Jeremia 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord, dat Jahweh tot Jeremias richtte!
1Слово, що надійшло до Еремії від Господа:
2Ge moet in de poort van het huis van Jahweh gaan staan, en daar het volgende verkonden: Hoort het woord van Jahweh, gij allen, mannen van Juda, die deze poorten binnentreedt, om Jahweh te aanbidden.
2Увійди в двері дому Господнього й промов там оце слово, й скажи: Вислухайте слово Господнє, ви всї Юдеї, що ввіходите в цї двері поклонитись Господеві.
3Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Draagt zorg voor een goede handel en wandel; dan zal Ik bij u in deze plaats blijven wonen.
3Так говорить Господь Саваот, Бог Ізраїля: Направте путї ваши і вчинки ваші, тодї дам я вам жити на сьому займищі.
4Maar stelt geen vertrouwen in bedriegelijke leuzen: De tempel van Jahweh, de tempel van Jahweh, de tempel van Jahweh is hier!
4Не покладайте надїї тілько в лестивих словах: „Храм Господень, храм Господень, храм Господень!‟
5Neen, draagt zorg voor een goede handel en wandel: wees strikt rechtvaardig jegens elkander;
5Бо тілько тодї, як цїлком поправите путї ваші й учинки ваші, коли чинити мете праведний суд між чоловіком а його супротивником,
6verdrukt geen vreemden, wezen en weduwen; vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats; loopt geen vreemde goden achterna tot uw eigen verderf.
6Не тїснити мете чуженицї, сироти й удови, та не проливати мете безвинної крови на сьому місцї й не ходити мете слїдом за чужими богами собі на лихо,
7Dan alleen zal Ik bij u in deze plaats blijven wonen, in het land, dat Ik uw vaderen heb gegeven voor eeuwig!
7Тілько тодї дам вам жити на сьому займищі, в землї, що надїлив отцям вашим од роду та й до роду.
8Maar gij vertrouwt op bedriegelijke leuzen, die geen waarde bezitten!
8Ви ж уповаєте на лестиві речі, що не принесуть вам нїякого пожитку.
9Wat? Stelen, moorden, echtbreuk plegen en meineed zweren, aan Báal offeren en achter vreemde goden lopen, die ge niet kent:
9Як то? ви крадете, вбиваєте, перелюбкуєте й присягаєте криво, кадите перед Баалом й бігаєте слїдом за чужими богами, що їх не знаєте,
10en dan durft ge voor mijn aanschijn treden in deze tempel, waarover mijn Naam is uitgeroepen, en zeggen: We zijn geborgen! En dan gaat ge met al die gruwelen door!
10А тодї йдете й приступаєте перед мене в сьому дому, названому моїм імям, та й говорите: „Ми спасені,‟ хоч вперед коїли всї ті гидоти.
11Is dan dit huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een moordenaarshol geworden? Goed; dan bezie ook Ik het niet anders, is de godsspraak van Jahweh!
11Чи не зробився ж вертепом розбишак ув очах у вас дом сей, що названий моїм імям? Я, я сам бачу се, говорить Господь.
12Gaat eens naar mijn stede in Sjilo, waar Ik eertijds mijn Naam heb doen wonen, en ziet wat Ik er mee heb gedaan, om de boosheid van Israël, mijn volk.
12Ійдїте ж до місця мого в Сило, де я у давні часи призначив пробуток іменні мойму, та й подивітесь, що вдїяв я йому за ледарство людей моїх, Ізраїля.
13Welnu dan, omdat ge dit alles gedaan hebt, spreekt Jahweh: omdat ge niet hebt geluisterd, toen Ik tijdig genoeg tot u sprak, en niet hebt geantwoord, toen Ik u riep:
13От і нинї, за те ж саме, що коїте таке ж беззаконство, говорить Господь, і хоч я раз-пораз говорив до вас, а ви не слухали мене, і кликав вас, а ви не озивались, —
14daarom zal Ik juist hetzelfde doen met het huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen en waarop gij vertrouwt; juist hetzelfde met de plaats, die Ik u en uw vaderen heb gegeven, als Ik gedaan heb met Sjilo.
14Вчиню так само з сим домом, що його названо моїм імям, і що на його вповаєте, та й з тим місцем, що надїлив вам і вашим отцям, — як учинив із Силомом.
15Ik zal u van mijn aanschijn verstoten, zoals Ik met al uw broeders, het hele geslacht van Efraïm, heb gedaan!
15І відопхну вас ізперед мене, як відопхнув браттє ваше, усе потомство Ефраїмове.
16Neen, ge moet voor dit volk niet bidden, geen klaag- of smeekbede voor hen opstieren, en niet bij Mij aandringen; want Ik kan u toch niet verhoren.
16Ти ж не благай мене за сих людей, не молись гаряче за них, й не всиловуйся передо мною, бо не вислухаю тебе.
17Ziet ge dan niet, wat ze in de steden van Juda en zelfs in de straten van Jerusalem durven doen?
17Хиба не бачиш сам, що вони коять по городах Юдиних й по улицях Ерусалимських?
18De kinderen sprokkelen hout, de vaders ontsteken het vuur, en de vrouwen kneden het deeg, om koeken te bakken voor de Koningin des hemels; en men draagt plengoffers op aan vreemde goden, om Mij verdriet aan te doen.
18Дїтвора збірає дрова, а батьки запалюють огонь, жіноцтво ж замішує тїсто, щоб напекти пирожків небесній царицї та приносити ливну жертву чужим богам, на досаду менї.
