Jeremia
Chapter 49
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Modern Hebrew Bible
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Over de Ammonieten. Zo spreekt Jahweh: Heeft Israël zelf geen kinderen, Heeft het geen erfgenaam meer? Waarom heeft Milkom dan Gad verdrongen, Zijn volk zich in diens steden gezet?
1לבני עמון כה אמר יהוה הבנים אין לישראל אם יורש אין לו מדוע ירש מלכם את גד ועמו בעריו ישב׃
2Daarom gaan de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh: Dat Ik tegen Rabbat-Ammon Het krijgsrumoer laat weergalmen. Het zal een woeste puinhoop worden, Zijn dochtersteden zullen worden verbrand; Dan zal Israël verdringen, die hém verdrongen, Spreekt Jahweh!
2לכן הנה ימים באים נאם יהוה והשמעתי אל רבת בני עמון תרועת מלחמה והיתה לתל שממה ובנתיה באש תצתנה וירש ישראל את ירשיו אמר יהוה׃
3Jammer, Chesjbon; want de stad is verwoest; Kermt, dochtersteden van Rabba, Doet een zak om uw lenden en klaagt, Loopt radeloos in de schaapskooien rond: Want Milkom zal in ballingschap gaan, Tegelijk met zijn priesters en vorsten!
3הילילי חשבון כי שדדה עי צעקנה בנות רבה חגרנה שקים ספדנה והתשוטטנה בגדרות כי מלכם בגולה ילך כהניו ושריו יחדיו׃
4Wat pocht ge op uw valleien, Op de overvloed van uw dalen, opstandige dochter; Wat durft ge op uw schatten vertrouwen, En zeggen: Wie kan mij bereiken?
4מה תתהללי בעמקים זב עמקך הבת השובבה הבטחה באצרתיה מי יבוא אלי׃
5Ik ga verschrikking over u brengen, Is de godsspraak des Heren, Van Jahweh der heirscharen: Van alle kant om u heen. Een voor een wordt gij allen verstrooid, En niemand brengt die zwervers bijeen;
5הנני מביא עליך פחד נאם אדני יהוה צבאות מכל סביביך ונדחתם איש לפניו ואין מקבץ לנדד׃
6Eerst later zal Ik het lot van de zonen van Ammon Ten beste keren, is de godsspraak van Jahweh!
6ואחרי כן אשיב את שבות בני עמון נאם יהוה׃
7Over Edom. Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Is er geen wijsheid meer in Teman, Is het met het beleid der verstandigen uit, Is hun doorzicht spoorloos verdwenen?
7לאדום כה אמר יהוה צבאות האין עוד חכמה בתימן אבדה עצה מבנים נסרחה חכמתם׃
8Vlucht, loopt weg, verschuilt u diep, Bewoners van Dedan; Want Ik ga onheil over Esau brengen, In de tijd van zijn straf.
8נסו הפנו העמיקו לשבת ישבי דדן כי איד עשו הבאתי עליו עת פקדתיו׃
9Ja, wijnlezers komen op u af, Geen tros laten ze hangen; Dieven komen in de nacht, En roven, zoveel ze kunnen.
9אם בצרים באו לך לא ישארו עוללות אם גנבים בלילה השחיתו דים׃
10Want zelf heb Ik Esau ontbloot, Zijn schuilhoeken opengelegd; Hij kan zich niet langer verbergen, Uitgeroeid wordt zijn kroost. Onder zijn broeders en buren Is niemand, die helpt, of die zegt:
10כי אני חשפתי את עשו גליתי את מסתריו ונחבה לא יוכל שדד זרעו ואחיו ושכניו ואיננו׃
11Uw wezen zal Ik verzorgen, Uw weduwen mogen op Mij vertrouwen.
11עזבה יתמיך אני אחיה ואלמנתיך עלי תבטחו׃
12Want zo spreekt Jahweh: Die de beker niet hoefden te drinken, hebben gedronken; En gij zoudt blijven gespaard: Neen, ook gij zult hem drinken!
12כי כה אמר יהוה הנה אשר אין משפטם לשתות הכוס שתו ישתו ואתה הוא נקה תנקה לא תנקה כי שתה תשתה׃
13Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, Is de godsspraak van Jahweh: Bosra zal ten afschrik worden, een hoon en een vloek, Al zijn steden een puinhoop voor eeuwig!
