Jeremia
Chapter 51
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Zo spreekt Jahweh: Zie, Ik ga tegen Babel verwekken, En tegen de bewoners van “Hart-mijner-bestrijders”, Een geest van vernieling.
1Так говорить Господь: Се я підійму проти Вавилону й живущих посеред його противників моїх бурний вітер.
2Ik ga tegen Babel wanners ontbieden, Om het te wannen, zijn land leeg te schudden; Ze zullen het van alle kanten omsingelen Op zijn ongeluksdag!
2І пошлю віяльників на Вавилон, а вони розвіють його й спустошать землю його, вони бо в час злиднїв нападуть на його з усїх боків.
3De schutter spanne zijn boog, En steke zich in zijn pantser: Ge moet zijn jonge mannen niet sparen, Maar heel zijn leger vernielen!
3Нехай стрілець натягає лука супроти тих, що й собі ж натягають лука та величаються зброєю своєю; не щадїте молодиків його, вигублюйте все військо його.
4Ze moeten worden neergesabeld in het land der Chaldeën, Op zijn straten worden doorstoken;
4Нехай падуть побиті на землї Халдейській, а поранені — по улицях її.
5Israël wordt niet als weduwe achtergelaten, Juda niet door zijn God, Door Jahweh der heirscharen! Want hun land is beladen met schuld Tegen Israëls Heilige!
5Не покинув бо вдовою Бог, Господь Саваот, Ізраїля й Юду, хоч їх земля повна провин проти Сьвятого Ізрайлевого.
6Vlucht allen uit Babel, redt uw leven, Komt niet om door zijn schuld; Want het is de tijd van Jahweh’s wraak, Hij vergeldt het, wat het verdient.
6Втїкайте з посеред Вавилону й рятуй кожне душу свою, щоб і вам не погибнути за беззаконство його; се бо година помсти Господньої, — він віддає йому заплату його.
7Een gouden beker in Jahweh’s hand is Babel geweest: De hele aarde maakte het dronken; De volken slurpten van zijn wijn, Ze zijn er dol van geworden.
7Золотим кубком був Вавилон у руцї Господнїй, впивалась із його вся земля; народи пили з його й метались, мов біснуваті.
8Maar plotseling is Babel gevallen, gebroken! Heft er een weeklacht over aan; Gaat balsem halen voor zijn pijn, Misschien geneest het nog.
8Несподївано впаде Вавилон та й розібється; голосїте по йому, дайте балзаму на рани його, — може позагоюються.
9We willen Babel genezen, Maar het is niet te helpen. Laat het liggen; gaat heen, Ieder van ons naar zijn eigen land! Want zijn misdaad reikt tot de hemel, En verheft zich tot aan de wolken:
9Гоїли ми Вавилона, та він не вигоївся. — Покиньте ж його, рушаймо кожен у свою землю, суд бо над ним дойшов до неба й сягонув аж за хмари.
10Maar Jahweh laat òns recht wedervaren! Komt, laten we in Sion verkonden, Het werk van Jahweh, onzen God:
10Вивів Господь на сьвітло нашу справедливу справу; ходїмо й звістїмо на Сионї дїло Господа, Бога нашого.
11De pijlen gescherpt, de kokers gevuld! Jahweh heeft den koning van Medië in woede ontstoken; Want Hij heeft de verwoesting van Babel besloten: Dat is Jahweh’s wraak, de wraak voor zijn tempel!
11Гостріте стріли, наповнюйте сагайдаки; Господь підпалив завзяттє царів Мидійських, задумав бо проти Вавилону, його затратити, — се помста Господня, помста за храм його.
12De banier tegen Babels wallen geheven, de wachten versterkt, De posten uit, de verspieders geplaatst! Want Jahweh voltrekt wat Hij heeft besloten, Wat Hij tegen de bewoners van Babel heeft beslist.
12Підійміте стяга проти мурів Вавилонських, побільшіте чату, приготуйте засїди, бо, що Господь задумав, те все так учинить, як виповів на осадників Вавилонських.
