Jeremia
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Het woord, dat Jahweh tot Jeremias richtte!
1La parole qui fut adressée à Jérémie de la part de l’Éternel, en ces mots:
2Ge moet in de poort van het huis van Jahweh gaan staan, en daar het volgende verkonden: Hoort het woord van Jahweh, gij allen, mannen van Juda, die deze poorten binnentreedt, om Jahweh te aanbidden.
2Place-toi à la porte de la maison de l’Éternel, Et là publie cette parole, Et dis: Écoutez la parole de l’Éternel, Vous tous, hommes de Juda, qui entrez par ces portes, Pour vous prosterner devant l’Éternel!
3Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Draagt zorg voor een goede handel en wandel; dan zal Ik bij u in deze plaats blijven wonen.
3Ainsi parle l’Éternel des armées, le Dieu d’Israël: Réformez vos voies et vos œuvres, Et je vous laisserai demeurer dans ce lieu.
4Maar stelt geen vertrouwen in bedriegelijke leuzen: De tempel van Jahweh, de tempel van Jahweh, de tempel van Jahweh is hier!
4Ne vous livrez pas à des espérances trompeuses, en disant: C’est ici le temple de l’Éternel, le temple de l’Éternel, Le temple de l’Éternel!
5Neen, draagt zorg voor een goede handel en wandel: wees strikt rechtvaardig jegens elkander;
5Si vous réformez vos voies et vos œuvres, Si vous pratiquez la justice envers les uns et les autres,
6verdrukt geen vreemden, wezen en weduwen; vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats; loopt geen vreemde goden achterna tot uw eigen verderf.
6Si vous n’opprimez pas l’étranger, l’orphelin et la veuve, Si vous ne répandez pas en ce lieu le sang innocent, Et si vous n’allez pas après d’autres dieux, pour votre malheur,
7Dan alleen zal Ik bij u in deze plaats blijven wonen, in het land, dat Ik uw vaderen heb gegeven voor eeuwig!
7Alors je vous laisserai demeurer dans ce lieu, Dans le pays que j’ai donné à vos pères, D’éternité en éternité.
8Maar gij vertrouwt op bedriegelijke leuzen, die geen waarde bezitten!
8Mais voici, vous vous livrez à des espérances trompeuses, Qui ne servent à rien.
9Wat? Stelen, moorden, echtbreuk plegen en meineed zweren, aan Báal offeren en achter vreemde goden lopen, die ge niet kent:
9Quoi! Dérober, tuer, commettre des adultères, Jurer faussement, offrir de l’encens à Baal, Aller après d’autres dieux que vous ne connaissez pas!…
10en dan durft ge voor mijn aanschijn treden in deze tempel, waarover mijn Naam is uitgeroepen, en zeggen: We zijn geborgen! En dan gaat ge met al die gruwelen door!
10Puis vous venez vous présenter devant moi, Dans cette maison sur laquelle mon nom est invoqué, Et vous dites: Nous sommes délivrés!… Et c’est afin de commettre toutes ces abominations!
11Is dan dit huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een moordenaarshol geworden? Goed; dan bezie ook Ik het niet anders, is de godsspraak van Jahweh!
11Est-elle à vos yeux une caverne de voleurs, Cette maison sur laquelle mon nom est invoqué? Je le vois moi-même, dit l’Éternel.
12Gaat eens naar mijn stede in Sjilo, waar Ik eertijds mijn Naam heb doen wonen, en ziet wat Ik er mee heb gedaan, om de boosheid van Israël, mijn volk.
12Allez donc au lieu qui m’était consacré à Silo, Où j’avais fait autrefois résider mon nom. Et voyez comment je l’ai traité, A cause de la méchanceté de mon peuple d’Israël.
13Welnu dan, omdat ge dit alles gedaan hebt, spreekt Jahweh: omdat ge niet hebt geluisterd, toen Ik tijdig genoeg tot u sprak, en niet hebt geantwoord, toen Ik u riep:
13Et maintenant, puisque vous avez commis toutes ces actions, Dit l’Éternel, Puisque je vous ai parlé dès le matin et que vous n’avez pas écouté, Puisque je vous ai appelés et que vous n’avez pas répondu,
14daarom zal Ik juist hetzelfde doen met het huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen en waarop gij vertrouwt; juist hetzelfde met de plaats, die Ik u en uw vaderen heb gegeven, als Ik gedaan heb met Sjilo.
