Jeremia 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Het woord, dat door Jahweh tot Jeremias gericht werd, toen koning Sedekias Pasjchoer, den zoon van Malki-ja, en den priester Sefanja, den zoon van Maäseja, naar hem toezond met het verzoek:
1הדבר אשר היה אל ירמיהו מאת יהוה בשלח אליו המלך צדקיהו את פשחור בן מלכיה ואת צפניה בן מעשיה הכהן לאמר׃
2Raadpleeg Jahweh voor ons; want Nabukodonosor, de koning van Babel, valt ons aan. Zal Jahweh voor ons al zijn vroegere wonderen herhalen, zodat hij van ons wegtrekt?
2דרש נא בעדנו את יהוה כי נבוכדראצר מלך בבל נלחם עלינו אולי יעשה יהוה אותנו ככל נפלאתיו ויעלה מעלינו׃
3Jeremias gaf hun ten antwoord: Dit moet ge Sedekias gaan zeggen!
3ויאמר ירמיהו אליהם כה תאמרן אל צדקיהו׃
4Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Zie, Ik sla buiten de muren de wapenen terug, die gij voert, en waarmee gij den koning van Babel en de Chaldeën, die u belegeren, bestrijdt; Ik jaag ze in deze stad op een hoop.
4כה אמר יהוה אלהי ישראל הנני מסב את כלי המלחמה אשר בידכם אשר אתם נלחמים בם את מלך בבל ואת הכשדים הצרים עליכם מחוץ לחומה ואספתי אותם אל תוך העיר הזאת׃
5Ik ga zelf u bestrijden met gespierde vuist, met sterke arm, met ziedende gramschap en grimmige woede.
5ונלחמתי אני אתכם ביד נטויה ובזרוע חזקה ובאף ובחמה ובקצף גדול׃
6Ik sla de bewoners dezer stad, mensen en dieren: ze zullen sterven aan een hevige pest.
6והכיתי את יושבי העיר הזאת ואת האדם ואת הבהמה בדבר גדול ימתו׃
7Dan lever Ik, is de godsspraak van Jahweh, Sedekias uit, den koning van Juda, met zijn hovelingen, het volk en al wat pest, zwaard en honger in deze stad heeft gespaard, aan Nabukodonosor, den koning van Babel, aan hun vijanden en die hun naar het leven staan. Men zal ze doden met de punt van het zwaard: zonder genade, zonder medelijden, zonder erbarmen.
7ואחרי כן נאם יהוה אתן את צדקיהו מלך יהודה ואת עבדיו ואת העם ואת הנשארים בעיר הזאת מן הדבר מן החרב ומן הרעב ביד נבוכדראצר מלך בבל וביד איביהם וביד מבקשי נפשם והכם לפי חרב לא יחוס עליהם ולא יחמל ולא ירחם׃
8En tot dit volk moet ge zeggen: Zo spreekt Jahweh! Zie, Ik laat u de keus tussen de weg ten leven en de weg naar de dood.
8ואל העם הזה תאמר כה אמר יהוה הנני נתן לפניכם את דרך החיים ואת דרך המות׃
9Wie in de stad blijft, zal sterven door het zwaard, door honger of pest; maar wie ze verlaat, en zich overgeeft aan de Chaldeën, die u belegeren, zal blijven leven: zijn buit zal lijfsbehoud zijn.
9הישב בעיר הזאת ימות בחרב וברעב ובדבר והיוצא ונפל על הכשדים הצרים עליכם יחיה והיתה לו נפשו לשלל׃
10Want Ik bezoek deze stad voor haar ongeluk en niet voor haar welzijn, is de godsspraak van Jahweh! Ze zal worden overgeleverd aan den koning van Babel; die zal ze verbranden!
10כי שמתי פני בעיר הזאת לרעה ולא לטובה נאם יהוה ביד מלך בבל תנתן ושרפה באש׃
11Juda’s koninklijk huis, Hoort Jahweh’s woord;
11ולבית מלך יהודה שמעו דבר יהוה׃
12Huis van David: dit zegt Jahweh! Spreekt iedere morgen eerlijk recht, En bevrijdt den verdrukte uit de macht der verdrukkers; Anders slaat mijn gramschap uit als een vuur, Dat zal branden en niet worden geblust Om uw boze werken.
12בית דוד כה אמר יהוה דינו לבקר משפט והצילו גזול מיד עושק פן תצא כאש חמתי ובערה ואין מכבה מפני רע מעלליהם׃
13Ik zal u! Bewoners van de vallei, Van de rots in de vlakte, spreekt Jahweh; Die zeggen durft: Wie komt op ons af, Wie dringt onze schuilhoeken binnen?
13הנני אליך ישבת העמק צור המישר נאם יהוה האמרים מי יחת עלינו ומי יבוא במעונותינו׃
14Ik zal u vergelden naar de vrucht van uw werken, Is de godsspraak van Jahweh; Een vuur ontsteken in haar woud, Dat heel haar omgeving verslindt!
14ופקדתי עליכם כפרי מעלליכם נאם יהוה והצתי אש ביערה ואכלה כל סביביה׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.