Jeremia
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Het woord, dat Jahweh tot Jeremias richtte:
1La parole qui fut adressée à Jérémie de la part de l’Éternel, en ces mots:
2Hoor de woorden van dit Verbond, en predik ze aan de mannen van Juda en de bewoners van Jerusalem.
2Écoutez les paroles de cette alliance, Et parlez aux hommes de Juda et aux habitants de Jérusalem!
3Dit moet ge hun zeggen: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Vervloekt een ieder, die niet luistert naar de woorden van dit Verbond,
3Dis-leur: Ainsi parle l’Éternel, le Dieu d’Israël: Maudit soit l’homme qui n’écoute point les paroles de cette alliance,
4dat Ik uw vaderen heb voorgeschreven, toen Ik ze uit het land van Egypte, die ijzeroven, heb geleid. Ik heb toen gezegd: Luistert naar Mij, en doet al wat Ik u gebied; dan zult ge mijn volk, en Ik zal uw God zijn.
4Que j’ai prescrite à vos pères, Le jour où je les ai fait sortir du pays d’Égypte, De la fournaise de fer, en disant: Écoutez ma voix, et faites tout ce que je vous ordonnerai; Alors vous serez mon peuple, Je serai votre Dieu,
5Zo heb Ik de eed gestand gedaan, die Ik aan uw vaderen heb gezworen, om hun een land te geven, dat druipt van melk en honing, zoals het heden nog is. Ik gaf ten antwoord: Zo is het, Jahweh!
5Et j’accomplirai le serment que j’ai fait à vos pères, De leur donner un pays où coulent le lait et le miel, Comme vous le voyez aujourd’hui. Et je répondis: Amen, Éternel!
6En Jahweh zeide tot mij: Verkondig dit alles aan de steden van Juda en in Jerusalems straten! Dit moet ge zeggen: Luistert naar de woorden van dit Verbond, en onderhoudt ze ook.
6L’Éternel me dit: Publie toutes ces paroles dans les villes de Juda Et dans les rues de Jérusalem, en disant: Écoutez les paroles de cette alliance, Et mettez-les en pratique!
7Want sinds Ik uw vaderen uit Egypteland leidde, tot heden toe, heb Ik ‘s morgens vroeg en ‘s avonds laat ze steeds maar bezworen: Luistert naar Mij!
7Car j’ai averti vos pères, Depuis le jour où je les ai fait monter du pays d’Égypte Jusqu’à ce jour, Je les ai avertis tous les matins, en disant: Écoutez ma voix!
8Maar ze hebben niet geluisterd, niet willen horen; allen zijn de verstoktheid gevolgd van hun boos gemoed. Daarom bracht Ik over hen al de bedreigingen van dit Verbond, dat Ik hun had voorgeschreven, maar dat ze niet onderhielden.
8Mais ils n’ont pas écouté, ils n’ont pas prêté l’oreille, Ils ont suivi chacun les penchants de leur mauvais cœur; Alors j’ai accompli sur eux toutes les paroles de cette alliance, Que je leur avais ordonné d’observer et qu’ils n’ont point observée.
9En weer sprak Jahweh tot mij: Er bestaat een complot onder de mannen van Juda en de bewoners van Jerusalem.
9L’Éternel me dit: Il y a une conjuration entre les hommes de Juda Et les habitants de Jérusalem.
10Ze zijn teruggekeerd tot de vroegere zonden van hun vaders, die naar mijn woorden niet wilden horen; ook zij zijn vreemde goden nagelopen, om die te dienen. Het huis van Israël en het huis van Juda hebben het Verbond verkracht, dat Ik met hun vaders had gesloten.
10Ils sont retournés aux iniquités de leurs premiers pères, Qui ont refusé d’écouter mes paroles, Et ils sont allés après d’autres dieux, pour les servir. La maison d’Israël et la maison de Juda ont violé mon alliance, Que j’avais faite avec leurs pères.
11Daarom spreekt Jahweh: Ik zal ze! Ik zal rampen over hen brengen, waaraan men niet kan ontsnappen. En als ze dan tot Mij roepen, zal Ik niet naar hen horen.
11C’est pourquoi ainsi parle l’Éternel: Voici, je vais faire venir sur eux des malheurs Dont ils ne pourront se délivrer. Ils crieront vers moi, Et je ne les écouterai pas.
12Dan zullen de steden van Juda en de bewoners van Jerusalem tot de goden schreeuwen, voor wie ze wierook hebben gebrand; maar die zullen ze niet kunnen redden, als hun ramp is gekomen.