14Je traiterai la maison sur laquelle mon nom est invoqué, Sur laquelle vous faites reposer votre confiance, Et le lieu que j’ai donné à vous et à vos pères, De la même manière que j’ai traité Silo;
15Ik zal u van mijn aanschijn verstoten, zoals Ik met al uw broeders, het hele geslacht van Efraïm, heb gedaan!
15Et je vous rejetterai loin de ma face, Comme j’ai rejeté tous vos frères, Toute la postérité d’Éphraïm.
16Neen, ge moet voor dit volk niet bidden, geen klaag- of smeekbede voor hen opstieren, en niet bij Mij aandringen; want Ik kan u toch niet verhoren.
16Et toi, n’intercède pas en faveur de ce peuple, N’élève pour eux ni supplications ni prières, Ne fais pas des instances auprès de moi; Car je ne t’écouterai pas.
17Ziet ge dan niet, wat ze in de steden van Juda en zelfs in de straten van Jerusalem durven doen?
17Ne vois-tu pas ce qu’ils font dans les villes de Juda Et dans les rues de Jérusalem?
18De kinderen sprokkelen hout, de vaders ontsteken het vuur, en de vrouwen kneden het deeg, om koeken te bakken voor de Koningin des hemels; en men draagt plengoffers op aan vreemde goden, om Mij verdriet aan te doen.
18Les enfants ramassent du bois, Les pères allument le feu, Et les femmes pétrissent la pâte, Pour préparer des gâteaux à la reine du ciel, Et pour faire des libations à d’autres dieux, Afin de m’irriter.
19Maar doen ze Mij wel verdriet aan, spreekt Jahweh? Neen, enkel zichzelf, tot hun eigen beschaming!
19Est-ce moi qu’ils irritent? Dit l’Éternel; N’est-ce pas eux-mêmes, A leur propre confusion?
20En daarom spreekt Jahweh, de Heer: Zie, mijn ziedende toorn wordt uitgestort over deze plaats: over mensen en vee, over de bomen op het veld en de vruchten op het land; branden zal hij, en niet meer worden geblust!
20C’est pourquoi ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Voici, ma colère et ma fureur se répandent sur ce lieu, Sur les hommes et sur les bêtes, Sur les arbres des champs et sur les fruits de la terre; Elle brûlera, et ne s’éteindra point.
21Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Vermeerdert uw brand- en slachtoffers maar, en eet het vlees ervan op.
21Ainsi parle l’Éternel des armées, le Dieu d’Israël: Ajoutez vos holocaustes à vos sacrifices, Et mangez-en la chair!
22Toen Ik uw vaders uit het land van Egypte heb geleid, heb Ik hun met geen woord gesproken en geen enkel gebod gegeven over brand- en slachtoffers.
22Car je n’ai point parlé avec vos pères et je ne leur ai donné aucun ordre, Le jour où je les ai fait sortir du pays d’Égypte, Au sujet des holocaustes et des sacrifices.
23Maar dit gebod heb Ik hun gegeven: Luistert naar Mij, dan zal Ik uw God, en gij zult mijn volk zijn; heel de weg moet ge houden, die Ik u voorschrijf, dan zal het u goed gaan.
23Mais voici l’ordre que je leur ai donné: Écoutez ma voix, Et je serai votre Dieu, Et vous serez mon peuple; Marchez dans toutes les voies que je vous prescris, Afin que vous soyez heureux.
24Maar ze hebben niet willen horen, niet willen luisteren. Ze volgden hun lusten en de verstoktheid van hun bedorven hart; ze hebben Mij de nek toegekeerd, niet hun gelaat.
24Et ils n’ont point écouté, ils n’ont point prêté l’oreille; Ils ont suivi les conseils, les penchants de leur mauvais cœur, Ils ont été en arrière et non en avant.