19Maar doen ze Mij wel verdriet aan, spreekt Jahweh? Neen, enkel zichzelf, tot hun eigen beschaming!
19Та чи менї ж вони допікають, говорить Господь, — а не самим собі на свій сором?
20En daarom spreekt Jahweh, de Heer: Zie, mijn ziedende toorn wordt uitgestort over deze plaats: over mensen en vee, over de bomen op het veld en de vruchten op het land; branden zal hij, en niet meer worden geblust!
20Тим то ось як говорить Господь Бог: Оце виливається гнїв мій й досада моя на се місце, на людей і на скотину, на дерева польові й на земляні плоди, й загориться та й не згасне.
21Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Vermeerdert uw brand- en slachtoffers maar, en eet het vlees ervan op.
21Так говорить Господь сил, Бог Ізраїля: Прибавляйте собі всепалення ваші до кожної жертви вашої, та й їжте мясиво її;
22Toen Ik uw vaders uit het land van Egypte heb geleid, heb Ik hun met geen woord gesproken en geen enkel gebod gegeven over brand- en slachtoffers.
22Я бо не говорив і не заповідав отцям вашим про всепаленнє й жертву, як виводив їх із Египту,
23Maar dit gebod heb Ik hun gegeven: Luistert naar Mij, dan zal Ik uw God, en gij zult mijn volk zijn; heel de weg moet ge houden, die Ik u voorschrijf, dan zal het u goed gaan.
23Но дав їм таку заповідь: Слухайте голосу мого, то я буду Богом вашим, а ви будете людьми моїми; і ходїте кожною дорогою, що я вказую вам, щоб вам було добре.
24Maar ze hebben niet willen horen, niet willen luisteren. Ze volgden hun lusten en de verstoktheid van hun bedorven hart; ze hebben Mij de nek toegekeerd, niet hun gelaat.
24Вони ж не слухали й не нахиляли уха свого, а жили по думцї й упрямостї ледачого серця свого, й повернулись до мене плечима, не лицем.
25Van de dag af, dat hun vaders uit het land van Egypte zijn getrokken, tot heden toe, heb Ik hun al de profeten, mijn dienaars, gezonden: iedere dag opnieuw, ‘s morgens vroeg en ‘s avonds laat.
25З того часу, як вийшли батьки ваші з Египту, та й по сей час, посилав я всїх слугів моїх, — пророків, день у день, без устанку;
26Maar ze hebben niet naar Mij willen horen, niet willen luisteren; ze bleven hardnekkig, erger nog dan hun vaders.
26Та вони не слухали мене, не нахиляли уха свого; нї, показували себе що раз більш тугошиїми, гірш як отцї їх.
27Maar al gaat ge hun dit alles ook zeggen, ze zullen niet naar u horen; al zoudt ge ze roepen, ze geven u geen antwoord.
27Та як і ти промовляти меш до них сї слова, то вони тебе не будуть слухати; як їх кликати меш, вони до тебе не будуть озиватись.
28Neen, dit moet ge hun zeggen: Dit is een volk, dat niet luistert naar Jahweh, zijn God, en zich niet laat gezeggen; de trouw is verdwenen, uit hun mond verbannen!
28Тодї казати меш до них: Ой ти, люде, що не слухаєш повелїння Господа, Бога свого, і не приймаєш науки його! зникла правда в них, наче б віднято її від уст їх.
29Scheer uw haren af, en werp ze weg, hef een klaaglied aan op de kale toppen; want Jahweh heeft het geslacht van zijn gramschap verstoten en verworpen!
29Обстрижи ж волоссє твоє та відкинь геть, і заголоси плачем голосним по горах, бо відкинув Господь і відопхнув кодло, що стягнуло на себе досаду його.
30Waarachtig, de kinderen van Juda hebben gruwelen gedaan in mijn ogen, is de godsspraak van Jahweh! Ze hebben hun walgelijke goden geplaatst in het huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen, om het te bezoedelen.
30Синове бо Юдині коять зло перед очима моїми, говорить Господь, у дому, названому моїм імям, поставили гидоту свою, щоб опоганити його.
31Ze hebben ook op de offerhoogte in het Ben-Hinnom-dal de Tófet gebouwd, om hun zonen en dochters te verbranden; wat Ik dan toch zeker niet heb geboden, en Mij nooit in de gedachte is gekomen.
31І построїли висоти Тофет в долинї потомків Енномових, щоб там палити синів своїх і дочки свої, чого я не заповідував, і що на думку менї не приходило.
32Daarom zullen de dagen komen, spreekt Jahweh, dat men niet meer van Tófet zal spreken of van het Ben-Hinnom-dal; maar men zal het “Moord-dal” noemen, en in de Tófet begraven bij gebrek aan plaats.
32За те надходить уже час, говорить Господь, що се місце не звати муть Тофетом і долиною синів Енномових, а долиною душогубною, та й ховати муть в Тофетї, бо не буде місця.
33Dan zullen de lijken van dit volk het aas zijn voor de vogels uit de lucht en voor de beesten op aarde, en niemand zal ze verjagen.
33І буде труп сих людей поживою птаству піднебесному й дикому зьвіррю, й нїкому буде їх відганяти.
34Dan zal Ik in de steden van Juda en in Jerusalems straten de kreten van vreugde en blijdschap verstommen, de jubel van bruidegom, de jubel der bruid; want het hele land zal een wildernis zijn!
34І перерву по городах Юдиних і по улицях Ерусалимських сьпіви радостї й веселощів, сьпіви про молодого князя й про молоду княгиню, бо земля тая стане пустинею.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.