12Les villes de Juda et les habitants de Jérusalem Iront invoquer les dieux auxquels ils offrent de l’encens, Mais ils ne les sauveront pas au temps de leur malheur.
13Juda, al hebt ge dan evenveel goden als steden; Jerusalem, al richt ge zoveel altaren op als ge straten bezit: altaren voor de Schande, altaren om aan Báal te offeren!
13Car tu as autant de dieux que de villes, ô Juda! Et autant Jérusalem a de rues, Autant vous avez dressé d’autels aux idoles, D’autels pour offrir de l’encens à Baal…
14En ook gij moet dan niet voor dit volk gaan bidden, geen klaag- of smeekbede voor hen opstieren; want Ik luister niet, wanneer ze tot Mij roepen, als hun ramp is gekomen.
14Et toi, n’intercède pas en faveur de ce peuple, N’élève pour eux ni supplications ni prières; Car je ne les écouterai pas, Quand ils m’invoqueront à cause de leur malheur.
15Wat heeft mijn geliefde in mijn huis te maken, Als ze schanddaden doet? Of zouden gelofte en heilig vlees Uw rampspoed ver van u houden, Dat gij u zo zeker voelt?
15Que ferait mon bien-aimé dans ma maison? Il s’y commet une foule de crimes. La chair sacrée disparaîtra devant toi. Quand tu fais le mal, c’est alors que tu triomphes!
16Een groene olijf met heerlijke vruchten Had Jahweh u genoemd; Maar onder donderend geraas Heeft Hij vuur gelegd aan zijn blaren, En verbranden zijn takken!
16Olivier verdoyant, remarquable par la beauté de son fruit, Tel est le nom que t’avait donné l’Éternel; Au bruit d’un grand fracas, il l’embrase par le feu, Et ses rameaux sont brisés.
17Jahweh der heirscharen, die u had geplant, Bedreigt u met rampen: Om de misdaad van het huis van Israël en Juda, Die ze bedreven, om Mij te tergen, Door wierook voor Báal te branden!
17L’Éternel des armées, qui t’a planté, Appelle sur toi le malheur, A cause de la méchanceté de la maison d’Israël et de la maison de Juda, Qui ont agi pour m’irriter, en offrant de l’encens à Baal.
18Jahweh, Gij hebt het mij bekend gemaakt, zodat ik het weet, Gij hebt mij hun toeleg doen zien;
18L’Éternel m’en a informé, et je l’ai su; Alors tu m’as fait voir leurs œuvres.
19Ik zelf was als een argeloos lam, Dat naar de slachtbank wordt geleid. Ik wist niet eens, dat zij aanslagen tegen mij smeedden: Komt, laten we de boom in zijn volle kracht vellen, Hem uit het land der levenden rukken, Zodat zijn naam niet meer wordt genoemd.
19J’étais comme un agneau familier qu’on mène à la boucherie, Et j’ignorais les mauvais desseins qu’ils méditaient contre moi: Détruisons l’arbre avec son fruit! Retranchons-le de la terre des vivants, Et qu’on ne se souvienne plus de son nom!
20Jahweh der heirscharen, rechtvaardige Rechter, Die harten en nieren doorgrondt: Laat mij zien, hoe Gij wraak op hen neemt, Want U vertrouw ik mijn recht toe.
20Mais l’Éternel des armées est un juste juge, Qui sonde les reins et les cœurs. Je verrai ta vengeance s’exercer contre eux, Car c’est à toi que je confie ma cause.
21Daarom spreekt Jahweh van de mannen van Anatot, Die mijn leven belagen, en zeggen: Niet langer zult ge in Jahweh’s Naam profeteren, Zo ge door onze hand niet wilt sterven.
21C’est pourquoi ainsi parle l’Éternel contre les gens d’Anathoth, Qui en veulent à ta vie, et qui disent: Ne prophétise pas au nom de l’Éternel, Ou tu mourras de notre main!
22Waarachtig, zo spreekt Jahweh der heirscharen: Zie, Ik kom op hen af; Hun jongemannen zullen sterven door het zwaard, Hun zonen en dochters van honger.
22C’est pourquoi ainsi parle l’Éternel des armées: Voici, je vais les châtier; Les jeunes hommes mourront par l’épée, Leurs fils et leurs filles mourront par la famine.
23Niets blijft van hen over, Wanneer Ik rampen ga brengen Over Anatots mannen In hun jaar van vergelding!
23Aucun d’eux n’échappera; Car je ferai venir le malheur sur les gens d’Anathoth, L’année où je les châtierai.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.