Jeremia 49
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Over de Ammonieten. Zo spreekt Jahweh: Heeft Israël zelf geen kinderen, Heeft het geen erfgenaam meer? Waarom heeft Milkom dan Gad verdrongen, Zijn volk zich in diens steden gezet?
1Sur les enfants d’Ammon. Ainsi parle l’Éternel: Israël n’a-t-il point de fils? N’a-t-il point d’héritier? Pourquoi Malcom possède-t-il Gad, Et son peuple habite-t-il ses villes?
2Daarom gaan de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh: Dat Ik tegen Rabbat-Ammon Het krijgsrumoer laat weergalmen. Het zal een woeste puinhoop worden, Zijn dochtersteden zullen worden verbrand; Dan zal Israël verdringen, die hém verdrongen, Spreekt Jahweh!
2C’est pourquoi voici, les jours viennent, dit l’Éternel, Où je ferai retentir le cri de guerre contre Rabbath des enfants d’Ammon; Elle deviendra un monceau de ruines, Et les villes de son ressort seront consumées par le feu; Alors Israël chassera ceux qui l’avaient chassé, dit l’Éternel.
3Jammer, Chesjbon; want de stad is verwoest; Kermt, dochtersteden van Rabba, Doet een zak om uw lenden en klaagt, Loopt radeloos in de schaapskooien rond: Want Milkom zal in ballingschap gaan, Tegelijk met zijn priesters en vorsten!
3Pousse des gémissements, Hesbon, car Aï est ravagée! Poussez des cris, filles de Rabba, revêtez-vous de sacs, Lamentez-vous, et courez çà et là le long des murailles! Car Malcom s’en va en captivité, Avec ses prêtres et avec ses chefs.
4Wat pocht ge op uw valleien, Op de overvloed van uw dalen, opstandige dochter; Wat durft ge op uw schatten vertrouwen, En zeggen: Wie kan mij bereiken?
4Pourquoi te glorifies-tu de tes vallées? Ta vallée se fond, fille rebelle, Qui te confiais dans tes trésors: Qui viendra contre moi?
5Ik ga verschrikking over u brengen, Is de godsspraak des Heren, Van Jahweh der heirscharen: Van alle kant om u heen. Een voor een wordt gij allen verstrooid, En niemand brengt die zwervers bijeen;
5Voici, je fais venir sur toi la terreur, Dit le Seigneur, l’Éternel des armées, Elle viendra de tous tes alentours; Chacun de vous sera chassé devant soi, Et nul ne ralliera les fuyards.
6Eerst later zal Ik het lot van de zonen van Ammon Ten beste keren, is de godsspraak van Jahweh!
6Mais après cela, je ramènerai les captifs des enfants d’Ammon, Dit l’Éternel.
7Over Edom. Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Is er geen wijsheid meer in Teman, Is het met het beleid der verstandigen uit, Is hun doorzicht spoorloos verdwenen?
7Sur Édom. Ainsi parle l’Éternel des armées: N’y a-t-il plus de sagesse dans Théman? La prudence a-t-elle disparu chez les hommes intelligents? Leur sagesse s’est-elle évanouie?
8Vlucht, loopt weg, verschuilt u diep, Bewoners van Dedan; Want Ik ga onheil over Esau brengen, In de tijd van zijn straf.
8Fuyez, tournez le dos, retirez-vous dans les cavernes, Habitants de Dedan! Car je fais venir le malheur sur Ésaü, Le temps de son châtiment.
9Ja, wijnlezers komen op u af, Geen tros laten ze hangen; Dieven komen in de nacht, En roven, zoveel ze kunnen.
9Si des vendangeurs viennent chez toi, Ne laissent-ils rien à grappiller? Si des voleurs viennent de nuit, Ils ne dévastent que ce qu’ils peuvent.
10Want zelf heb Ik Esau ontbloot, Zijn schuilhoeken opengelegd; Hij kan zich niet langer verbergen, Uitgeroeid wordt zijn kroost. Onder zijn broeders en buren Is niemand, die helpt, of die zegt:
10Mais moi, je dépouillerai Ésaü, Je découvrirai ses retraites, Il ne pourra se cacher; Ses enfants, ses frères, ses voisins, périront, Et il ne sera plus.
11Uw wezen zal Ik verzorgen, Uw weduwen mogen op Mij vertrouwen.
11Laisse tes orphelins, je les ferai vivre, Et que tes veuves se confient en moi!
12Want zo spreekt Jahweh: Die de beker niet hoefden te drinken, hebben gedronken; En gij zoudt blijven gespaard: Neen, ook gij zult hem drinken!
12Car ainsi parle l’Éternel: Voici, ceux qui ne devaient pas boire la coupe la boiront; Et toi, tu resterais impuni! Tu ne resteras pas impuni, Tu la boiras.
13Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, Is de godsspraak van Jahweh: Bosra zal ten afschrik worden, een hoon en een vloek, Al zijn steden een puinhoop voor eeuwig!
13Car je le jure par moi-même, dit l’Éternel, Botsra sera un objet de désolation, d’opprobre, De dévastation et de malédiction, Et toutes ses villes deviendront des ruines éternelles.
14Een tijding heb Ik van Jahweh vernomen, Een bode is onder de volken gezonden: Verzamelt u, en rukt op hem af, Op, tot de strijd!
14J’ai appris de l’Éternel une nouvelle, Et un messager a été envoyé parmi les nations: Assemblez-vous, et marchez contre elle! Levez-vous pour la guerre!
15Waarachtig, klein maak Ik u onder de volken, Verachtelijk onder de mensen;
15Car voici, je te rendrai petit parmi les nations, Méprisé parmi les hommes.
16Uw hoogmoed heeft u bedrogen, Met de overmoed van uw hart. Gij, die in rotskloven woont, En de steilste toppen bezet: Al bouwt ge uw nest zo hoog als de arend, Ik haal u omlaag, is de godsspraak van Jahweh!
16Ta présomption, l’orgueil de ton cœur t’a égaré, Toi qui habites le creux des rochers, Et qui occupes le sommet des collines. Quand tu placerais ton nid aussi haut que celui de l’aigle, Je t’en précipiterai, dit l’Éternel.
17Edom zal ten afschrik worden; En ieder, die er doorheen trekt, Zal zich verbazen en blazen Over al zijn rampen.
17Édom sera un objet de désolation; Tous ceux qui passeront près de lui Seront dans l’étonnement et siffleront sur toutes ses plaies.
18Zoals Sodoma en Gomorra werden verwoest, Met hun zustersteden, zegt Jahweh: Zo zal er niemand wonen, Geen mensenkind er vertoeven.
18Comme Sodome et Gomorrhe et les villes voisines, qui furent détruites, Dit l’Éternel, Il ne sera plus habité, Il ne sera le séjour d’aucun homme…
19Zie, zoals een leeuw uit het kreupelhout van de Jordaan Naar de altijd groene weide schiet: Zo jaag Ik het plotseling daaruit weg, En stel er over aan, wien Ik wil. Want wie is Mij gelijk, Wie durft Mij rekenschap vragen; En wie is de herder, Die Mij kan weerstaan?
19Voici, tel qu’un lion, il monte des rives orgueilleuses du Jourdain Contre la demeure forte; Soudain j’en ferai fuir Édom, Et j’établirai sur elle celui que j’ai choisi. Car qui est semblable à moi? qui me donnera des ordres? Et quel est le chef qui me résistera?
20Hoort dus het besluit van Jahweh, Dat Hij over Edom nam, De plannen, die Hij beraamde Over de bewoners van Teman. Waarachtig, als kleine schaapjes sleurt men ze weg, Ja, hun weide zal van hen schrikken;
20C’est pourquoi écoutez la résolution que l’Éternel a prise contre Édom, Et les desseins qu’il a conçus contre les habitants de Théman! Certainement on les traînera comme de faibles brebis, Certainement on ravagera leur demeure.
21De aarde beeft van het gedreun van hun val, Hun jammeren klinkt tot de Rode Zee.
21Au bruit de leur chute, la terre tremble; Leur cri se fait entendre jusqu’à la mer Rouge…
22Zie, als een adelaar stijgt hij op, en schiet toe, Slaat zijn vleugels uit naar hun land: Op die dag wordt het hart van Edoms helden Als het hart van een vrouw in haar weeën!
22Voici, comme l’aigle il s’avance, il vole, Il étend ses ailes sur Botsra, Et le cœur des héros d’Édom est en ce jour Comme le cœur d’une femme en travail.
23Over Damascus. Chamat en Arpad staan beschaamd, Want ze hebben een droeve tijding vernomen, Onrustig zijn ze als een woelige zee, En kunnen maar niet bedaren.
23Sur Damas. Hamath et Arpad sont confuses, Car elles ont appris une mauvaise nouvelle, elles tremblent; C’est une mer en tourmente, Qui ne peut se calmer.
24Damascus, radeloos Slaat op de vlucht; Het is bevangen van schrik, Angst en weeën grijpen het aan als een barende vrouw.
24Damas est défaillante, elle se tourne pour fuir, Et l’effroi s’empare d’elle; L’angoisse et les douleurs la saisissent, Comme une femme en travail.
25Hoe ligt zij verlaten, de roemrijke stad, De vrolijke vesting!
25Ah! Elle n’est pas abandonnée, la ville glorieuse, La ville qui fait ma joie!
26Zo vallen zijn jongemannen neer, Met al zijn strijders op straat; Ze komen om op die dag: Is de godsspraak van Jahweh!