13Gij, die aan machtige wateren woont, In overvloedige weelde: Uw einde is gekomen, Uw schrapen is uit!
13О, ти, що живеш над великими водами, багатий на скарби! прийшов кінець твій, — міра захланностї твоєї!
14Want Jahweh der heirscharen Heeft bij Zichzelven gezworen: Al heb Ik u met mensen volgepropt als met kevers, Men heft de zegekreet over u aan!
14Господь сил небесних поклявся собою самим: Правду кажу, що сповню тебе людьми, мов сараною, й підіймуть боєвий крик проти тебе.
15Hij heeft de aarde gemaakt door zijn kracht, De wereld gegrond door zijn wijsheid, Door zijn verstand de hemel gespannen.
15Він сотворив землю силою своєю, утвердив круг земний премудростю своєю й розпростер небеса розумом своїм;
16Als Hij zijn donder laat rollen, En de wateren in de hemel doet bruisen, Als Hij de wolken omhoogtrekt van de grenzen der aarde, Zijn bliksems omsmeedt in regen, En de storm uit zijn schatkamers haalt:
16На його громовий голос шумлять води з хмар, а ті хмари приводить він від кінцїв землї; творить блискавицї серед дощу, й випускає вітри з запасних сховищ своїх.
17Staan alle mensen verstomd en verbluft, Schaamt elke gieter zich over zijn beeld! Want zijn gietsel is leugen, Geen geest woont er in.
17Безумним виявлює себе кожен чоловік у свойму знаннї, і кожний плавильник соромить себе бовваном своїм, бо бовван, — се лож, і нема в йому духа.
18Ze zijn maar een waan, een belachelijk maaksel, Die te gronde gaan, als hun tijd is gekomen.
18Се пуста мана, робота облуду; в день караючих їх навідин вони зникнуть.
19Neen, aan hen is Jakobs Deel niet gelijk, Want Hij is de Schepper van alles, En Israël is zijn stam en zijn erfdeel, Jahweh der heirscharen is zijn Naam!
19Не такий, як їх, пай Яковів; бо його Бог — се творець усього, а Ізраїль — се жезло царства його; Господь сил небесних — імя його.
20Tot moker zult ge Mij dienen, Tot knots in de strijd: Ik vermorzel volkeren met u, Ik verbrijzel koninkrijken met u;
20Ти в мене — молот, знаряд воєнний; тобою я побивав народи; тобою розбивав царства;
21Ik vermorzel paarden en ruiters met u, Ik vermorzel wagen en menner met u,
21Тобою я вбивав коня і їздеця його й тобою розторощував колесницю і візника її;
22Ik vermorzel mannen en vrouwen met u, Ik vermorzel grijsaards en kinderen met u! Ik vermorzel jongens en meisjes met u,
22Тобою вбивав я чоловіка й жінку; тобою вбивав старого й молодого; тобою вбивав молодика й дївицю;
23Ik vermorzel herders en kudde met u, Ik vermorzel boeren en ossen met u, Ik vermorzel landvoogd en stadvoogd met u!
23Тобою вбивав я пастуха й стадо його; тобою вбивав ратая й супруг волів його, тобою вбивав намісників і міських начальників.
24Zo zal Ik Babel vergelden, En alle bewoners van Chaldea, Al het kwaad, dat zij tegen Sion hebben bedreven, Voor onze ogen, is de godsspraak van Jahweh!
24Тепер же відплачу Вавилонові й усїм осадникам Халдейським за все зло, що вони заподїяли Сионові в очах ваших, говорить Господь.
25Ik zal u, Berg, die de hele aarde vergruisde! Ik steek mijn hand naar u uit: Ik rol u van de rotsen omlaag, En maak van u een vlammende berg.
25Се я (став) проти тебе, ти (горда) горо пагубна, говорить Господь, що вигублюєш і заражуєш усю землю; я простягну на тебе руку мою, й скину тебе зо скелї та й зроблю тебе горою, до нага обгорілою.
26Men zal uit u geen hoeksteen halen, Geen steen voor een grondslag; Maar ge zult een eeuwige wildernis zijn, Is de godsspraak van Jahweh!
