Jeremia
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord, dat Jahweh tot Jeremias richtte:
1Слово, що надійшло до Еремії від Господа, кажучи:
2Hoor de woorden van dit Verbond, en predik ze aan de mannen van Juda en de bewoners van Jerusalem.
2Слухайте слова заповіту сього й скажіте людям Юдиним і землянам Ерусалимським;
3Dit moet ge hun zeggen: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Vervloekt een ieder, die niet luistert naar de woorden van dit Verbond,
3І промов до них: Так говорить Господь, Бог Ізрайлїв: Проклят чоловік, що не слухати ме слів завіту сього,
4dat Ik uw vaderen heb voorgeschreven, toen Ik ze uit het land van Egypte, die ijzeroven, heb geleid. Ik heb toen gezegd: Luistert naar Mij, en doet al wat Ik u gebied; dan zult ge mijn volk, en Ik zal uw God zijn.
4Що я заповідав отцям вашим, як вивів їх із Египту, з залїзної печі, сказавши: Слухайте голосу мого й чинїте все так, як заповідаю вам, — а будете людьми моїми, я же буду Богом вашим,
5Zo heb Ik de eed gestand gedaan, die Ik aan uw vaderen heb gezworen, om hun een land te geven, dat druipt van melk en honing, zoals het heden nog is. Ik gaf ten antwoord: Zo is het, Jahweh!
5Щоб справдити клятьбу, якою клявся отцям вашим, що надїлю їм землю, текущу молоком і медом, як воно є ще й нинї. І відказав я, промовивши: Нехай так буде, Господи!
6En Jahweh zeide tot mij: Verkondig dit alles aan de steden van Juda en in Jerusalems straten! Dit moet ge zeggen: Luistert naar de woorden van dit Verbond, en onderhoudt ze ook.
6І сказав тодї до мене Господь: Зʼясуй усї цї слова в городах Юдиних і по улицях Ерусалимських, і промов: Слухайте слова заповіту сього й певнїте їх:
7Want sinds Ik uw vaderen uit Egypteland leidde, tot heden toe, heb Ik ‘s morgens vroeg en ‘s avonds laat ze steeds maar bezworen: Luistert naar Mij!
7Отцїв бо ваших уговорював я раз-пораз, як вивів їх із Египту, та й потім аж до сього дня й говорив: Слухайте голосу мого.
8Maar ze hebben niet geluisterd, niet willen horen; allen zijn de verstoktheid gevolgd van hun boos gemoed. Daarom bracht Ik over hen al de bedreigingen van dit Verbond, dat Ik hun had voorgeschreven, maar dat ze niet onderhielden.
8Вони ж не слухали й не нахиляли уха свого; нї, вони ходили упрямо за ледачим серцем своїм; тим і допустив я на них усе, що заповів в сьому завітї, що повелїв їм пильнувати, вони ж не пильнували.
9En weer sprak Jahweh tot mij: Er bestaat een complot onder de mannen van Juda en de bewoners van Jerusalem.
9І сказав менї Господь: Постала змова між людьми Юдиними й осадниками Ерусалимськими:
10Ze zijn teruggekeerd tot de vroegere zonden van hun vaders, die naar mijn woorden niet wilden horen; ook zij zijn vreemde goden nagelopen, om die te dienen. Het huis van Israël en het huis van Juda hebben het Verbond verkracht, dat Ik met hun vaders had gesloten.
10Вони знов вернулись до беззаконств праотцїв своїх, що уперлись не слухати слів моїх, та й пійшли слїдом за иншими богами, щоб їм служити: так дом Ізрайлїв, як і дом Юдин нарушили завіт мій, що я вчинив із їх отцями.
11Daarom spreekt Jahweh: Ik zal ze! Ik zal rampen over hen brengen, waaraan men niet kan ontsnappen. En als ze dan tot Mij roepen, zal Ik niet naar hen horen.
11Тим то ось як говорить Господь: Наведу на їх лихолїттє, з якого не здолїють урятуватись, а як вони тодї до мене будуть взивати, я не почую їх.
12Dan zullen de steden van Juda en de bewoners van Jerusalem tot de goden schreeuwen, voor wie ze wierook hebben gebrand; maar die zullen ze niet kunnen redden, als hun ramp is gekomen.
