Jeremia 34
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord, dat door Jahweh tot Jeremias werd gericht, terwijl Nabukodonosor, de koning van Babel, met heel zijn leger en alle koninkrijken van het gebied, waarover hij heerste, en met alle volken Jerusalem met al haar steden belegerde:
1Слово, що надійшло від Господа до Еремії тодї, як Навуходонозор, царь Вавилонський, і все військо його й усї земні царства, піддані під руку його, воювали проти Ерусалиму й проти всїх міст його:
2Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Ge moet tot Sedekias, den koning van Juda, gaan zeggen: Zo spreekt Jahweh! Zie, Ik lever deze stad in de macht van den koning van Babel; hij zal ze in vlammen doen opgaan.
2От що говорить Господь, Бог Ізрайлїв: Ійди й промов до Седекії, царя Юдейського й скажи йому: Так говорить Господь: Ось, я подаю город сей на поталу цареві Вавилонському, а сей пустить його пожаром;
3Gijzelf zult aan zijn hand niet ontsnappen, maar gevangen worden genomen en aan hem worden overgeleverd; gij zult den koning van Babel aanschouwen van oog tot oog, en hij zal van mond tot mond met u spreken; dan zult ge naar Babel gaan.
3І ти сам не уйдеш рук його і попадешся йому в руки, й очі твої дивитись муть ув очі цареві Вавилонському, і говорити ме він з тобою устами до уст, та й пійдеш у Вавилон.
4Maar hoor nu ook het woord van Jahweh, Sedekias, koning van Juda! Zo spreekt Jahweh met betrekking tot u: Gij zult niet sterven door het zwaard!
4Тілько ж вислухай слово Господнє, Седекіє, царю Юдейський! Так говорить про тебе Господь: Ти не вмреш од меча:
5In vrede zult ge sterven; en zoals men voor uw vaderen, de vroegere koningen die u vooraf zijn gegaan, doden-vuren heeft ontstoken, zo zal men ze ook voor u ontsteken, en de dodenklacht over u aanheffen: “Ach Heer!” Waarachtig, Ik heb het gezegd, is de godsspraak van Jahweh!
5Ти помреш в супокою, і як по отцях твоїх, прежніх царях, пускали димом пахощі, так і по тобі палити муть і голосити: Ой володарю! я бо вирік се слово, говорить Господь.
6Dit alles werd door den profeet Jeremias in Jerusalem tot Sedekias, den koning van Juda, gesproken,
6І переповів Еремія пророк Седекії, цареві Юдейському, всї цї слова в Ерусалимі.
7terwijl het leger van den koning van Babel Jerusalem, Lakisj en Azeka belegerde, de enige overgebleven steden van Juda; want dit waren de enige vestingsteden van Juda, die nog stand hadden gehouden.
7Тим часом військо царя Вавилонського воювало проти Ерусалиму, та проти инших міст Юдейських, що ще цїлі остались, проти Лахису, та Азеки; одні бо сї зоставались ізміж городів Юдиних, як городи утверджені.
8Het woord, dat door Jahweh tot Jeremias werd gericht, nadat koning Sedekias met heel de bevolking van Jerusalem zich verbonden had, een vrijlating onder hen af te kondigen.
8Слово, що надійшло від Господа до Еремії послї того, як царь Седекія вчинив умову з усїм людом у Ерусалимі, щоб оповістити волю невольникам,
9Iedereen zou zijn hebreeuwse slaaf en slavin de vrijheid schenken, en geen joodsen broeder meer in slavendienst houden.
9Щоб кожен пустив на волю раба свого й рабиню свою, Єврея й Єврейку, щоб нїхто свого земляка Юдея не держав за невольника,
10Alle aanvoerders en heel het volk, die zich verbonden hadden, hun slaven en slavinnen vrij te laten en ze niet meer in dienst te houden, hadden er gevolg aan gegeven, en hun de vrijheid geschonken.
10І послухали всї князї й усї люде, що вчинили вмову, щоб пустити на волю кожному свого раба й кожному свою рабиню, щоб нїхто вже не держав їх за невольників, і згодились на се й повипускали.
11Maar later waren ze er weer op teruggekomen, en hadden hun slaven en slavinnen, die ze al hadden vrijgelaten, teruggehaald, en ze weer met geweld tot hun slaven en slavinnen gemaakt.
11Опісля же надумались і почали знов брати рабів і рабинь, що їх були пустили на волю і поробили їх силоміць невольниками й невольницями.