26З тебе не можна буде взяти й каменя вуглового, нї каменя на підвалину; ти будеш вічним безлюддєм, говорить Господь.
27Heft de banier in het land, Steekt de bazuin onder de naties; Voert volken tegen hem aan voor de heilige strijd, Roept koninkrijken tegen hem op. Ararat, Minni, Asjkenaz: Stuurt er de horden op af, Jaagt er de paarden op aan Als stekende kevers.
27Виставте ж хоругву воєнну в землях; трубіте в труби між народами; вворужте проти його народи; поскликайте на його царства: Арарацькі, Минїйські, Аскеназькі; настановіть гетьманів проти його; наведїть коней, як жалючої сарани.
28Voert volken tegen hem aan voor de heilige strijd: Den koning van Medië, Met zijn landvoogden en alle gebieders, Met heel het land, waarover hij heerst.
28Узброїте проти його народи, царів Мідиї, намісників її, старшини міські, й усю підневолену їй землю.
29Daar beeft en siddert de aarde; Want Jahweh’s plannen tegen Babel worden voltrokken: Om het land van Babel tot een steppe te maken, Waar niemand woont.
29Нехай затруситься й затремтить земля; бо спевняться на Вавилонї задуми Господнї, щоб повернути Вавилона в пустиню безлюдну.
30De helden van Babel staken de strijd, En sluiten zich op in de burchten; Hun moed is verdwenen, vrouwen zijn ze geworden, De krijgers van schrik overmand.
30Невміраки Вавилонські позрікались воюватись, седять без дїла по твердинях своїх, вичерпалась сила в них, побабіли; осади їх попалені, засови їх поламані.
31De ene renner volgt op den ander, Bode na bode, Om den koning van Babel te melden, Dat zijn stad van alle kant is genomen.
31Біжить гонець зустріч другому гонцеві, посел зустріч послові, щоб сповістити цареві Вавилонському, що город його від кінця до кінця опановано;
32Dat de veren bezet zijn De kanalen verdroogd, Zijn paleizen in brand, Zijn grendels gebroken.
32І броди позахоплювано, й трощу по багнах повипалювано, й військові люде в перестраху.
33Want zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Babels dochter is een dorsvloer, Wanneer men dien stampt; Nog een korte tijd, Dan komt haar oogst!
33Так бо говорить Господь Саваот, Бог Ізраїля: Дочка Вавилонська — мов тік під молотьбу; за малий час настануть жнива її.
34De koning van Babel heeft ons verslonden en verteerd, Ons weggegooid als een lege kruik, Als een draak ons naar binnen geslokt, Met onze beste stukken zijn buik gevuld en ons uitgeworpen.
34Навуходонозор, царь Вавилонський, пожерав мене й гриз мене; він зробив із мене порожню посудину; він проковтнув мене, мов той смок; наповнив роскошами моїми своє черево, вигнав мене.
35Mijn gemarteld vlees kome over Babel, Zegt de bevolking van Sion; Mijn bloed over Chaldea’s bewoners, Mag Jerusalem zeggen.
35Зневага моя й тїло моє — на Вавилонї, промовляє осадництво Сионове, й кров моя — на осадниках Вавилонських, каже Ерусалим.
36Daarom spreekt Jahweh: Ik neem het voor u op, en zal u wreken; Zijn zee leg Ik droog, zijn bron put Ik uit.
36Тим же то так говорить Господь: Я вступлюсь за твою справу й помщуся за тебе; висушу море його й повисушую канали його.
37Babel zal een puinhoop worden, een jakhalzen-hol, Een verschrikking en hoon, en zonder bewoners.
37І зробиться Вавилон купою розвалищ, кублами шакалів, страховищем та сьміховищем, без осадників.
38In koor zullen ze brullen als jonge leeuwen, En grommen als leeuwenwelpen;
38Як леви, зарикають всї вони, заскіглять, як левині щенята.
