Jeremia 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Trekt door Jerusalems straten, Kijkt rond en ziet uit; Zoekt op zijn pleinen, of ge iemand kunt vinden, Nog één die gerechtigheid wil, En waarachtigheid zoekt: Dan zou Ik het sparen!
1Пройдїте по улицях Ерусалимських, озирнїтесь навкруги та роспитуйте й шукайте по всїх майданах: чи знайдете кого, що чинив би суд, щоб допевнявся правди, — я би змилосердився.
2Maar al zeggen ze: “Bij het leven van Jahweh!” ze zweren vals!
2Хоч вони й мовляють: „Як жив Господь!‟ то божяться криво.
3Jahweh, Gij wilt toch waarachtigheid zien? Gij hebt ze geslagen, maar ze sidderen niet; Gij hebt ze vernield, maar ze willen niet leren. Ze verharden hun voorhoofd erger nog dan een kei, En weigeren, zich te bekeren.
3Твої ж, Господи, очі хиба не на правду дивляться? Ти побиваєш їх, та їх наче б не болїло; ти вигублюєш їх, та вони не хочуть знати науки; лиця в їх поробились твердїйшими од каменя — не хотять навернутись.
4Ik dacht: Het zijn de kleinen alleen, die zo dwaas zijn, Omdat ze Jahweh’s weg niet kennen, de dienst van hun God;
4Я думав собі: вони, може бути, люде прості, вони дурні, то ж і не знають путя Господнього, нї закону Божого.
5Ik zal tot de groten gaan spreken, Want zij kennen Jahweh’s weg, de dienst van hun God. Maar ze hebben allemaal samen het juk verbroken, De banden aan flarden gescheurd.
5Пійду ж я до значних та розмовлюсь із ними, бо вони знають Господню путь, закон Бога свого. Та вони всї вкупі ще більш поламали ярмо, порвали ужви.
6Daarom vermoordt hen de leeuw uit het woud, Verslindt hen de wolf uit de steppe, Loert de panter bij hun steden, Wie er uitgaat, wordt verscheurd. Want hun zonden zijn talrijk, Hun afval ontstellend.
6Тим і побє їх лев із лїса, пожере степовий вовк, облягати ме пард міста їх, так що, хто вийде, буде пошматований, бо умножились переступи їх, нема лїку зрадам їх.
7Hoe zou Ik u dit alles vergeven: Uw zonen verlaten Mij, zweren bij al wat geen god is. Ik heb ze verzadigd, zij breken hun trouw, En zwermen naar de bordelen:
7Як же менї за таке простити тебе? Дїти твої покинули мене та й присягаються тими, що — не боги. Я годував їх, вони перелюбкували й купами товпились у доми блудниць.
8Allemaal vette, geile hengsten, Hinnekend achter de vrouw van een ander.
8Вони — годовані жеребцї: кожний рже до чужої жени.
9Zou Ik zo iets niet straffen, spreekt Jahweh; Op zulk een volk Mij niet wreken?
9Хиба ж менї не карати за таке? говорить Господь, чи ж не помститься душа моя на такому народові, як сей?
10Klimt zijn wijnbergen op en gaat ze vernielen, Maar verwoest ze niet voor altoos; Rukt af zijn ranken, Want ze behoren Jahweh niet toe.
10Вилазїте на мури його й розвалюйте — та не до щаду; виривайте парости його, бо вони не Господнї;
11Want het huis van Israël is Mij ontrouw geworden, Met het huis van Juda, spreekt Jahweh!
11Зрадив бо мене дом Ізрайлїв і дом Юдин, говорить Господь.
12Ze hebben tegen Jahweh gelogen, Gezegd: Hij doet immers niets; Over ons komt geen onheil, Wij zullen zwaard noch honger aanschouwen!
12Одцурались вони Господа й мовляли: „Нема його, й не побє нас лиха година, нї меч, нї голоднеча.
13De profeten zijn lucht; Ze hebben geen godsspraak: het zal hunzelf overkomen!
13І пророки говорили на вітер, і слова (Господнього) нема в них; їм самим нехай те станеться.‟
14Daarom spreekt Jahweh der heirscharen: Omdat zijl zulke woorden spreken, Maak Ik mijn woorden in uw mond tot een vuur, En dit volk tot brandhout, dat het verteert!
14Тим же то говорить Господь Бог сил: за те, що провадили ви такі речі, зроблю я слова мої в устах твоїх огнем, а сих людей — дровами, і той огонь пожере їх.
15Zie, Ik laat uit de verte een volk op u los, Huis van Israël: is de godsspraak van Jahweh! Een onverwoestbaar volk, Een eeuwenoud volk, Een volk, waarvan ge de taal niet kent, En de spraak niet verstaat.
15Ось, я напущу на вас, доме Ізраїля, народ здалеку, говорить Господь, народ потужний, народ давнезний, народ, що мови його ти не знаєш, і що він говорить, ти незрозумієш.