25Van de dag af, dat hun vaders uit het land van Egypte zijn getrokken, tot heden toe, heb Ik hun al de profeten, mijn dienaars, gezonden: iedere dag opnieuw, ‘s morgens vroeg en ‘s avonds laat.
25Depuis le jour où vos pères sont sortis du pays d’Égypte, Jusqu’à ce jour, Je vous ai envoyé tous mes serviteurs, les prophètes, Je les ai envoyés chaque jour, dès le matin.
26Maar ze hebben niet naar Mij willen horen, niet willen luisteren; ze bleven hardnekkig, erger nog dan hun vaders.
26Mais ils ne m’ont point écouté, ils n’ont point prêté l’oreille; Ils ont raidi leur cou, Ils ont fait le mal plus que leurs pères.
27Maar al gaat ge hun dit alles ook zeggen, ze zullen niet naar u horen; al zoudt ge ze roepen, ze geven u geen antwoord.
27Si tu leur dis toutes ces choses, ils ne t’écouteront pas; Si tu cries vers eux, ils ne te répondront pas.
28Neen, dit moet ge hun zeggen: Dit is een volk, dat niet luistert naar Jahweh, zijn God, en zich niet laat gezeggen; de trouw is verdwenen, uit hun mond verbannen!
28Alors dis-leur: C’est ici la nation qui n’écoute pas la voix de l’Éternel, son Dieu, Et qui ne veut pas recevoir instruction; La vérité a disparu, elle s’est retirée de leur bouche.
29Scheer uw haren af, en werp ze weg, hef een klaaglied aan op de kale toppen; want Jahweh heeft het geslacht van zijn gramschap verstoten en verworpen!
29Coupe ta chevelure, et jette-la au loin; Monte sur les hauteurs, et prononce une complainte! Car l’Éternel rejette Et repousse la génération qui a provoqué sa fureur.
30Waarachtig, de kinderen van Juda hebben gruwelen gedaan in mijn ogen, is de godsspraak van Jahweh! Ze hebben hun walgelijke goden geplaatst in het huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen, om het te bezoedelen.
30Car les enfants de Juda ont fait ce qui est mal à mes yeux, Dit l’Éternel; Ils ont placé leurs abominations Dans la maison sur laquelle mon nom est invoqué, Afin de la souiller.
31Ze hebben ook op de offerhoogte in het Ben-Hinnom-dal de Tófet gebouwd, om hun zonen en dochters te verbranden; wat Ik dan toch zeker niet heb geboden, en Mij nooit in de gedachte is gekomen.
31Ils ont bâti des hauts lieux à Topheth dans la vallée de Ben-Hinnom, Pour brûler au feu leurs fils et leurs filles: Ce que je n’avais point ordonné, Ce qui ne m’était point venu à la pensée.
32Daarom zullen de dagen komen, spreekt Jahweh, dat men niet meer van Tófet zal spreken of van het Ben-Hinnom-dal; maar men zal het “Moord-dal” noemen, en in de Tófet begraven bij gebrek aan plaats.
32C’est pourquoi voici, les jours viennent, dit l’Éternel, Où l’on ne dira plus Topheth et la vallée de Ben-Hinnom, Mais où l’on dira la vallée du carnage; Et l’on enterrera les morts à Topheth par défaut de place.
33Dan zullen de lijken van dit volk het aas zijn voor de vogels uit de lucht en voor de beesten op aarde, en niemand zal ze verjagen.
33Les cadavres de ce peuple seront la pâture Des oiseaux du ciel et des bêtes de la terre; Et il n’y aura personne pour les troubler.
34Dan zal Ik in de steden van Juda en in Jerusalems straten de kreten van vreugde en blijdschap verstommen, de jubel van bruidegom, de jubel der bruid; want het hele land zal een wildernis zijn!
34Je ferai cesser dans les villes de Juda et dans les rues de Jérusalem Les cris de réjouissance et les cris d’allégresse, Les chants du fiancé et les chants de la fiancée; Car le pays sera un désert.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.