12І пійдуть міста Юдині й осадники Ерусалимські взивати до богів, що перед ними кадили, та вони не поможуть їм у їх недолї.
13Juda, al hebt ge dan evenveel goden als steden; Jerusalem, al richt ge zoveel altaren op als ge straten bezit: altaren voor de Schande, altaren om aan Báal te offeren!
13Скілько бо городів у тебе, Юдо, стілько й богів у тебе, та й скілько улиць у Ерусалимі, стілько наспоруджували ви й жертівників гидотї, жертівників, щоб кадити Баалові.
14En ook gij moet dan niet voor dit volk gaan bidden, geen klaag- of smeekbede voor hen opstieren; want Ik luister niet, wanneer ze tot Mij roepen, als hun ramp is gekomen.
14Тим то не молись про сей люд, не молись і не благай за них, я бо не вислухаю, як вони взивати муть у своїй недолї до мене.
15Wat heeft mijn geliefde in mijn huis te maken, Als ze schanddaden doet? Of zouden gelofte en heilig vlees Uw rampspoed ver van u houden, Dat gij u zo zeker voelt?
15Що шукає влюблений мій в дому мойму, коли в йому дїється стілько гидоти? нї, і осьвящене жертовне мясиво не поможе тобі, коли ти веселишся, як коїш лихо.
16Een groene olijf met heerlijke vruchten Had Jahweh u genoemd; Maar onder donderend geraas Heeft Hij vuur gelegd aan zijn blaren, En verbranden zijn takken!
16Сьвіжою, зеленою маслиною, що пишається гарним плодом, назвав тебе Господь. Нинї же зашуміло сильне зворушеннє, він запалив огонь кругом неї, і пообсмалювалось віттє в неї.
17Jahweh der heirscharen, die u had geplant, Bedreigt u met rampen: Om de misdaad van het huis van Israël en Juda, Die ze bedreven, om Mij te tergen, Door wierook voor Báal te branden!
17Господь Саваот, що насадив тебе, виповів на тебе лихо за ледарство дому Ізрайлевого й дому Юдиного, що вони коїли, щоб мене підпалювати на гнїв, кадючи Баалам.
18Jahweh, Gij hebt het mij bekend gemaakt, zodat ik het weet, Gij hebt mij hun toeleg doen zien;
18Господь обявив менї, і я знаю; ти показав менї їх каверзи.
19Ik zelf was als een argeloos lam, Dat naar de slachtbank wordt geleid. Ik wist niet eens, dat zij aanslagen tegen mij smeedden: Komt, laten we de boom in zijn volle kracht vellen, Hem uit het land der levenden rukken, Zodat zijn naam niet meer wordt genoemd.
19А я, мов те смирне ягня, що ведуть заколювати, я й не відав, що вони проти мене лихі задуми складають: Всипмо (потовченого їдовитого) дерева в його страву, а вирвемо його з землї живих, щоб і ймя його вже більш не споминалось.
20Jahweh der heirscharen, rechtvaardige Rechter, Die harten en nieren doorgrondt: Laat mij zien, hoe Gij wraak op hen neemt, Want U vertrouw ik mijn recht toe.
20Ти ж, Господи Саваот, що праведно судиш і вивідуєш серця й утроби, дай менї вбачати помсту твою на їх, бо на тебе здав я справу мою.
21Daarom spreekt Jahweh van de mannen van Anatot, Die mijn leven belagen, en zeggen: Niet langer zult ge in Jahweh’s Naam profeteren, Zo ge door onze hand niet wilt sterven.
21Тим же то так говорить Господь про мужів Анатотських, про тих, що чигають на твою душу, говорючи: Не пророкуй в імя Господнє, ато вмреш од рук наших;
22Waarachtig, zo spreekt Jahweh der heirscharen: Zie, Ik kom op hen af; Hun jongemannen zullen sterven door het zwaard, Hun zonen en dochters van honger.
22Тим говорить Господь Саваот так: Оце я навідаю їх: молодики їх погинуть од меча; синове їх і дочки їх помруть із голоду.
23Niets blijft van hen over, Wanneer Ik rampen ga brengen Over Anatots mannen In hun jaar van vergelding!
23Не буде й останку з них; наведу бо лихолїттє на мужів Анатотських часу навідання їх.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.