16Zijn strot gelijkt op een open graf, Het is een leger van helden:
16Сагайдак у його, як гріб розтворений, а всї вони — самі невміраки.
17Het verslindt uw oogst en uw brood, Het verslindt uw zonen en dochters; Het verslindt uw kudde en vee, Het verslindt uw wingerd en vijg. Het verwoest uw vestingen, Waarop ge vertrouwt, Te vuur en te zwaard:
17І повиїдають вони вроджай твій і зерно твоє; зʼїдять синів твоїх і дочок твоїх; вівцї твої й товар твій; виноградину твою й смокви твої; утверджені городи твої, що на їх уповаєш, вони мечем звоюють.
18Al zal Ik dan ook in die dagen U niet voor immer verdelgen: Is de godsspraak van Jahweh!
18Але й у ті часи, говорить Господь, не вигублю вас до щаду.
19Maar als ze dan vragen: Waarom heeft Jahweh, onze God, ons dit alles gedaan? Dan zult ge hun zeggen: Zoals ge Mij hebt verlaten, En vreemde goden in uw land hebt gediend, Moet ge vreemden dienen in een land, dat het uwe niet is!
19Коли ж мовляти мете: За що вдїяв нам се все Господь, Бог наш? то відкажи їм: Що ви мене покинули та й служили чужим богам у своїй землї, за те будете служити чужим у землї не вашій.
20Verkondigt het in het huis van Jakob, En meldt het in Juda:
20Оповістїть се в дому Якововому й звістїть в Юдеї, кажучи:
21Hoort dit eens goed, Gij dwaas en harteloos volk, Dat ogen heeft, maar niet ziet, Dat oren heeft, maar niet hoort.
21Слухайте, дурні й нерозсудливі люде, що маєте очі, та не бачите, маєте уші, та не чуєте:
22Mij wilt ge niet vrezen, zegt Jahweh; Voor mijn aanschijn niet beven? Ik, die de duinen gezet heb als grens voor de zee, Een slagboom voor eeuwig, die ze niet overschrijdt; Al klotsen haar golven, ze blijven onmachtig, Hoe ze ook stormen, ze slaan er niet over.
22Чи вже ж ви та не боїтесь мене, говорить Господь, чи й передо мною не затремтите? Я ж положив морю гряницею піски, вічною гряницею, яку воно не переступить; і хоч филї його напирають, та годї їм перемогти; хоч вони бурхають, та не здолїють перейти.
23Maar dit volk heeft een bandeloos en onhandelbaar hart; Ze vallen maar af, en lopen maar weg.
23А в людей сих серце бутне й ворохобне; відступили та й пійшли манівцем.
24Ze denken niet eens bij zichzelf: Laat ons Jahweh toch vrezen, onzen God, Die ons regen schenkt op zijn tijd, in herfst en in lente, Die ons trouw vaste weken brengt voor de oogst.
24Не подумали ж у серцї свойму: Біймося Господа Бога нашого, що дає нам свого часу дощ раннїй і пізнїй, що порядкує тижнями, призначеними на жнива.
25Uw misdaden hebben dit alles verstoord, Uw zonden u van die gunsten beroofd!
25Се ж провини ваші відхилили те, се ваші гріхи відняли вам те добро.
26Want er zijn schurken onder mijn volk, Die in hinderlaag liggen, als vogelaars loeren; Die strikken zetten, Om mensen te vangen.
26Бо між людьми моїми знаходяться безбожні: залягають, як птахоловцї, припадають до землї, наставляють сїти, щоб ловити людей.
27Als een mand vol vogels, Zijn hun huizen gepropt met oneerlijk goed. Zo zijn ze machtig en rijk geworden,
27Мов клїтка, повна птиць, так повно в їх домівках оманного заробітку; сим робом і поробились вони великими й заможними,
28En glimmen van vet; De boosheid puilt van hen uit Ze kennen geen recht. Voor de wezen pleiten ze niet, Ze nemen het niet voor de armen op!
28Потовстїли й погрубшали, а в лихому попереступали всяку міру; не розбирають справ на судї, справ безбатченків; самі упливають в добрі, а справедливому дїлу вбогих не помагають на судї.
29En zou Ik dit alles niet straffen: Is de godsspraak van Jahweh; Op zulk een volk Mij niet willen wreken?
29Чи не покараю ж я за таке, говорить Господь, і не помститься серце моє на такому народові, як сей?
30Ontzettende en gruwelijke dingen Gebeuren er in het land:
30Чудні й страшні речі дїються в сїй землї:
31De profeten profeteren maar leugens, De priesters regeren voor hun eigen belang. Zo heeft mijn volk het gewild; Maar wat zult ge doen, als het einde komt?
31Пророки пророкують лож, сьвященники за їх підмогою управляють, а люд мій любить се. Що ж ви чинити мете, як настане тому кінець?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.