Jeremia 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Hoort het woord, dat Jahweh tot u spreekt, huis van Israël!
1Слухайте слова, що говорить до вас Господь, ви, доме Ізрайлїв!
2Zo spreekt Jahweh: Leert de gebruiken der heidenen niet aan; Weest niet bevreesd voor hemeltekens, Omdat de heidenen er bang voor zijn.
2Так говорить Господь: Не вчітесь ходити стежками поганськими й не страхайтесь перед знаменнями небесними: бо страхаються їх тілько невіри.
3Wat de heidenen vrezen is louter waan, Een blok hout, in de bossen gekapt, Door den werkman met de bijl gehouwen,
3Постанови поганські пусті: вони вирубають дерево в лїсї, оброблять руками ремісника сокирою,
4Met zilver en goud overtrokken. Met spijkers en hamers slaat men ze vast, Opdat ze niet waggelen.
4Покривають сріблом та золотом, прибивають гвіздєм та молотком, щоб не хиталось.
5Ze zijn als vogelverschrikkers op het veld, Die niet eens kunnen spreken; Altijd moet men ze dragen, Want ze kunnen niet gaan; Vreest ze niet: ze kunnen geen kwaad doen, Maar goed evenmin.
5Вони, (ті ідоли) — мов точений стовп, і не говорять; їх носять, бо ходити не можуть. Тим і не лякайтесь їх, бо не здолїють вони нїяк зашкодити, та й щось доброго зробити вони не в силї.
6Jahweh! Aan U is niemand gelijk, Gij alleen zijt groot; Groot en machtig is uw Naam:
6Рівнї нема тобі, Господи! велик єси й велике імя твоє потугою.
7Wie zou U niet vrezen, Koning der volken! Waarachtig, U alleen komt dit toe: Want onder alle wijzen der naties En in heel hun gebied Is niemand, die zich kan meten met U!
7Хто не збоїться тебе, царю народів? Одному тобі належиться честь, бо між усїма премудрими в народах і в усїх царствах їх нема рівнї тобі.
8Allemaal zijn ze dom en dwaas, Die zich laten leiden door een nietig stuk hout,
8Всї вони дурні, безглузді; пуста наука їх — отте дерево.
9Door plaatzilver uit Tarsjisj, Door goud uit Ofir gehaald. Het is allemaal werk van den smid, En werk van den gieter, Bekleed met paars en purper, Allemaal kunstenaars-maaksel.
9Розплескане в листки срібло, привезене з Тарсису, та золото з Уфазу, — робота майстерних людей та рук плавильникових; одежа на їх із блавату та з пурпуру: все воно — робота людей тямущих.
10Maar Jahweh is de waarachtige God, De levende God, de eeuwige Koning; De aarde rilt van zijn toorn, De volken houden het voor zijn gramschap niet uit!
10Господь же справдешній Бог, се живий Бог й віковічний царь. Од гнїву його тремтить земля, і погрози його не здолїють видержати народи.
11Dit moet ge hun zeggen: De goden, die hemel en aarde niet hebben gemaakt, Zullen van de aarde verdwijnen En van onder de hemel!
11Оце ж кажіть їм: Боги, що не сотворили неба й землї, позникають із землї й зпід неба.
12Maar Jahweh heeft de aarde gemaakt door zijn kracht, De wereld gegrond door zijn wijsheid, Door zijn verstand de hemel gespannen.
12Він сотворив землю силою своєю, утвердив круг земний мудростю своєю і розумом своїм розпростер небеса.
13Als Hij zijn donder laat rollen, En de wateren in de hemel doet bruisen, Als Hij de wolken omhoogtrekt van de grenzen der aarde, Zijn bliksems omsmeedt in regen, En de storm uit zijn schatkamers haalt:
13На його приказ ревуть води на небі, і він велить хмарам уставати з країв землї; творить блискавицї поміш з дощем, і випускає вітри з запасних сховищ своїх.
14Staan alle mensen verstomd en verbluft, Schaamt elke gieter zich over zijn beeld! Want zijn gietsel is leugen, Geen geest woont er in.
14Безумним виявлює себе кожен мистець у свойму знаннї, і кожен плавильник соромить себе бовваном своїм, бо вилите ним — се лож, і нема в йому духа.
15Ze zijn maar een waan, een belachelijk maaksel, Die te gronde gaan, als hun tijd is gekomen.
15Се пуста мана, робота облуду; в день караючих навідин вони почезнуть.
16Neen, aan hen is Jakobs Deel niet gelijk, Want Hij is de Schepper van alles, En Israël is zijn stam en zijn erfdeel, Jahweh der heirscharen is zijn Naam!
16Не такий, як їх, пай Яковів; бо його Бог — се творець усього, а Ізраїль — се булава царства його; на імя йому — Господь Саваот.
17Neem uw pak op van de grond, Benauwde veste; Want zo spreekt Jahweh:
17Забірай з країни добро твоє, скоро бо опинишся в облязї;
18Zie, deze keer slinger Ik weg De bewoners van het land; Ik ga ze in benauwing brengen, Opdat ze het boeten, En Mij mogen vinden.
18Так бо говорить Господь: Ось, я повикидаю на сей раз осадників сієї землї і зажену їх у тїсноту, щоб їх половлено.
19Wee mij, om mijn slagen, Mijn schrijnende wonde! En ik had nog gedacht: Dit lijden kan ik wel dragen.
19Ой горе ж менї в нуждї моїй; болюча рана моя! та я кажу собі: заслужений сей смуток мій, і буду терпіти його:
20Mijn tent ligt vernield, al mijn koorden zijn stuk, Mijn kinderen en kudden zijn heen; Niemand meer, om mijn tent te spannen, Mijn zeildoek te hijsen.
20Намет мій спустошено, і всї верівки мої порвано; дїти мої забрані від мене, нема вже їх: нїкому знов напяти намета мого й розвісити на йому покривал моїх;
21Ja, de herders waren zo dwaas, Om Jahweh niet te zoeken; Daarom hadden ze geen geluk, Is heel hun kudde verstrooid.
21Бо пастирі поставались безглуздими й не питали про Господа, а через те були й їх поступки нерозумні, та й стадо їх ійде в розсипок.
22Hoor, daar komt een geraas, Een geweldig dreunen uit het land van het noorden, Om van Juda’s steden een steppe te maken, Een jakhalzen-hol!
22Чути гук! Уже наближується; голосний галас від полуночньої землї, щоб городи Юдині обернути в пустки, в пробуток шакалів.
23Jahweh, ik weet, dat de mens zijn eigen weg niet bepaalt, Geen wandelaar zijn eigen schreden kan richten.
23Знаю, Господи, що людська дорога не в його волї, й не здолїє сам про себе чоловік давати напрям ступням своїм.
24Tuchtig mij, Jahweh, maar niet ongenadig, Niet naar uw gramschap, om mij te vernielen.
24Карай же мене, Господи, та не без міри, не в гнїві твойму, щоб не обернув мене в нїщо.
25Neen, stort uw gramschap over de naties uit, die U niet kennen, Over de stammen, die uw Naam niet vereren: Want ze hebben Jakob verslonden en verteerd, Zijn dreven verwoest!
25Нї, вилий досаду твою на народи, що не хочуть нїчого знати про тебе, й на племена, що не взивають імені твого; бо вони зʼїли Якова, пожерли й вигубили його, а займище його спустошили.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.