Jeremia
Chapter 14
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord, dat Jahweh tot Jeremias richtte naar aanleiding van de droogte:
1Слово Господнє, що надійшло до Еремії під час великої засухи:
2Juda treurt, Zijn poorten versmachten, En liggen in rouw op de grond. Een jammerklacht stijgt uit Jerusalem op!
2Плаче Юда, ворота його розпались, почорнїли на землї, а розпучливі клики роздаються в Ерусалимі.
3De rijken zenden hun knechten om water, Ze gaan naar de putten, maar vinden het niet. Met lege kruiken keren ze terug, Beschaamd en verlegen, het hoofd bedekt.
3Можні посилають слугів своїх по воду; вони приходять до криниць, та й не знаходять води; вертаються з порожньою посудиною, туманїють, застиджені й покривають собі голову (в розпуцї).
4De akkerbouw is gestaakt, Want op het veld valt geen regen; Beschaamd staan de boeren, En bedekken hun hoofd.
4Потріскалась од спеки земля, бо не було дощу; хлїбороби сумують і покривають собі голови.
5Ja, zelfs de hinde op het veld, Die haar jong heeft geworpen; Laat het in de steek, Omdat er geen gras is.
5Ба й сугачка (ланя) роджає в полі, та й кидає своє маленьке, бо нема травицї.
6De wilde ezels staan op de klippen, Naar lucht te happen als jakhalzen; Hun ogen versmachten, Omdat er geen groen is.
6Дикі осли стоять по горах, вдихаючи, мов шакалі, вітерець; потухли очі в їх, бо нема трави.
7Al klagen onze zonden ons aan, Ach Jahweh, geef uitkomst terwille van uw Naam! Ja, talloos zijn onze schulden, Waarmee wij tegen U hebben misdaan:
7Хоч наші лиходїйства сьвідкують проти нас, та ти, Господи, вчини з нами ласку задля імені твого, зрада бо наша велика, ми согрішили перед тобою.
8Tegen Jahweh, Israëls Hoop, Zijn Redder in tijden van nood! Waarom zoudt Gij als een vreemdeling zijn in het land, Als een reiziger, die alleen overnacht?
8Ой надїє Ізрайлева, ти, спасе його в нуждї! Чом ти — нїби чужинець у сїй землї, наче переходень, що зайшов, аби переночувати?
9Waarom zoudt Gij staan als een hulpeloos man, Als een held, die de kracht mist tot redding? Gij zijt toch in ons midden, o Jahweh; Wij dragen uw Naam: verlaat ons niet!
9Чого се ти — мов перелякана людина, мов той воївник, що не здолїє помогти? Та ж ти проміж нами, Господи, й ми звемось імям твоїм; не покидай же нас?
10Maar zo spreekt Jahweh over dit volk: Ze hielden zoveel van losbandig leven. En rusteloos waren hun voeten. Maar nu houdt Jahweh niet langer van hen, Maar gedenkt Hij hun schuld, En vergeldt Hij hun zonden.
10Господь же так говорить сьому людові: За те, що вони люблять блукати, не впиняють ніг своїх, за те Господь не любить їх; за те він пригадує їм тепер провини їх і карає гріхи їх.
11En Jahweh zeide tot mij: Smeek geen genade voor dit volk!
11І сказав до мене Господь: Шкода молитись тобі за сей люд, щоб йому добре було.
12Al vasten ze ook: Ik luister niet naar hun bidden; Al dragen ze brandoffers op, Of spijsoffers: Ik wil ze niet meer! Neen, met zwaard en honger en pest Maak Ik ze af!
12Як будуть вони постити, я не вважати му на їх мольби, та й як приносити муть усепалення й хлїбові жертви, я не прийму їх. Нї, мечем і голодом, і мором вигублю їх.
13Ik zeide: Ach Jahweh, mijn Heer! Zie, de profeten zeggen hun toch: Geen zwaard zult ge zien, Geen hongersnood lijden; Maar Ik zal u bestendige vrede geven In deze plaats!