39In hun brandende dorst richt Ik een drinkgelag voor hen aan, En maak ze dronken, tot ze bedwelmd zijn. Dan blijven ze slapen voor eeuwig, En ontwaken niet meer, is de godsspraak van Jahweh;
39Саме тодї, як вони (вином) розгорячаться, справлю їм бенкет, і впою та звеселю їх так, що поснуть сном вічним, і вже не прокинуться, говорить Господь.
40Ik sleep ze ter slachtbank als lammeren, Als rammen en bokken.
40Поведу їх, як ягнята, на заріз, як барани вкупі з козлами.
41Hoe is Sjesjak, de roem van heel de aarde, genomen, veroverd; Hoe is Babel een afschuw onder de volken geworden!
41О, як же впаде Сесах (Вавилон), як звоюють пиху всієї землї! О, як же то Вавилон та зробиться страховищем між народами!
42De zee slaat over Babel heen, Het ligt onder haar bruisende baren bedolven.
42Рине на Вавилон море, покриє його великанськими филями своїми.
43Zijn steden zijn een steppe geworden, Een dorre en verlaten woestijn, Een land, waar niemand woont, Waar geen mens meer doorheen trekt.
43Городи його поробляться пустками, сухою сушею, диким полем, землею, де анї людина не буде жити, нї один чоловік переходити.
44Zo zal Ik Bel in Babel straffen: Ik ruk zijn prooi uit zijn muil; De volken stromen niet meer naar hem heen, De muur van Babel blijft liggen.
44І зроблю конець Вилові в Вавилонї, і вирву з рота його, що він проглинув, і не будуть уже народи напливати до його, бо ж і мури Вавилонські впадуть.
45Er uit, mijn volk, redt allen uw leven Voor de grimmige woede van Jahweh!
45Виходи зпосеред його, мій народе, рятуйте кожне душу свою від палкого гнїву Господнього.
46Houdt moed, en weest niet bevreesd Voor de geruchten in het land, die ge hoort. Want het éne jaar komt het éne gerucht, Het volgend jaar weer een ander: “Geweld in het land, Tyran tegenover tyran!”
46Нехай не млїє серце в вас, і не лякайтесь поголоски, що пійде по землї: Пійде чутка в одному роцї, а потім у другому роцї та ж чутка, й буде насильство на землї, й встане потужний на потужного.
47Waarachtig, de dagen gaan komen, Dat Ik de afgodsbeelden van Babel bestraf, Dat heel zijn land zal stinken Van al zijn lijken, die er op liggen.
47Та воно певне, що настане час, і я навідаю карою ідоли Вавилонські, а вся земля буде посоромлена й усї побиті її поляжуть серед його.
48Dan heffen hemel en aarde met wat ze bevatten Een juichlied aan over Babel, Als uit het noorden de vernielers op hem af zijn gekomen, Is de godsspraak van Jahweh!
48І веселитиметься над Вавилоном небо й земля з усїм, що на них, рушать бо з півночі пустошники на його, говорить Господь.
49Ja, Babel zal vallen Voor Israëls doden, Zoals voor Babel de doden vielen Over heel de aarde.
49Як Вавилон повалював звойованих Ізрайлитян, так само у Вавилонї падати муть побиті з усієї країни.
50Gij, die aan het zwaard zijt ontkomen, Trekt weg, en houdt u niet op; Herinnert u Jahweh in verre gewesten, Denkt aan Jerusalem terug!
50Ви ж, що спаслись од меча! рушайте, не зупиняйтесь; згадуйте звіддалї про Господа й нехай Ерусалим приходить вам на серце.
51Thans staan wij te schande, en horen de smaad, En bedekt de schaamte ons gelaat, Omdat vreemdelingen zijn binnengedrongen In het heiligdom van Jahweh’s huis.
51Сором був нам, коли ми слухали наругу; стид окривав нам лице, як чужинцї напали на сьвятощі Господнього дому.
52Maar waarachtig, de dagen gaan komen, Is de godsspraak van Jahweh, Dat Ik zijn afgodsbeelden zal straffen, Dat de gewonden kermen over heel zijn gebied.
52За се ж ось, приходить час, говорить Господь, що навідаю карою ідолів його, й по всїй землї його стогнати муть поранені.
