Jeremia 31
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1In die tijd, is de godsspraak van Jahweh, Zal Ik voor Israëls stammen een God zijn, En zij zullen mijn volk zijn, spreekt Jahweh.
1ΤΗ ΜΩΑΒ οὕτως εἶπε Κύριος, οὐαὶ ἐπὶ Ναβαῦ, ὅτι ὤλετο, ἐλήφθη Καριαθαὶμ, ᾐσχύνθη Ἀμὰθ καὶ Ἀγάθ.
2In de steppe vindt het volk weer genade, Dat door het zwaard bleef gespaard: Israël, op weg naar zijn rust.
2Οὐκ ἔστιν ἔτι ἰατρεία Μωὰβ, γαυρίαμα ἐν Ἐσεβὼν, ἐλογίσατο ἐπʼ αὐτὴν κακά· ἐκόψαμεν αὐτὴν ἀπὸ ἔθνους, καὶ παῦσιν παύσεται· ὄπισθέν σου βαδιεῖται μάχαιρα,
3Reeds uit de verte treedt Jahweh het tegen: Met een eeuwige liefde heb Ik u lief; Daarom neem Ik genadig u aan, en bouw u weer op.
3ὅτι φωνὴ κεκραγότων ἐξ Ὠρωναὶμ, ὄλεθρον καὶ σύντριμμα μέγα·
4Jonkvrouw van Israël, gij wordt herbouwd; Weer zult gij u tooien met pauken, Opgaan in vrolijke reien!
4Συνετρίβη Μωὰβ, ἀναγγείλατε εἰς Ζογόρα,
5Weer zult ge wijngaarden planten op Samaria’s bergen, En die ze planten, zullen er de vruchten van oogsten.
5ὅτι ἐπλήσθη Ἀλὼθ ἐν κλαυθμῷ· ἀναβήσεται κλαίων ἐν ὁδῷ Ὠρωναὶμ, κραυγὴν συντρίμματος ἠκούσατε.
6Ja, de dag zal komen, dat de wachters Op Efraïms bergen roepen: Komt, laat ons opgaan naar Sion, Naar Jahweh, onzen God!
6Φεύγετε καὶ σώσατε τὰς ψυχὰς ὑμῶν, καὶ ἔσεσθε ὥσπερ ὄνος ἄγριος ἐν ἐρήμῳ.
7Want zo spreekt Jahweh: Jubelt van vreugd over Jakob, Juicht over den heerser der volken; Verkondigt het blijde, en roept het uit Jahweh heeft zijn volk verlost, Al wat van Israël bleef gespaard!
7Ἐπειδὴ ἐπεποίθεις ἐν ὀχυρώματί σου, καὶ σὺ συλληφθήσῃ· καὶ ἐξελεύσεται Χαμὼς ἐν ἀποικίᾳ, καὶ οἱ ἱερεῖς αὐτοῦ, καὶ οἱ ἄρχοντες αὐτοῦ ἅμα.
8Zie, Ik leid ze terug Uit het land van het noorden, En breng ze bijeen van de grenzen der aarde: Met blinden en lammen in hun kring, Met zwangere en barende vrouwen: In machtige drommen keren ze terug!
8Καὶ ἥξει ὄλεθρος ἐπὶ πᾶσαν πόλιν, οὐ μὴ σωθῇ, καὶ ἀπολεῖται ὁ αὐλῶν, καὶ ἐξολοθρευθήσεται ἡ πεδινὴ, καθὼς εἶπε Κύριος.
9Wenend schrijden ze voort, Maar troostend zal Ik ze leiden, En ze naar de waterbeken brengen Langs effen wegen, waarop ze niet struikelen; Want Ik zal Israël een vader, Efraïm zal mijn eerstgeborene zijn.
9Δότε σημεῖα τῇ Μωὰβ, ὅτι ἁφῇ ἁφθήσεται, καὶ πᾶσαι αἱ πόλεις αὐτῆς εἰς ἄβατον ἔσονται· πόθεν ἔνοικος αὐτῇ;
10Volkeren, hoort het woord van Jahweh, Verkondigt het op verre kusten: Die Israël verstrooide, verzamelt het weer, En hoedt ze, als een herder zijn kudde!
10Ἐπικατάρατος ὁ ποιῶν τὰ ἔργα Κυρίου ἀμελῶς, ἐξαίρων μάχαιραν αὐτοῦ ἀφʼ αἵματος.
11Waarachtig, Jahweh heeft Jakob verlost, Hem uit de greep van zijn overwinnaar bevrijd.
11Ἀνεπαύσατο Μωὰβ ἐκ παιδαρίου, καὶ πεποιθὼς ἦν ἐπὶ τῇ δόξῃ αὐτοῦ, οὐκ ἐνέχεεν ἐξ ἀγγείου εἰς ἀγγεῖον, καὶ εἰς ἀποικισμὸν οὐκ ᾤχετο· διατοῦτο ἔστη γεῦμα αὐτοῦ ἐν αὐτῷ, καὶ ὀσμὴ αὐτοῦ οὐκ ἐξέλιπε.
