Jeremia 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Redt u, Benjamins zonen Buiten Jerusalems muren; Blaast de bazuin in Tekóa Hijst het signaal in Bet-Hakkérem! Want uit het noorden komt onheil, Een ontzettende ramp;
1Втїкайте, Беняминїї, з Ерусалиму, й затрубіте трубою в Текої; дайте знак огнем у Беткаремі, бо з півночі грозить біда й страшна погибель.
2De bekoorlijke en wufte, De dochter van Sion ga Ik verdelgen.
2Спустошу я уродливу й винїжену дочку Сионову.
3De herders trekken er Met hun kudden op af; Ze slaan om haar hun tenten op, En allen weiden hun gronden af.
3Поприходять пастухи до неї з стадами своїми, понапинають округи неї намети свої; кожен випасувати ме займище своє.
4Rust u ten strijde tegen haar uit; Vooruit, bestormen we haar overdag! Helaas, de dag gaat al voorbij, De avond-schaduw wordt langer.
4Готуймось воювати її; рушайте, пійдемо ще ополуднї! Ой, ой! уже схиляється днина, розпростирається вечірня тїнь.
5Vooruit, dan bestormen we haar in de nacht, En vernielen haar burchten; Want Jahweh der heirscharen Heeft het bevolen!
5Рушайте, пійдем і нїччю та й порозвалюймо палати її!
6Hakt haar bomen neer, En werpt een wal tegen Jerusalem op; Het is een stad vol bedrog, Binnen haar muren heerst enkel geweld.
6Так бо говорить Господь сил: Рубайте дерево та насипайте вал проти Ерусалиму. Сьому городові належиться кара; в йому повно насильства.
7Zoals een bron haar water laat stromen, Zo stroomt ook zij haar boosheid uit; Men hoort er slechts van geweld en verdrukking, Steeds zie Ik wonden en striemen.
7Як криниця держить у собі воду, так і він повний все ледарством. Нахаба й тїснота голосні в йому; перед моїм лицем — повсячасно кривда й знущаннє.
8Jerusalem, laat u gezeggen, Opdat Ik van u niet ga walgen, En een woestijn van u maak, Een onbewoond land.
8Схаменись, Ерусалиме, щоб не одвернулась від тебе душа моя, щоб не зробив я тебе пусткою, землею, що нїхто не живе в їй.
9Zo spreekt Jahweh der heirscharen: Lees nu als laatste tros aan de wingerd Het overschot van Israël na; Steek uw hand er naar uit, Zoals de wijngaardenier naar de ranken.
9Так говорить Господь Саваот: До щаду обберуть останок Ізраїля, як оббірають грони на виноградинї; роби рукою твоєю, як оббираючий виноградину, що наповнює нею коші.
10Tot wien moet ik spreken, Wien nog vermanen, zodat ze luisteren; Zie hun oor is onbesneden, Ze kunnen niet horen! Ja, het woord van Jahweh is hun een bespotting, Ze willen er niet meer naar horen:
10До кого ж менї говорити, кого вговорювати, щоб чули? Ухо бо в їх затулене, й не можуть чути; слово Господнє — се в них жарт; не любе воно їм.
11Al lang ben ik vol van Jahweh’s toorn, Nu houd ik hem niet langer in. Stort hem dan uit over het kind op de straat, Over heel de kring van jonge mannen! Waarachtig, mannen en vrouwen worden getroffen, Grijsaards en ouden van dagen!
11Тим то я й палаю гнївом Господнїм, не вгамую його в собі; виллю його на дїтвору на улицї, й на громаду молодцїв; займуть мужа з жоною в полонь, і старого з дїдом старезним.
12Hun huizen gaan aan vreemden over, Met akkers en vrouwen er bij; Want Ik heb mijn hand al uitgestrekt Tegen de bewoners van het land, spreekt Jahweh!
12Домівки ж їх попереходять до другого, й поля й жінки заразом; простягну бо руку мою на осадників сієї землї, говорить Господь.
13Want van klein tot groot Azen allen op winst, Profeet en priester Plegen allen bedrog;
13Бо від наймолодшого та й до найстарійшого дбають вони всї про наживу, й від пророка до сьвященника — всї витворяють оману.
14Ze menen, de wonde van mijn volk te genezen, Door luchthartig te roepen: Vrede, vrede! En er is geen vrede!
14Легко важять вони собі рани в людей моїх і думають хутко позагоювати, говорючи: „Спасеннє!‟ мир! а нїякого мира нема.
15Ze worden te schande, omdat ze zich schandelijk gedragen, Omdat ze niet blozen en geen schaamte meer kennen; Daarom zullen ze vallen, als alles ineen valt, Struikelen, als Ik op hen afkom, spreekt Jahweh!