12Toen werd het woord van Jahweh tot Jeremias gericht:
12І надійшло слово Господнє від Господа до Еремії таке:
13Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Ik heb een verbond met uw vaderen gesloten, toen Ik ze uit het land van Egypte, hun slavenverblijf, heb geleid, en hun gezegd:
13Так говорить Господь, Бог Ізрайлїв: Я вчинив був завіт із отцями вашими, як вивів їх із землї Египецької, з дому неволї, й установив:
14Na zeven jaren moet ieder van u zijn hebreeuwsen broeder, die zich aan u heeft verkocht, de vrijheid schenken; zes jaren mag hij u dienen, dan moet ge hem laten gaan. Maar uw vaderen hebben niet naar Mij gehoord, hebben niet willen luisteren!
14Як упливе сїм років, пускайте на волю кожен свого земляка-Єврея, що тобі продано. Шість лїт нехай він служить тобі, а потім пусти його од себе на волю. Батьки же ваші не послухали мене й не прихилили уха свого.
15Nu waart gijzelf tot inkeer gekomen, en hebt gedaan wat goed is in mijn ogen, door onder elkander een vrijlating af te kondigen, en voor mijn aanschijn een verbintenis daartoe aan te gaan in het huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen.
15Нинї ви обернулись і вчинили були праведне перед очима моїми, оповістивши кожен волю ближньому свому, та й вчинили завіт передо мною в домі, що названо його імям моїм;
16Maar ge zijt daar weer op teruggekomen, en hebt daardoor mijn Naam ontwijd: iedereen heeft zijn slaaf en slavin, die ge hadt laten gaan waarheen ze wilden, teruggehaald, en ze weer met geweld tot zijn slaven en slavinnen gemaakt.
16Опісля же надумались, і збезчестили імя моє, забравши назад кожен раба свого й кожен рабиню свою, що повипускали були на волю, куди їх серцю любо, й робите їх вашими рабами й рабинями.
17Daarom spreekt Jahweh: Ge hebt niet naar Mij willen luisteren, om de vrijlating af te kondigen voor uw broeder en naaste. Welnu, dan kondig Ik ù een vrijlating aan, is de godsspraak van Jahweh: “voor het zwaard, de pest en de honger”; en Ik maak u ten afschrik voor alle koninkrijken der aarde.
17Тим же то так говорить Господь: Не послухали ви мене, як річ була про те, щоб кожний оповістив волю братові свойму й ближньому свойму; за се ж, говорить Господь, оповіщаю я вам волю й відпускаю вас на меч, на морову заразу та голоднечу, й пущу вас у ростіч по всїх царствах земних;
18Ik zal met de mannen, die mijn verbond overtraden en die zich aan de verbintenis niet hielden, die zij voor mijn aanschijn hebben aangegaan, handelen als met het kalf, dat ze in twee stukken hebben gehouwen, waar zij tussendoor zijn gelopen.
18І віддам тих, що переступили завіт мій та не додержали слів завіту, що на його пристали перед лицем моїм, розтявши назимка на двоє й пройшовши проміж половинами його, —
19De aanvoerders van Juda en Jerusalem, de hovelingen en priesters en heel het mindere volk, die tussen de stukken van het kalf zijn gelopen,
19Князїв Юдиних і старшину Ерусалимську, скопцїв і сьвященників і ввесь люд країни, що проходили проміж половинами з телця,
20zal Ik in de macht van hun vijanden leveren en van hen die ze naar het leven staan, en hun lijken zullen het aas zijn voor de vogels in de lucht en de beesten op aarde.
20Подам їх на поталу ворогам їх і на поталу тим, що на їх душу настають, і буде труп їх жиром піднебесному птаству й польовому зьвіррю.
21Ook Sedekias, den koning van Juda, met al zijn aanvoerders lever Ik aan hun vijanden uit en aan hen die ze naar het leven staan, aan het leger van den koning van Babel, dat nu van u is weggetrokken.
21Седекію, царя Юдейського, й князїв його подам на поталу ворогам їх, і в руки настаючих на життє їх і на поталу військові царя Вавилонського, що тепер відступило від вас.
22Zie, Ik ontbied ze opnieuw, is de godsspraak van Jahweh, en breng ze terug naar deze stad; ze zullen haar belegeren, innemen, en in vlammen doen opgaan. En van de steden van Juda zal Ik een wildernis maken, waar niemand meer woont!
22Ось, я прикажу, говорить Господь, і заверну їх ід сьому місту, а вони нападуть на його й опанують його й пустять його на пожар, а городи Юдині оберну в безлюдну пустиню.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.