12Juichend bereiken ze de toppen van Sion, Stralend van vreugde om de goedheid van Jahweh. Om het koren, de most en de olie, Om de schapen en runderen. Hun ziel is als een bevloeide tuin, Ze zullen nooit meer versmachten.
12Διατοῦτο ἰδοὺ ἡμέραι αὐτοῦ ἔρχονται, φησὶ Κύριος, καὶ ἀποστελῶ αὐτῷ κλίνοντας, καὶ κλινοῦσιν αὐτὸν, καὶ τὰ σκεύη αὐτοῦ λεπτυνοῦσι, καὶ τὰ κέρατα αὐτοῦ συγκόψουσι.
13Dan zullen de meisjes dansen van vreugde, Jongemannen in de kring van grijsaards; Dan zal Ik hun rouw in vreugde veranderen, Ze troosten en verblijden, omdat hun kommer voorbij is;
13Καὶ καταισχυνθήσεται Μωὰβ ἀπὸ Χαμὼς, ὥσπερ κατῃσχύνθη οἶκος Ἰσραὴλ ἀπὸ Βαιθὴλ ἐλπίδος αὐτῶν πεποιθότες ἐπʼ αὐτοῖς.
14De priesters zal Ik vette offers in overvloed geven, Mijn volk zal zwelgen van mijn goedheid, spreekt Jahweh!
14Πῶς ἐρεῖτε, ἰσχυροί ἐσμεν, καὶ ἄνθρωπος ἰσχύων εἰς τὰ πολεμικά;
15Zo spreekt Jahweh: Een jammerklacht wordt in Rama gehoord, Een bitter geween: Rachel schreit om haar zonen, Ze wil zich niet laten troosten, Want haar kinderen zijn niet meer.
15Ὤλετο Μωὰβ πόλις αὐτοῦ, καὶ ἐκλεκτοὶ νεανίσκοι αὐτοῦ κατέβησαν εἰς σφαγήν.
16Zo spreekt Jahweh: Houd op met schreien, En droog uw tranen, Want er is troost voor uw tobben, spreekt Jahweh: Ze keren terug uit het land van den vijand;
16Ἐγγὺς ἡμέρα Μωὰβ ἐλθεῖν, καὶ πονηρία αὐτοῦ ταχεῖα σφόδρα.
17Er is hoop voor de toekomst, spreekt Jahweh, De kinderen keren terug naar hun grond.
17Κινήσατε αὐτῷ πάντες κυκλόθεν αὐτοῦ, πάντες ἔκδοτε ὄνομα αὐτοῦ· εἴπατε, πῶς συνετρίβη βακτηρία εὐκλεὴς, ῥάβδος μεγαλώματος;
18Ik heb toch gehoord, Hoe Efraïm klaagt: Gij hebt mij streng getuchtigd Als een ongetemd rund. Ach, breng mij tot inkeer, ik wil mij bekeren, Gij zijt toch Jahweh, mijn God!
18Κατάβηθι ἀπὸ δόξης, καὶ κάθισον ἐν ὑγρασίᾳ καθημένη· Δαιβὼν ἐκτριβήσεται, ὅτι ὤλετο Μωὰβ, ἀνέβη εἰς σὲ λυμαινόμενος ὀχύρωμά σου.
19Ja, na mijn afval, Kreeg ik berouw; En toen ik het inzag, Sloeg ik mij de heupen. Nu bloos ik van schaamte, Want ik boet de schanddaden van mijn jeugd.
19Ἐφʼ ὁδοῦ στῆθι, καὶ ἔπιδε καθημένη ἐν Ἀρὴρ, καὶ ἐρώτησον φεύγοντα, καὶ σωζόμενον, καὶ εἰπὸν, τί ἐγένετο;
20Is Efraïm dan mijn lievelingszoon, Mijn troetelkind, Dat zo gauw Ik hem dreig, Ik hem aanstonds gedenk? Is daarom mijn hart over hem zo ontroerd, En moet Ik Mij zijner ontfermen, spreekt Jahweh?
20Κατῃσχύνθη Μωὰβ, ὅτι συνετρίβη· ὀλόλυξον καὶ κέκραξον, ἀνάγγειλον ἐν Ἀρνὼν, ὅτι ὤλετο Μωὰβ,
21Richt u mijlpalen op, Zet u wegwijzers neer; Let op het pad, Op de weg, die ge gaat. Jonkvrouw van Israël, keer terug, Hier terug naar uw steden!