53Al verheft zich Babel tot de hemel, Al maakt het zijn burcht ontoegankelijk hoog: Ik zend de vernielers op hem af, Is de godsspraak van Jahweh!
53Хоч би Вавилон піднявся під саме небо, та хоч би там на висотї збудував собі твердиню; таки прийдуть від мене пустошники на його, говорить Господь.
54Hoort, gejammer uit Babel, Grote verwoesting in het land der Chaldeën;
54Ой, понесеться голосний крик із Вавилону й гук страшного розпадання з землї Халдейської,
55Want Jahweh heeft Babel vernield, En al zijn drukte verstomd. Daar bruisen hun golven Als machtige wateren, Daar davert reeds hun krijgsgeschreeuw;
55Спустошить бо Господь Вавилон і придушить у йому гордовитий голос. Филями понесуться крики їх, наче великі води, далеко буде роздаватись (розпучливий) їх голос.
56De vernieler valt op Babel aan! Zijn helden gevangen, Zijn bogen in stukken: Want Jahweh is een God der vergelding, Die loon geeft naar werken.
56Бо прийде на його, на Вавилон, опустошник, і будуть спіймані борцї його, поламані їх луки; бо Господь, Бог відплати, дасть йому відплату.
57Ik maak zijn vorsten en wijzen dronken, Zijn landvoogden, bestuurders en helden; Ze slapen voor eeuwig en ontwaken niet meer, Is de godsspraak des Konings: Jahweh der heirscharen is zijn Naam!
57І напою до пяна князїв його й мудрецїв його, намісників його й начальників городських і воінів його; й позасипляють вони сном вічним, та й вже не прокинуться, говорить Царь, — на імя йому Господь Саваот.
58De dikke muren van Babel worden gesloopt tot de grond, Zijn hoge poorten door het vuur verteerd: Zo hebben de volken voor niets gezwoegd, De naties zich afgetobd voor het vuur!
58Так говорить Господь: Широкі мури Вавилонські будуть до самих основ розвалені, а високі ворота його спалені огнем; пусто працювали народи, й люде мучились задля огня.
59De opdracht, die de profeet Jeremias gaf aan Seraja, den zoon van Neri-ja, zoon van Machseja, toen deze namens Sedekias, den koning van Juda, in het vierde jaar zijner regering naar Babel ging. Seraja was schattingbeambte.
59Слово, що заповідав пророк Еремія Сераїї Нирієнкові Маасеєнкові, як сей вибирався в Вавилон із Седекією, царем Юдейським, у четвертому роцї його царювання. Сераїя ж був старший над ложниками (стелачами).
60Jeremias had al de rampen, die Babel zouden treffen, in een boek opgetekend: het waren al de woorden, die hij over Babel geschreven had.
60Списав же Еремія всї злиднї, що мали впасти на Вавилон, ув одній книзї, — все те, що писано про Вавилон.
61Nu zeide Jeremias tot Seraja: Wanneer ge in Babel zijt aangekomen, moet ge al deze woorden hardop lezen.
61І сказав Еремія Сераїї: Як прибудеш у Вавилон, не занедбай прочитати всї цї слова,
62Dan moet ge zeggen: “Jahweh, Gij zelf hebt deze plaats met vernieling bedreigd, zodat er niets, geen mens en geen beest, meer zal wonen, maar het een eeuwige steppe zal zijn!”
62Та й промов: Господи! сам загрозив єси займищу сьому, так його затратити, що не буде в йому нї людини, нї скотини, та що воно буде повсячасною пусткою.
63Zodra ge het boek hebt uitgelezen, moet ge er een steen aan binden, het midden in de Eufraat werpen,
63І як сю книгу прочитаєш, так привяжи до неї камень та й укинь її в середину Евфрату,
64en zeggen: “Zo zal Babel verzinken, en niet weer bovenkomen door het onheil, dat Ik er over uitstort!” Tot zover de woorden van Jeremias.
64І промов: Оттак утоне Вавилон та й не вирине з того нещастя, що пошлю на його. Поти слова Ереміїні (про Вавилон).

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.