13І промовив я: Ой Господи Боже! пророки ж говорять їм: Не побачите меча, та й голоду не буде в вас, а повсячасний мир дам вам на сьому місцї.
14Maar Jahweh zeide tot mij: Leugens voorspellen ze in mijn Naam, die profeten! Ik zond ze niet, heb hun geen opdracht gegeven, En tot hen niet gesproken. Leugen-visioenen, waan-orakels, En eigen verzinsels: Dat profeteren ze u!
14Господь же відказав менї: ті пророки лож пророкують в імя моє. Не посилав я їх і не повелївав їм, і не говорив до них; вони пророкують вам ложні видива, віщування та пусті мрії серця свого.
15Daarom spreekt Jahweh over die profeten: Die in mijn Naam profeteren, Al zond Ik ze niet; En die durven zeggen, Geen zwaard en geen honger teistert dit land: Door het zwaard en de honger zullen ze sterven, Die leugen-profeten!
15Тим то так говорить Господь про сї пророки; вони пророкують імям моїм, а я не посилав їх; вони провадять: Нї меч, нї голод не вдарить сієї землї; за те од меча й голоду погинуть сї пророки;
16En het volk, waarvoor zij profeteren, Zal in Jerusalems straten worden geworpen Door de hongersnood en het zwaard, En niemand zal het begraven. Op hen, op hun vrouwen, hun zonen en dochters, Stort Ik hun eigen boosheid uit!
16Та й люде, що їм пророкують вони, поляжуть по улицях Ерусалимських од голоднечі й меча, й нїкому буде ховати їх, — самі вони, жени їх, сини їх і дочки їх, і вилию на них ледарство їх.
17Dit moet ge hun zeggen: Mijn ogen stromen van tranen Nacht en dag, en vinden geen rust; Want met een vreselijke ramp Is de jonkvrouw geslagen, De dochter van mijn volk Met een smartelijke wonde.
17Ти ж промов до них се слово: Нехай же проливають очі мої сльози день і ніч без упину, тяжким бо ударом побита буде дївиця, дочка люду мого, болючим ударом.
18Ga ik het veld in: Daar liggen ze, vermoord door het zwaard; Kom ik in de stad: Uitgemergeld door de honger; Zelfs profeet en priester Lopen radeloos rond door het land.
18Вийду в поле, аж се побиті мечем; увійду в місто, аж тут — умлїваючі від голоду; й пророки й сьвященники тиняються по країнї, що не знають її.
19Hebt Gij dan Juda voor altoos verworpen, Hebt Gij zo’n afkeer van Sion? Ach, waarom slaat Gij ons toch, Waarom is er geen genezing voor ons? Wij hopen op vrede: geen zegen, Op een tijd van genezing: ontzetting!
19Хиба ж ти відопхнув зовсїм Юду? Хиба ж гидує душа твоя Сионом? Чом же побив єси нас так, що нема нам лїку? Ждемо миру, та нема добра; ждемо одужання, — аж се трівога.
20Ach Jahweh, wij erkennen onze misdaad, En de schuld onzer vaderen: Ja, wij hebben gezondigd tegen U!
20Признаємось, Господи, в нашій безбожностї, і в провині батьків наших, що ми согрішили перед тобою.
21Verwerp ons niet terwille van uw Naam, Geef de Zetel uwer Glorie niet prijs; Gedenk uw Verbond met ons, en verbreek het toch niet!
21Не відпихай же нас задля імені твого; не зневажай престола величі твоєї; спогадай, не розривай завіту твого з нами!
22Zijn er onder de goden der heidenen, die ‘t laten regenen, Of kan de hemel soms buien geven? Zijt Gij het niet alleen, o Jahweh, onze God, Op wien wij nog hopen, Omdat Gij dit alles verricht?
22Чи то ж є між марними богами поганськими такі, щоб дощ спускали? чи то ж небо само собою дає дощ? Хиба ж се не ти, Господи, Боже наш? На тебе ми вповаємо, бо ти все те твориш.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.