13כי בי נשבעתי נאם יהוה כי לשמה לחרפה לחרב ולקללה תהיה בצרה וכל עריה תהיינה לחרבות עולם׃
14Een tijding heb Ik van Jahweh vernomen, Een bode is onder de volken gezonden: Verzamelt u, en rukt op hem af, Op, tot de strijd!
14שמועה שמעתי מאת יהוה וציר בגוים שלוח התקבצו ובאו עליה וקומו למלחמה׃
15Waarachtig, klein maak Ik u onder de volken, Verachtelijk onder de mensen;
15כי הנה קטן נתתיך בגוים בזוי באדם׃
16Uw hoogmoed heeft u bedrogen, Met de overmoed van uw hart. Gij, die in rotskloven woont, En de steilste toppen bezet: Al bouwt ge uw nest zo hoog als de arend, Ik haal u omlaag, is de godsspraak van Jahweh!
16תפלצתך השיא אתך זדון לבך שכני בחגוי הסלע תפשי מרום גבעה כי תגביה כנשר קנך משם אורידך נאם יהוה׃
17Edom zal ten afschrik worden; En ieder, die er doorheen trekt, Zal zich verbazen en blazen Over al zijn rampen.
17והיתה אדום לשמה כל עבר עליה ישם וישרק על כל מכותה׃
18Zoals Sodoma en Gomorra werden verwoest, Met hun zustersteden, zegt Jahweh: Zo zal er niemand wonen, Geen mensenkind er vertoeven.
18כמהפכת סדם ועמרה ושכניה אמר יהוה לא ישב שם איש ולא יגור בה בן אדם׃
19Zie, zoals een leeuw uit het kreupelhout van de Jordaan Naar de altijd groene weide schiet: Zo jaag Ik het plotseling daaruit weg, En stel er over aan, wien Ik wil. Want wie is Mij gelijk, Wie durft Mij rekenschap vragen; En wie is de herder, Die Mij kan weerstaan?
19הנה כאריה יעלה מגאון הירדן אל נוה איתן כי ארגיעה אריצנו מעליה ומי בחור אליה אפקד כי מי כמוני ומי יעידני ומי זה רעה אשר יעמד לפני׃
20Hoort dus het besluit van Jahweh, Dat Hij over Edom nam, De plannen, die Hij beraamde Over de bewoners van Teman. Waarachtig, als kleine schaapjes sleurt men ze weg, Ja, hun weide zal van hen schrikken;
20לכן שמעו עצת יהוה אשר יעץ אל אדום ומחשבותיו אשר חשב אל ישבי תימן אם לא יסחבום צעירי הצאן אם לא ישים עליהם נוהם׃
21De aarde beeft van het gedreun van hun val, Hun jammeren klinkt tot de Rode Zee.
21מקול נפלם רעשה הארץ צעקה בים סוף נשמע קולה׃
22Zie, als een adelaar stijgt hij op, en schiet toe, Slaat zijn vleugels uit naar hun land: Op die dag wordt het hart van Edoms helden Als het hart van een vrouw in haar weeën!
22הנה כנשר יעלה וידאה ויפרש כנפיו על בצרה והיה לב גבורי אדום ביום ההוא כלב אשה מצרה׃
23Over Damascus. Chamat en Arpad staan beschaamd, Want ze hebben een droeve tijding vernomen, Onrustig zijn ze als een woelige zee, En kunnen maar niet bedaren.
23לדמשק בושה חמת וארפד כי שמעה רעה שמעו נמגו בים דאגה השקט לא יוכל׃
24Damascus, radeloos Slaat op de vlucht; Het is bevangen van schrik, Angst en weeën grijpen het aan als een barende vrouw.
24רפתה דמשק הפנתה לנוס ורטט החזיקה צרה וחבלים אחזתה כיולדה׃
25Hoe ligt zij verlaten, de roemrijke stad, De vrolijke vesting!
25איך לא עזבה עיר תהלה קרית משושי׃
26Zo vallen zijn jongemannen neer, Met al zijn strijders op straat; Ze komen om op die dag: Is de godsspraak van Jahweh!