21καὶ κρίσις ἔρχεται εἰς τὴν γῆν Μεισὼρ ἐπὶ Χελὼν, καὶ Ῥεφὰς, καὶ Μωφὰς,
22Hoe lang zult ge talmen, Ontrouwe dochter! Waarachtig een nieuw geslacht Schept Jahweh op aarde: De vrouw keert terug Tot haar man!
22καὶ ἐπὶ Δαιβὼν, καὶ ἐπὶ Ναβαῦ, καὶ ἐπʼ οἶκον Δαιθλαθαὶμ,
23Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Weer zal men zeggen In het land en de steden van Juda, Wanneer Ik hun weer geluk heb geschonken: Jahweh zegene u, Zetel van Gerechtigheid, Heilige Berg!
23καὶ ἐπὶ Καριαθαὶμ, καὶ ἐπʼ οἶκον Γαιμὼλ, καὶ ἐπʼ οἶκον Μαὼν,
24Dan zal Juda daar wonen met al zijn steden, Met landbouwers en herders der kudde;
24καὶ ἐπὶ Καριὼθ, καὶ ἐπὶ Βοσὸρ, καὶ ἐπὶ πάσας τὰς πόλεις Μωὰβ τὰς πόῤῥω καὶ τὰς ἐγγύς.
25Die uitgeput zijn zal Ik verkwikken, Al de versmachtenden laven:
25Κατεάχθη κέρας Μωὰβ, καὶ τὸ ἐπίχειρον αὐτοῦ συνετρίβη.
26Dan waak Ik op, en blik om Mij heen, Mijn slaap is voorbij!
26Μεθύσατε αὐτὸν, ὅτι ἐπὶ Κύριον ἐμεγαλύνθη· καὶ ἐπικρούσει Μωὰβ ἐν χειρὶ αὐτοῦ, καὶ ἔσται εἰς γέλωτα καὶ αὐτός.
27Zie, de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh: Dat Ik het huis van Israël En het huis van Juda bestrooi Met het zaad van mensen En het zaad van vee.
27Καὶ εἰ μὴ εἰς γελοιασμὸν ἦν σοι Ἰσραὴλ, καὶ ἐν κλοπαῖς σου εὑρέθη, ὅτι ἐπολέμεις αὐτόν.
28En zoals Ik op hen heb gelet, Om uit te roeien en te verdelgen, Te verwoesten, te vernielen en onheil te brengen: Zo zal Ik ook op hen letten, Om op te bouwen en te planten, Is de godsspraak van Jahweh!
28Κατέλιπον τὰς πόλεις, καὶ ᾤκησαν ἐν πέτραις οἱ κατοικοῦντες Μωάβ· ἐγενήθησαν ὥσπερ περιστεραὶ νοσσεύουσαι ἐν πέτραις, στόματι βοθύνου.
29In die dagen zegt men niet meer: De vaders eten onrijpe druiven, De tanden der kinderen worden er stroef van!
29Καὶ ἤκουσα ὕβριν Μωὰβ, ὕβρισε λίαν ὕβριν αὐτοῦ, καὶ ὑπερηφανίαν αὐτοῦ· καὶ ὑψώθη ἡ καρδία αὐτοῦ.
30Neen, iedereen sterft om zijn eigen misdaad de dood: Die onrijpe druiven eet, Krijgt zelf stroeve tanden.
30Ἐγὼ δὲ ἔγνων ἔργα αὐτοῦ· οὐχὶ τὸ ἱκανὸν αὐτῷ οὐχ οὕτως ἐποίησε;
31Zie, de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh, Dat Ik een verbond zal sluiten Met Israëls huis En het huis van Juda: Een nieuw verbond!
31Διατοῦτο ἐπὶ Μωὰβ ὀλολύζετε πάντοθεν· βοήσατε ἐπʼ ἄνδρας κειράδας αὐχμοῦ.
32Niet als het verbond, dat Ik met hun vaderen sloot, Toen Ik ze bij de hand heb gevat, Om ze uit Egypte te leiden: Mijn verbond, dat ze hebben verbroken, Zodat Ik een afschuw van hen kreeg, Is de godsspraak van Jahweh!
32Ὡς κλαυθμὸν Ἰαζὴρ ἀποκλαύσομαί σοι ἄμπελος Ἀσερημὰ, κλήματά σου διῆλθε θάλασσαν, πόλεις Ἰαζὴρ ἥψαντο, ἐπὶ ὀπώραν σου, ἐπὶ τρυγηταῖς σου ὄλεθρος ἐπέπεσε.
33Maar dit is het verbond, dat Ik sluit Met Israëls huis na deze dagen, spreekt Jahweh: Ik zal mijn wet in hun boezem leggen, Ik zal ze schrijven op hun hart; En Ik zal hun God, Zij zullen mijn volk zijn!