26C’est pourquoi ses jeunes gens tomberont dans les rues, Et tous ses hommes de guerre périront en ce jour, Dit l’Éternel des armées.
27Ik heb vuur aan de muren van Damascus gelegd, Dat Ben-Hadads paleizen verslindt.
27Je mettrai le feu aux murs de Damas, Et il dévorera les palais de Ben-Hadad.
28Over Kedar en de koninkrijken van Chasor, die Nabukodonosor, de koning van Babel, verslagen heeft. Zo spreekt Jahweh: Op, rukt tegen Kedar uit, Plundert de zonen van het oosten leeg!
28Sur Kédar et les royaumes de Hatsor, que battit Nebucadnetsar, roi de Babylone. Ainsi parle l’Éternel: Levez-vous, montez contre Kédar, Et détruisez les fils de l’Orient!
29Men neme hun tenten en kudde mee, Hun zeilen met al hun gerief; Men berove ze van hun kamelen, En roepe ze toe: Verschrikking alom!
29On prendra leurs tentes et leurs troupeaux, On enlèvera leurs pavillons, tous leurs bagages et leurs chameaux, Et l’on jettera de toutes parts contre eux des cris d’épouvante.
30Vlucht, loopt weg, verschuilt u diep, Bewoners van Chasor, Is de godsspraak van Jahweh. Want Nabukodonosor, de koning van Babel, Heeft tegen u een plan beraamd, Een aanslag gesmeed.
30Fuyez, fuyez de toutes vos forces, cherchez à l’écart une demeure, Habitants de Hatsor! Dit l’Éternel; Car Nebucadnetsar, roi de Babylone, a pris une résolution contre vous, Il a conçu un projet contre vous.
31Op, rukt uit tegen een zorgeloos volk, Dat zich veilig waant, is de godsspraak van Jahweh; Dat deuren noch grendels bezit, En in de eenzaamheid woont.
31Levez-vous, montez contre une nation tranquille, En sécurité dans sa demeure, dit l’Éternel; Elle n’a ni portes, ni barres, Elle habite solitaire.
32Hun kamelen worden uw buit, Hun talrijke kudde uw prooi. Naar alle winden ga Ik die geschoren slapen verstrooien, Van alle kant het verderf op hen brengen, spreekt Jahweh!
32Leurs chameaux seront au pillage, Et la multitude de leurs troupeaux sera une proie; Je les disperserai à tous les vents, ceux qui se rasent les coins de la barbe, Et je ferai venir leur ruine de tous les côtés, dit l’Éternel.
33Chasor zal een hol van jakhalzen worden, Een steppe voor eeuwig; Niemand zal er wonen, Geen mensenkind er vertoeven.
33Hatsor sera le repaire des chacals, un désert pour toujours; Personne n’y habitera, aucun homme n’y séjournera.
34Het woord van Jahweh, dat tot den profeet Jeremias over Elam gericht werd in het begin der regering van Sedekias, den koning van Juda.
34La parole de l’Éternel qui fut adressée à Jérémie, le prophète, sur Élam, au commencement du règne de Sédécias, roi de Juda, en ces mots:
35Zo spreekt Jahweh der heirscharen: Zie, Ik breek de boog van Elam aan stukken, De keur van zijn kracht.
35Ainsi parle l’Éternel des armées: Voici, je vais briser l’arc d’Élam, Sa principale force.
36De vier winden laat Ik op Elam los Uit de vier hoeken van de hemel; Ik ga ze verspreiden naar al die winden, Geen volk zal er zijn, waar Elams verstrooiden niet komen.
36Je ferai venir sur Élam quatre vents des quatre extrémités du ciel, Je les disperserai par tous ces vents, Et il n’y aura pas une nation Où n’arrivent des fugitifs d’Élam.
37Ik laat Elam voor zijn vijanden beven, En voor hen, die zijn leven belagen; Ik ga rampen over hen brengen: Mijn grimmige toorn, is de godsspraak van Jahweh; Ik zend hun het zwaard achterna, Tot Ik ze geheel heb vernield!
37Je ferai trembler les habitants d’Élam devant leurs ennemis Et devant ceux qui en veulent à leur vie, J’amènerai sur eux des malheurs, Mon ardente colère, dit l’Éternel, Et je les poursuivrai par l’épée, Jusqu’à ce que je les aie anéantis.
38Dan richt Ik mijn troon in Elam op, En roei daar koning en vorsten uit, Is de godsspraak van Jahweh.
38Je placerai mon trône dans Élam, Et j’en détruirai le roi et les chefs, Dit l’Éternel.
39Eerst op het einde der dagen Keer Ik het lot van Elam ten beste, Is de godsspraak van Jahweh!
39Mais dans la suite des temps, je ramènerai les captifs d’Élam, Dit l’Éternel.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.