26לכן יפלו בחוריה ברחבתיה וכל אנשי המלחמה ידמו ביום ההוא נאם יהוה צבאות׃
27Ik heb vuur aan de muren van Damascus gelegd, Dat Ben-Hadads paleizen verslindt.
27והצתי אש בחומת דמשק ואכלה ארמנות בן הדד׃
28Over Kedar en de koninkrijken van Chasor, die Nabukodonosor, de koning van Babel, verslagen heeft. Zo spreekt Jahweh: Op, rukt tegen Kedar uit, Plundert de zonen van het oosten leeg!
28לקדר ולממלכות חצור אשר הכה נבוכדראצור מלך בבל כה אמר יהוה קומו עלו אל קדר ושדדו את בני קדם׃
29Men neme hun tenten en kudde mee, Hun zeilen met al hun gerief; Men berove ze van hun kamelen, En roepe ze toe: Verschrikking alom!
29אהליהם וצאנם יקחו יריעותיהם וכל כליהם וגמליהם ישאו להם וקראו עליהם מגור מסביב׃
30Vlucht, loopt weg, verschuilt u diep, Bewoners van Chasor, Is de godsspraak van Jahweh. Want Nabukodonosor, de koning van Babel, Heeft tegen u een plan beraamd, Een aanslag gesmeed.
30נסו נדו מאד העמיקו לשבת ישבי חצור נאם יהוה כי יעץ עליכם נבוכדראצר מלך בבל עצה וחשב עליהם מחשבה׃
31Op, rukt uit tegen een zorgeloos volk, Dat zich veilig waant, is de godsspraak van Jahweh; Dat deuren noch grendels bezit, En in de eenzaamheid woont.
31קומו עלו אל גוי שליו יושב לבטח נאם יהוה לא דלתים ולא בריח לו בדד ישכנו׃
32Hun kamelen worden uw buit, Hun talrijke kudde uw prooi. Naar alle winden ga Ik die geschoren slapen verstrooien, Van alle kant het verderf op hen brengen, spreekt Jahweh!
32והיו גמליהם לבז והמון מקניהם לשלל וזרתים לכל רוח קצוצי פאה ומכל עבריו אביא את אידם נאם יהוה׃
33Chasor zal een hol van jakhalzen worden, Een steppe voor eeuwig; Niemand zal er wonen, Geen mensenkind er vertoeven.
33והיתה חצור למעון תנים שממה עד עולם לא ישב שם איש ולא יגור בה בן אדם׃
34Het woord van Jahweh, dat tot den profeet Jeremias over Elam gericht werd in het begin der regering van Sedekias, den koning van Juda.
34אשר היה דבר יהוה אל ירמיהו הנביא אל עילם בראשית מלכות צדקיה מלך יהודה לאמר׃
35Zo spreekt Jahweh der heirscharen: Zie, Ik breek de boog van Elam aan stukken, De keur van zijn kracht.
35כה אמר יהוה צבאות הנני שבר את קשת עילם ראשית גבורתם׃
36De vier winden laat Ik op Elam los Uit de vier hoeken van de hemel; Ik ga ze verspreiden naar al die winden, Geen volk zal er zijn, waar Elams verstrooiden niet komen.
36והבאתי אל עילם ארבע רוחות מארבע קצות השמים וזרתים לכל הרחות האלה ולא יהיה הגוי אשר לא יבוא שם נדחי עולם׃
37Ik laat Elam voor zijn vijanden beven, En voor hen, die zijn leven belagen; Ik ga rampen over hen brengen: Mijn grimmige toorn, is de godsspraak van Jahweh; Ik zend hun het zwaard achterna, Tot Ik ze geheel heb vernield!
37והחתתי את עילם לפני איביהם ולפני מבקשי נפשם והבאתי עליהם רעה את חרון אפי נאם יהוה ושלחתי אחריהם את החרב עד כלותי אותם׃
38Dan richt Ik mijn troon in Elam op, En roei daar koning en vorsten uit, Is de godsspraak van Jahweh.
38ושמתי כסאי בעילם והאבדתי משם מלך ושרים נאם יהוה׃
39Eerst op het einde der dagen Keer Ik het lot van Elam ten beste, Is de godsspraak van Jahweh!
39והיה באחרית הימים אשוב את שבית עילם נאם יהוה׃

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.