33Συνεψήσθη χαρμοσύνη καὶ εὐφροσύνη ἐκ τῆς Μωαβίτιδος· καὶ οἶνος ἦν ἐπὶ ληνοῖς σου, πρωῒ οὐκ ἐπάτησαν, οὐδὲ δείλης οὐκ ἐποίησαν,
34Dan behoeven ze elkander niet meer te leren, De een tot den ander niet te zeggen: Leert Jahweh kennen. Neen, dan zullen zij allen Mij kennen, Kleinen en groten, spreekt Jahweh; Want dan zal Ik ze hun misdaad vergeven, Hun zonde niet langer gedenken.
34αἱ δὲ ἀπὸ κραυγῆς Ἐσεβὼν ἕως Αἰτὰμ αἱ πόλεις αὐτῶν ἔδωκαν φωνὴν αὐτῶν, ἀπὸ Ζογὸρ ἕως Ὠρωναὶμ, καὶ ἀγγελίαν σαλασία, ὅτι καὶ τὸ ὕδωρ Νεβρεὶν εἰς κατάκαυμα ἔσται.
35Zo spreekt Jahweh, Die de zon heeft geplaatst tot een licht overdag, De maan en de sterren tot een licht in de nacht, Die de zee beroert, Dat haar golven bruisen: Jahweh der heirscharen is zijn Naam!
35Καὶ ἀπολῶ τὸν Μωὰβ, φησὶ Κύριος, ἀναβαίνοντα ἐπὶ τὸν βωμὸν, καὶ θυμιῶντα θεοῖς αὐτοῦ.
36Wanneer ooit deze wetten Voor mijn aangezicht wankelen, Is de godsspraak van Jahweh: Dan houdt het zaad van Israël op, Een volk voor mijn aanschijn te zijn Voor altijd en immer!
36Διατοῦτο καρδία τοῦ Μωὰβ, ὥσπερ αὐλοὶ βουβήσουσι, καρδία μου ἐπʼ ἀνθρώπους κειράδας ὥσπερ αὐλὸς βομβήσει· διατοῦτο ἃ περιεποιήσατο, ἀπώλετο ἀπὸ ἀνθρώπου.
37Zo spreekt Jahweh: Zo waar als de hemelen daarboven niet worden gemeten, De grondvesten der aarde beneden niet worden gepeild, Evenmin zal Ik heel Israëls geslacht verwerpen Om al wat ze hebben misdaan, Is de godsspraak van Jahweh!
37Πᾶσαν κεφαλὴν ἐν παντὶ τόπῳ ξυρηθήσονται, καὶ πᾶς πώγων ξυρηθήσεται, καὶ πᾶσαι χεῖρες κόψονται, καὶ ἐπὶ πάσης ὀσφύος σάκκος.
38Zie, de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh, Dat de stad ter ere van Jahweh zal worden herbouwd, Van de toren Chananel tot de Hoekpoort;
38Καὶ ἐπὶ πάντων τῶν δωμάτων Μωὰβ, καὶ ἐπὶ ταῖς πλατείαις αὐτῆς, ὅτι συνέτριψα, φησὶ Κύριος, ὡς ἀγγεῖον, οὗ οὐκ ἔστι χρεία αὐτοῦ.
39Dan loopt het meetsnoer verder tot de heuvel van Gareb, En het keert zich naar Goa.
39Πῶς κατήλλαξε; πῶς ἔστρεψε νῶτον Μωάβ; ᾐσχύνθη, καὶ ἐγένετο Μωὰβ εἰς γέλωτα, καὶ ἐγκότημα πᾶσι τοῖς κύκλῳ αὐτῆς.
40En het hele dal met lijken en as, Alle dodenakkers tot de Kedron-beek, Tot de hoek van de Paardenpoort in het oosten, Zullen aan Jahweh worden gewijd; Ze zullen niet worden verwoest of vernield, In eeuwigheid niet!
40Ὅτι οὕτως εἶπε Κύριος,
no verse 41 in this text
41Ἐλήφθη Καριὼθ, καὶ τὰ ὀχυρώματα συνελήφθη,
no verse 42 in this text
42καὶ ἀπολεῖται Μωὰβ ἀπὸ ὄχλου, ὅτι ἐπὶ τὸν Κύριον ἐμεγαλύνθη.
no verse 43 in this text
43Παγὶς καὶ φόβος καὶ βόθυνος ἐπὶ σὲ καθήμενος Μωάβ.
no verse 44 in this text
44Ὁ φεύγων ἀπὸ προσώπου τοῦ φόβου, ἐμπεσεῖται εἰς τὸν βόθυνον· καὶ ὁ ἀναβαίνων ἐκ τοῦ βοθύνου, καὶ συλληφθήσεται ἐν τῇ παγίδι· ὅτι ἐπάξω ταῦτα ἐπὶ Μωὰβ ἐν ἐνιαυτῷ ἐπισκέψεως αὐτῶν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.