15Хиба вони соромляться, витворяючи гидоти? Нї, нема їм сорома, не червонїють, та й не тямлять уже, що то таке соромитись. Тим і попадають вони між поваленими, як надійде година моєї кари, говорить Господь.
16Zo spreekt Jahweh: Gaat op de wegen staan, Ziet uit, en vraagt naar de paden van vroeger: Waar de goede weg is te vinden; Bewandelt die, dan vindt ge rust voor uw ziel! Maar ze zeiden: We volgen hem niet!
16Так говорить Господь: Зʼупинїтесь на дорогах ваших, і роздивітесь, та розпитайте про дороги, що ними ходжено в давнезні давна, де дорога до щастя, та й ступайте нею, а знайдете впокій душам вашим. Вони ж сказали: Не пійдемо.
17Toen stelde Ik wachters over hen aan, Die riepen: Hoort het geschal der bazuinen! Maar ze zeiden: We willen niet horen!
17Тодї поставив я сторожів до вас, і повелїв: Уважайте на сей трубний голос. Вони ж мовляли: Не будемо слухати.
18Hoort gij het dan, volken, En verneemt mijn besluit, Wat er met hen gaat gebeuren:
18Оце ж слухайте, народи, й знай, громадо, що з ними буде.
19Hoort gij het ook, aarde! Zie, Ik ga rampen brengen over dit volk: De vrucht van hun afval. Want ze hebben naar mijn woord niet geluisterd, Mijn wet veracht.
19Слухай, земле! се я наведу лихолїттє на сей люд, — овощ мислей їх; бо вони на мої слова не вважали, а науку мою відпихали.
20Wat geeft Mij de wierook uit Sjeba, De geurige kalmus uit verre landen; Uw brandoffers wil Ik niet meer, Uw slachtoffers behagen Mij niet.
20Що менї кадило з Себи, та пахуще зїллє здалека? Всепаленнєм од вас і жертвами вашими я гидую.
21Daarom spreekt Jahweh: Zie, Ik leg voor dit volk Een blok, waarover het struikelt, Waaraan vaders en zonen, Buren en vrienden te gronde gaan.
21Тим же то так говорить Господь: Ось, я положу сим людям спотику на дорозї, і спотикнуться об її й батьки й сини, та й сусїд погибне з сусїдом.
22Zo spreekt Jahweh: Zie, daar komt een volk uit het land van het noorden, Een grote natie rukt aan van de grenzen der aarde:
22Так говорить Господь: Се йде народ із північньої землї, й великий люд підіймається з найдальшого кутка землї;
23Met boog en lansen gewapend, Wreed en zonder erbarmen. Hun kreten loeien als de zee, Op rossen jagen ze voort, Toegerust als oorlogsmannen, Tegen u, dochter van Sion.
23Несуть лука й списа. Жорстокі вони, не змилосердяться; ревуть, як море, йдуть комонником збройно, як один чоловік, воювати тебе, дочко Сионова.
24We horen wat er van hen wordt verteld, En onze handen hangen er slap van; Angst grijpt ons aan, Weeën als van een barende vrouw.
24Почули ми вістку про них, та й руки в нас помлїли, туга обняла нас, тремтимо, як породїля.
25Gaat niet naar buiten, Loopt de wegen niet op, Want het zwaard van den vijand Brengt schrik allerwege!
25Не виходьте в поле, й не ходїть по дорозї: меч бо в руцї в ворога, страхіттє навкруги.
26Dochter van Sion, steek u in zakken, En wentel in as; Rouw als over een enig kind, stoot bittere klachten uit: Want plotseling komt over ons de verwoester!
26Ой ти, дочко мого люду! підпережись веретом, посип себе попелом, заридай, заплач гірко, як по синові одинчикові: незабаром нападе на нас погубник.
27Ik heb u bevolen, mijn volk te toetsen, Om hun gedrag te kennen en te keuren:
27Пробником поставив я тебе в людей моїх, щоб ти розізнав і вислїдив путь їх.
28Allen zijn ze weerbarstig, Allen even ongedurig; Louter koper en ijzer, Allen even bedorven!
28Всї вони упрямі зрадники, живуть неправдою; се мідь і залїзо вони, — всї попсовані.
29De blaasbalg puft, Het lood smelt weg door het vuur; Tevergeefs gelouterd: De slakken gaan er niet uit.
29Міх перестав роздувати, огонь пожер олово; плавильник плавив надармо: ледачі не віддїлились.
30Afgekeurd zilver zal men ze noemen, Want Jahweh heeft ze afgewezen!
30Вибракованим сріблом звати муть їх, бо Господь відкинув їх.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.