господа до Еремії, як звелїв його Навузардан, старший над прибічниками, відпустити з Рами, куди взяв був його, закованого в кайдани разом із другими полонянами з Ерусалиму й Юдеї, що їх переводжено в Вавилон.
2Het hoofd van de lijfwacht liet Jeremias voor zich ontbieden, en zeide tot hem: Jahweh, uw God, had deze plaats met dit onheil bedreigd.
2Старший над прибічниками взяв Еремію та й сказав йому: Господь, Бог твій, вирік се лихо на се місце.
3Nu heeft Jahweh het ook voltrokken, en gedaan wat Hij gezegd heeft. Want gij hebt tegen Jahweh gezondigd, en naar Hem niet geluisterd; daarom heeft dit lot u getroffen.
3І послав його й учинив так, як сказав; бо ви провинили Господеві й не слухали голосу його, та за те й сталось вам воно.
4Maar u bevrijd ik thans van de boeien aan uw handen. Zo ge met mij naar Babel wilt gaan, kunt ge meegaan; dan zal ik u onder mijn hoede nemen. Zo ge niet met bij naar Babel wilt gaan, kunt ge blijven; zie, het hele land ligt voor u open: ge kunt gaan, waarheen ge zelf maar wilt.
4Оце ж визволяю тепер тебе з ланцюгів, що на руках у тебе; коли хочеш ійти зо мною у Вавилон, — ійди, а я дбати му про тебе. Коли ж тобі не до вподоби йти зо мною в Вавилон, — лишайся. Дивись, уся земля перед тобою: куди вподобаєш ійти, туди й ійди.
5En toen hij in zijn besluit volhardde, vervolgde hij: Keer dan terug naar Gedalja, den zoon van Achikam, zoon van Sjafan, dien de koning van Babel over de steden van Juda heeft aangesteld; blijf bij hem te midden van het volk, of ga heen, waar ge wilt. Daarop gaf het hoofd van de lijfwacht hem levensmiddelen en geschenken, en liet hem vertrekken.
5Та нїм відійшов, добавив Навузардан: Ійди до Годолїї Ахикаменка Сафаненка, що його царь Вавилонський поставив намісником над містами Юдейськими, та й пробувай з ним серед люду, або йди, куди тобі любо. І дав йому старший над прибічниками страви й гостинця та й відпустив його.
6Zo kwam Jeremias bij Gedalja, den zoon van Achikam, die zich te Mispa bevond, en bleef bij hem te midden van het volk, dat in het land werd achtergelaten.
6І прийшов Еремія до Годолїї Ахикаменка в Массифу, й пробував із ним серед люду, що позостався в країнї.
7Toen de legeroversten, die met hun mannen nog rondzwierven, hoorden, dat de koning van Babel Gedalja, den zoon van Achikam, tot landvoogd had aangesteld, en hem de mannen, vrouwen en kinderen van de arme bevolking, die niet naar Babel waren verbannen, had toevertrouwd,
7Як уся військова старшина, що була в полі, й їх товариші довідались, що царь Вавилонський поставив намісником у краю Годолїю Ахикаменка й передав йому чоловіків і жіноцтво й дїтвору, та й тих убогих, що не переведено в Вавилон, —
8begaven zij zich naar Gedalja te Mispa; het waren: Jisjmaël de zoon van Netanjáhoe, Jochanan en Jonatan de zonen van Karéach, Seraja de zoon van Tanchóemet, de zonen van Efai uit Netofa, en Jezanjáhoe de zoon van den Maäkatiet, met hun mannen.
8Прийшли вони до Годолїї в Массифу, — а то: Ісмаїл Натанїєнко, та Йоанан і Йонатан Кареєнки, та Сераїя Танасметенко, та сини Офині з Нетофати, та Езонїя Махатенко, — вони й їх люде.
9Gedaljáhoe, de zoon van Achikam, zoon van Sjafan, verzekerde hun en hun mannen onder ede: Ge behoeft niet bang te zijn voor de Chaldeeuwse beambten; zet u neer in het land, en onderwerpt u aan den koning van Babel; dan zal het u goed gaan.
9І поклявся їм Годолїя Ахикаменко Сафаненко, — їм і їх людям, говорючи: Не страхайтесь служити Халдеям; пробувайте в краю й служіть цареві Вавилонському, то й буде вам добре;
10Ik zelf blijf in Mispa, om ter beschikking te staan van de Chaldeën, die tot ons zullen komen. Gaat gij uw wijn, ooft en olie maar oogsten, en in uw vaten opleggen; blijft in uw steden, waar ge u hebt gevestigd.
10А я жити му в Массифі, щоб заступатись за вас перед Халдеями, що приходити муть до нас; ви ж тим часом збірайте виноград, овощ, оливки та прячте в сховища ваші, та й живіте собі в городах ваших, що їх посїли.
11Toen ook de andere Judeërs, die in Moab, onder de Ammonieten, in Edom of elders vertoefden, hoorden, dat de koning van Babel een gedeelte van Juda had gespaard, en Gedaljáhoe, den zoon van Achikam, zoon van Sjafan, daarover had aangesteld,
11Та й прочі Юдеї, що находились у Моабі та проміж Аммонїями та в Едомі й по всїх инших країнах, перечувши, що царь Вавилонський полишив останок Юдеїв і поставив над ними Годолїю Ахикаменка Сафаненка, —
12keerden allen uit de plaatsen terug, waarheen ze waren verstrooid, en trokken op naar het land van Juda naar Gedaljáhoe te Mispa. En ze hadden een rijke oogst in wijn en vruchten.
12Повертались усї отті Юдеї з усїх займищ, куди були порозбігались, і прийшли в землю Юдейську до Годолїї в Массифу, та й зібрали винограду й овощу дуже багато.
13Een tijd later kwamen Jochanan, de zoon van Karéach, en alle legeroversten die rondgezworven hadden, naar Gedaljáhoe te Mispa.
13Йоанан же Кареєнко й уся військова старшина, що пробували в полі, поприходили до Годолїї в Массифу
14Ze zeiden hem: Weet ge wel, dat Baälis, de koning der Ammonieten, Jisjmaël, den zoon van Netanja, heeft gestuurd, om u om het leven te brengen? Maar Gedaljáhoe, de zoon van Achikam, geloofde hen niet.
14І сказали йому: Чи знаєш, що Ваалис, царь Аммонїйський, послав Ісмаїла Натанїєнка, вбити тебе? Годолїя ж Ахикаменко не йняв їм віри.
15Toch deed Jochanan, de zoon van Karéach, Gedaljáhoe te Mispa heimelijk dit voorstel: Als ge wilt, zal ik Jisjmaël, den zoon van Netanja, gaan doden, zonder dat iemand er iets van bemerkt; waarom u door hem laten vermoorden, en alle Judeërs, die zich om u hebben verzameld, weer laten verstrooien, en wat er van Juda gespaard is gebleven ten ondergang doemen?
15Тодї сказав Йоанан Кареєнко Годолїї в Массифі: Дозволь менї, я пійду й вбю Ісмаїла Натанїєнка, так що нїхто сього не знати ме. Чого допускати, щоб він убив тебе, та щоб усї Юдеї, що позбірались до тебе, знов порозбігались та погинув увесь останок Юдин?
16Maar Gedaljáhoe, de zoon van Achikam, gaf Jochanan, den zoon van Karéach, ten antwoord: Dat moogt ge niet doen; want het is niet waar, wat ge van Jisjmaël zegt.
16Годолїя ж Ахикаменко відказав Йоананові: Не чини сього, бо ти говориш неправду на Ісмаїла.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.